Blogopmaak

14 november

Maria • 19 december 2022
  • Titel dia

    Schrijf uw onderschrift hier
    Knop
  • Titel dia

    Schrijf uw onderschrift hier
    Knop
  • Titel dia

    Schrijf uw onderschrift hier
    Knop

14 nov 2022


Na een heerlijk diner,een nacht zonder bijgeluiden, een heerlijke douche en een verwenontbijtje reden we vanuit het hotel de koud tegemoet. Het leek zo mooi maar om 10 uur kwamen er nog witte rookpluimpjes uit de mond als je uitademt. Aan het begin werden er nog fotos gemaakt en plannetjes over een gezellige lunch in het zonnetje. We hadden er goed de vaart in mede door de snelheid was het zooooo kkkkoud. Mn benen gingen als een dolle in het rond en mn hoofd was al thuis bij een warm dekentje, de katjes en een warme kop soep. Dus werd het vandaag een rechte lijn naar huis. 'Even' van Exloo naar Haren gefietst in 3 uurtjes… nu eerst ontdooien…



https://www.relive.cc/view/vPOp3D7zyRv


12 maart 2025
Hoofdstuk 59: Fietsend naar de hemel op de aarde... Weer 50 km eraf... Na weken onderweg te zijn, talloze kilometers achter de rug, begon alles langzaam op zijn plek te vallen. Niet alleen de route op de kaart, maar ook de herinneringen die zich als een mozaïek in hun hoofd nestelden. Vanmiddag, tijdens een interview met een radioprogramma, kregen ze een vraag die hen aan het denken zette. “Wat is het mooiste wat jullie hebben meegemaakt?” Anna besprak het na die tijd met Fred, die peinzend naar de horizon staarde. Hoe kies je uit al die momenten, al die ontmoetingen, al die gevoelens? “De kracht van de natuur”, vond Anna. Dat was het. De manier waarop de natuur hen meenam, hoe het hen deed vergeten, doorvoelen, loslaten. “De tocht samen” zei Fred. Alleen met z’n tweeën, in onze eigen bubbel. Fietsen naar de hemel, over de aarde. De wereld even loslaten en gewoon… zijn. “De mensen” zeiden ze tegelijkertijd. Linda en haar hond Aiki, die hen leerde dat het niet de perfectie is die een plek speciaal maakt, maar het gevoel. De broers, die zonder twijfel naar Frankrijk afreisden om samen te eten. De ‘mutsen mevrouw’, die zomaar iets gaf uit het hart. Annemarie, Bert en Ine, de taxichauffeur, de cameraploeg, de mensen onderweg die hen aanspraken en iedereen die nu niet even te binnen schoot... Marchel, lid van de caminofamilie, die zomaar een week van zijn leven opofferde om hen te helpen. Chris en Maartje die weken meereizen. Ze beseften: er was te veel om op te noemen. Alles moest nog indalen. Vastklinken in hun hoofd. Pas later, bij het bekijken van de foto’s, zou het écht terugkomen. Ze fietsten nu al dagen door eindeloze wijnvelden. Heuvel op, heuvel af. Wijn, zover het oog reikte. Ze hadden niet geweten dat het gebied zó groot was. Elke bocht bracht weer een ander uitzicht, weer een andere geur. De wind had vrij spel tussen de ranken, waaide hun zorgen weg en maakte hun spieren sterker. Bij een klein winkeltje in Pomerol hielden ze even pauze. Een vriendelijke mevrouw vertelde hen gepassioneerd over wijn. Hoe je het moest bewaren, wanneer je het moest drinken. Anna knikte en luisterde aandachtig. Haar eerste fles ‘bewaarwijn’ ging mee naar huis. “Een betere investering dan crypto’s,” grapte ze tegen Fred. Fred trok zijn wenkbrauwen op. “Weet je dat zeker? Straks heb je spijt als je hem opdrinkt.” Anna grijnsde. “Nee hoor. Wijn is er om te delen, niet om stof te verzamelen.” Het huisje waar ze nu waren, voelde ruim, groot, met een gigantische afgesloten tuin, perfect voor Djinx. “Die vermaakt zich hier wel,” zei Chris lachend toen de hond met zijn neus in de lucht snuffelend door de tuin rende. Binnen was alles aanwezig. Zelfs een vaatwasser en een oven. Helaas geen wasmachine dus sprongen ze nog maar een keer in hun ‘binnenstebuiten kleding’. Anna’s ogen begonnen te glimmen. “We hebben morgen een pauzedag. We zouden eindelijk weer eens écht iets kunnen bakken.” Fred keek haar aan. “Zeg je nu dat je iets gaat maken met ingrediënten die langer dan drie minuten nodig hebben om warm te worden?” Anna lachte. “Ja. Gewoon omdat het kan.” Vandaag was mooi geweest. Een stevige, winderige, maar toch zonnige dag. Een dag waarin ze zich weer herinnerden waarom ze dit deden. Een dag waarin de weg zelf belangrijker was dan de bestemming. Hoofdstuk 60: Een dag met een gouden randje Sommige dagen beginnen traag, alsof het lijf en het hoofd weigeren om in beweging te komen. Dit was zo’n dag. Fred zat stil, zijn hoofd leunde tegen de stoel. Zijn blik wazig, vermoeid. “Mijn hoofd slingert,” mompelde hij. “Ik ben moe.” Anna keek hem even aan en knikte. “Dan blijf je lekker hier niks doen. Het waren weer drukke dagen. Rustig aan.” Ze liet hem met een gerust hart achter bij Maartje en ging met Chris boodschappen doen. Even eruit. Even iets praktisch doen. Els, de vrouw van het huisje, had hen verteld dat er zelfs op zondag een E.Leclerc open was. Handig, dan konden ze weer voor een paar dagen inslaan. Nooit aan gedacht dat het alweer zondag was, ze hielden de dagen van de week helemaal niet meer bij. Onderweg viel Anna’s oog op een bordje. Route des Templiers. “Hé, wat is dat?” Chris keek even opzij. “Geen idee. Even kijken?” Ze reden een zijweggetje in en kwamen uit bij een klein oud kerkje, verscholen in het piepkleine dorpje. Een plek vol geschiedenis, vol verhalen die hier eeuwenlang hadden gehangen. Ze liepen om het gebouwtje maar het was gesloten. Jammer. Toen ze weer in de bus klommen trok een ander gebouw in de verte hun aandacht. “Zullen we ook even bij dat kasteel gaan kijken?” vroeg Chris. Anna grijnsde. “Ach, waarom niet." Altijd in voor iets nieuws en al slingerend over de kleine franse weggetjes van de berg naar beneden reden ze er heen. De regen was gelukkig gestopt, maar het landschap liet zien hoe hard het had gehoost. Overal stroomde water, kleine riviertjes die gisteren nog niet bestonden, nu dwars over de weg, door tuinen, door bossen. “Dat moet je vanmiddag met Djinx gaan bekijken,” zei Anna enthousiast. “Vindt hij vast fantastisch al dat stromende water." Bij het kasteel aangekomen, zagen ze een lange rij verschillende wijnen staan. Chris trok een wenkbrauw op. “Eerst kasteel, dan wijn?” Anna knikte ernstig. “We moeten natuurlijk wél een beetje de prioriteiten in de gaten houden.” En zo struinden ze door de open deuren en binnenplaatsen. Boogschieten, ridderspelen, het bleef leuk, ook als je allang geen kind meer was. Anna kon het niet laten en luidde een grote klok. Een diepe, zware klank galmde over het landgoed. Chris schudde lachend zijn hoofd. “Je blijft een klein beetje een kleuter, hè?” Ze genoten van het uitzicht, zagen hoe het kasteel hoog boven het landschap uitstak. Een bastion, gebouwd door katholieke eigenaren in een protestantse omgeving. Een plek van bescherming, maar ook van strijd. “Religie en oorlog,” zuchtte Anna. “Denk je dat hun God dat goed vond?” Chris haalde zijn schouders op. “Mensen hebben altijd een excuus nodig om te vechten.” Bij het winkeltje stond een dame hen al uitnodigend toe te knikken. “Wijntje mee?” vroeg Chris met een scheve grijns. “Nou, vooruit dan maar,” lachte Anna. En voor ze het wisten, zaten ze te proeven. Roestvrijstalen vaten? Eikenhouten vat? Oude ranken, jonge ranken? Het werd een vrolijke terugrit. Met een paar flessen onder de arm en een slingerende Anna, nagenietend van een onverwacht prachtige ochtend. Spontaan op stap met haar zoon in Frankrijk. Een dag met een gouden randje… Na de lunch pakte Anna haar tekenspullen en zocht een plekje in de zon. Haar potlood gleed over het papier, maar haar gedachten dwaalden af. Lourdes was dichtbij. Nog maar een paar honderd kilometer. Ze hadden het gehaald tot hier. Nooit hadden ze durven dromen dat ze zo ver zouden komen. Maar… wat dan? Willen ze nog wel naar huis? Wilde zij nog wel terug? Anna keek weer naar Fred. Hij voelde haar blik en opende één oog. “Wat denk je?” vroeg hij zacht. Anna haalde diep adem. “Dat Lourdes bijna te ruiken is.” Fred knikte. “Ja.” “Wil je daarna naar huis?” Hij bleef even stil. “Ik weet het niet.” Anna wist het ook niet. De weg was hun thuis geworden. En misschien was dát wel het mooiste besef van allemaal. Hoofdstuk 61: Fietsend naar het hemelbed De ochtend begon met een strakblauwe lucht en een warme zon die al vroeg beloofde dat het een mooie dag zou worden. De laatste spullen werden ingepakt, het huisje met de gigantische tuin werd achtergelaten, en met een lichte frustratie ontdekten ze dat er tóch een wasmachine stond. Fred haalde zijn schouders op. “Ach, we zijn inmiddels kampioen kleding binnenstebuiten dragen. Waarom nu stoppen?” En zo gingen ze weer op pad, in fris-ogende, maar toch stiekem iets minder frisse kleding. Onderweg werden ze er weer ‘uitgegooid’ bij het vorige eindpunt waar tot overmaat van ramp de ketting steeds van de fiets gleed. Met vieze handen stopten ze even later bij een kleine kerk, waar ze muurschilderingen ontdekten die zo levensecht waren dat het leek alsof er echte beelden in de nissen stonden. Anna bleef gefascineerd staan. “Moet je kijken, Fred, zei Anna toen ze weer buiten kwam. “Je zou zweren dat ze eruit kunnen stappen en ons een stempel komen geven.” Fred grinnikte. “Dat zou pas een pelgrimservaring zijn.” De sfeer was goed vandaag. De zon scheen, er stond weinig wind en zonder al te veel moeite tikten ze zo de kilometers weg. Zelfs een ‘korte broekendag’ kon weer gevierd worden. Tijdens de lunch liep het echter even anders. Ze kwamen bij een restaurant aan nét na twee uur, hongerig en toe aan een pauze. “Sorry, we zijn gesloten,” zei de serveerster onverbiddelijk. Anna keek op haar horloge. “Twee minuten over twee. Echt?” “Alleen voor klanten,” voegde ze er nog aan toe toen Anna vroeg of ze even naar de wc mocht. “Grrrr,” mompelde Anna terwijl ze zich omdraaide. “Laat maar.” Gelukkig zat er een broodjeszaak naast waar wél hartelijkheid te vinden was. In het zonnetje op het plein genoten ze van een eenvoudig maar lekker broodje. “Nou,” zei Fred, happend in zijn brood, “dat andere restaurant kan de pot op. Letterlijk.” Anna lachte. “En ik hoop dat ze een heel krap toilet hebben.” Het laatste stuk van de route was minder inspirerend. Kilometers langs eindeloze productiebossen, monotoon en saai. “Dit is het fietspad-equivalent van een slaapliedje,” mopperde Anna. Fred knikte. “Als ik een zelfrijdende fiets had, had ik nu een dutje gedaan.” Bij aankomst bleek hun onderkomen… boven. Google had het bericht van de eigenaar vanuit het Frans, verkeerd vertaald. “Niet wéér,” zuchtte Anna. Fred keek haar aan. “Weet je nog, op dag één, toen we zeiden dat we flexibel zouden blijven?” Anna trok een gezicht. “Ja, maar ik bedoelde flexibel als in ‘openstaan voor avontuur’, niet als in ‘spullen de trap op slepen’.” Bij het verhaal halen, raakten ze in gesprek met de eigenaren. En wat een aardige mensen! Toen Anna later nog even terugkwam om iets te overleggen, werd ze plots verwelkomd door een zachte ezelneus tegen haar hand en een vriendelijke pony die haar een duwtje gaf. En ze kreeg eieren van eigen kippen mee. “En toen was alles weer goed,” lachte ze terwijl ze Fred later vertelde over haar dierenvrienden. Maar het hoogtepunt van de avond? Een hemelbed. Anna keek ernaar en begon te grinniken. “Fietsend naar het hemelbed. Mooi passend bij onze tocht, toch?” Fred leunde tegen de deurpost. “Ik weet niet hoe het zit met de hemel, maar als dat bed lekker ligt, is dat voor nu goed genoeg.” Hoofdstuk 62: Een stapje terug De ochtend begon stroef. Letterlijk. Alles kraakte en protesteerde. “Nou, ik geloof dat mijn gewrichten vannacht stiekem 30 jaar ouder zijn geworden,” mompelde Anna terwijl ze zich langzaam uit het bed wrong. Fred kreunde instemmend. “Misschien moeten we een dagje overslaan.” Anna keek naar buiten, de lucht was helder, de zon scheen uitnodigend. “Of… we doen een korte route?” Fred haalde diep adem. “We zeggen altijd: luister naar je lichaam.” Anna knikte. “Maar mijn hoofd zegt ook dingen. Zoals: ga naar buiten.” En zo vertrokken ze toch, iets later dan normaal. Rond 12 uur rolden ze vanaf het huisje de weg op. Chris en Anna zouden later boodschappen doen en hen weer oppikken. De route bleek al snel minder idyllisch dan gehoopt. In plaats van een strak fietspad lag er een hobbelige voie verte voor hen. “Dit is geen fietspad,” mopperde Anna. “Dit is een veredeld wildspoor.” En de wilde zwijnen waren het daar blijkbaar mee eens geweest. Overal waren de paden omgewoeld, grote kuilen en hopen zand maakten het bijna onmogelijk om de fiets recht te houden. Anna’s armen en schouders voelden al snel als elastiek van het corrigeren. “Serieus,” zuchtte ze na een paar kilometer, “ik ben niet op een mountainbiketocht... Fred keek naar haar en knikte langzaam. “Nee, en we moeten onszelf niet over de kop werken.” Ze stopten even. Probeerden het mooie van de dag te zien. En ja, er waren leuke dingen. Mooie uitzichten, kleine dorpjes die nog sliepen in de late winterzon. Maar de spirit van gisteren? Die was nergens te bekennen. Na 32 kilometer hielden ze het voor gezien. “We moeten nu echt een stapje terug doen,” zei Anna, terwijl ze haar handen over haar pijnlijke schouders wreef. Fred keek haar aan, en fluisterde omdat zijn stem weer was weggevallen. “Ja. En misschien eens echt luisteren naar die krakende lichamen van ons.” Ze lachten, al was het een beetje pijnlijk. Soms moet je even pas op de plaats maken. En misschien… was dat ook een belangrijk deel van de reis. 62A...Een kaars voor jou, een kaars voor ons… Lourdes komt dichterbij. Nog 110 kilometer te gaan. De laatste loodjes. En toch, ondanks dat we het bijna ruiken… voelt het verder weg dan ooit. Freerk voelt het in elke vezel van zijn lijf. Zijn lichaam voelt moe, de pijn intenser. Ik zie het aan hem, hoor het in de stilte omdat zijn stem het weer begeeft. Voor mezelf wordt het ook moeilijker. De zorgen, de vermoeidheid, het lange onderweg zijn. We zijn er bijna… maar ‘bijna’ is nog niet ‘daar’. We hebben besloten: eerst rust. Eerst even ademhalen. Pas daarna die laatste kilometers. Misschien in kleine etappes, misschien met wat extra hulp. Maar niet overhaast. Niet ten koste van alles. Lourdes is niet alleen onze bestemming. Het is een belofte, een plek van licht en hoop, een zoete herinnering. Onderweg vroegen zoveel mensen: “Willen jullie een kaarsje voor me aansteken?” Namen, verhalen, gebeden werden meegegeven. En dat willen we. Natuurlijk. Maar het werden er steeds meer. Nu, in deze laatste fase, beseffen we: het loopt op. Niet alleen in aantal, maar ook in kosten. En eerlijk? We zijn de tel een beetje kwijt. Daarom deze vraag, aan iedereen die dit leest: Wil je dat we een kaarsje voor jou of een dierbare opsteken? Stuur ons dan een privébericht en stort €2 per kaars. Op onze stichting: www.onbeperktopdefiets.nl staan de gegevens. Elke kaars is een lichtpuntje. Voor jullie, voor ons. Dankjewel. Voor het volgen, voor het meeleven, voor het samen onderweg zijn. We zijn er bijna... 64...De Laatste Dagen voor Lourdes... Nu we hier in het huisje dicht bij Lourdes zijn geland, komen onvermijdelijk allerlei vragen op. Na precies twee maanden onderweg, fietsend, pauzerend, zoekend, genietend, afziend, zullen we aankomen in Lourdes. En steeds weer komt dezelfde vraag terug: Wat was nou het mooiste van de reis? Het is een vraag die we vaak krijgen. En gek genoeg is het een vraag die steeds moeilijker te beantwoorden lijkt. We hebben zoveel beleefd, zoveel gezien, zoveel gevoeld. Waar begin je dan? Misschien begint het bij het besef dat deze reis niet alleen een fysieke tocht was, maar een reis door het leven zelf. Want het mooiste was niet één moment. Het was niet een specifieke plek, niet één ontmoeting, niet één ervaring. Het mooiste was dat we dit samen hebben gedaan. Elke dag opnieuw. Door wind en regen, over heuvels en door dalen, letterlijk en figuurlijk. Het mooiste waren de kleine ontmoetingen onderweg. De mensen die zomaar hun deur openden. De mevrouw die voor de kou mutsen had gekocht... De man in de kerk die een kaars gaf, speciaal voor ons. De volgers die ons op afstand steunden, die ons berichten stuurden, die ervoor zorgden dat we nooit echt alleen waren. De handen die ons hielpen toen het even niet ging. Het mooiste was de natuur. De eindeloze wegen waar de horizon nooit ophield. De vriezende ochtendnevel over de velden, die de wereld even stilzette. De eerste bloesems, die fluisterden dat de lente eraan kwam. De vogels, de herten, de zwijntjes die af en toe hun kop lieten zien. De wind, die soms meehielp en soms tegenwerkte, maar altijd aanwezig was. Het mooiste was het samen-zijn. De stilte die soms alles zei. Het ritme van de trappers, de cadans van de weg, het geluid van de fiets dat het enige was wat bestond. De avonden waarop we moe, maar voldaan in een nieuw bed kropen, niet wetend hoe de volgende dag eruit zou zien. De wetenschap dat we samen verder zouden gaan. Nu we hier bijna zijn, dringt het langzaam door. We kunnen er niet langer omheen. Dit was ónze reis. Niet van ‘Anna en Fred’, niet van een verhaal dat in de derde persoon geschreven kan worden. Het is onze werkelijkheid. Onze beleving. We hebben het echt (bijna) gedaan. En dat, dat is misschien wel het allermooiste van alles. 65...Nog 35 Kilometer: Tussen Afstand en Aankomst We zaten vanmiddag op de bank, na een ritje op de fiets om boodschappen te doen. Langs de buitenkant van Lourdes. Voor ons gevoel mogen we er nog niet in. Nog niet ookal zijn we nu op een overnachtingsplek aan de rand van Lourdes... Nog 35 kilometer. Een mooi moment om vragen te overdenken... Woensdag brengt Kees ons terug naar onze vorige stopplek, zodat we vanaf daar de laatste etappe kunnen rijden. Dan sluit ook de cameraploeg weer aan. Het moment van aankomst komt dichterbij, maar nu… nu zitten we hier. In een paar dagen van rust, bezinning, en het laten landen van alles wat is gebeurd. Pas nu voel ik hoe mijn schouders protesteren. Hoe mijn lichaam de inspanning begint te vertalen in pijn. Hoe diep de vermoeidheid zit. En toch… het is goed. Er komen steeds meer vragen binnen. Vragen van volgers, vrienden, onbekenden die met ons meereizen via hun schermen. En het is bijzonder om daarover na te denken. Wat was lifechanging tijdens deze rit, was een van de vragen... Het was niet één moment. Niet één gebeurtenis. Maar het besef dat grenzen niet vaststaan. Dat ze steeds opnieuw verschoven kunnen worden. Soms omdat we wilden, soms omdat we moesten. Dat kwetsbaarheid geen zwakte is. Dat het oké is om te zeggen: "Dit lukt niet meer vandaag," zonder dat het voelt als falen. Al vind ik dat zelf nog heel lastig. Maar Freerk is hierin een goede leermeester voor mij. Dat loslaten niet betekent dat je iets opgeeft, maar dat je ruimte maakt voor iets nieuws. Dat deze reis niet alleen een fysieke tocht is geweest, maar een reis naar binnen. We hebben het niet altijd door, maar we veranderen onderweg. We worden gevormd door de kilometers, de ontmoetingen, de momenten van euforie en de momenten waarop het zwaar was. En misschien merken we pas echt wat er veranderd is, als we straks over die laatste drempel stappen. Of pas als we thuis zijn of nog later... Maar tot die tijd… zijn er in elk geval nog 35 kilometer. Als jij een vraag hebt, iets wat je ons wil laten overdenken, stel hem gerust. Dit is het moment waarop alles langzaam indaalt. En misschien helpt jouw vraag ons om te verwoorden wat we nog niet helemaal kunnen bevatten... 66... Freerk en Lourdes: Zonder Verwachting, Maar Open Voor Wat Komt Er kwam een vraag binnen. Een eenvoudige, maar diepgaande vraag, gericht aan Freerk: "Hoe gaat het met je? En wat verwacht je van je bezoek aan Lourdes?" Hij keek even naar Maria. Alsof hij de woorden zocht die het beste konden beschrijven hoe hij zich voelde. Want het antwoord was niet zo simpel als "goed" of "slecht." "Hoe gaat het eigenlijk met mij?" Zijn lichaam vertelt zijn eigen verhaal. Kortademigheid, vermoeidheid, een stem die soms wegvalt. Pijn in zijn longen, rugpijn, een energielevel dat per dag lijkt te wisselen. Niet direct pijn door de tumoren of zwellingen, en dat is ergens een opluchting. Maar toch… het kost moeite. Best veel moeite. Als hij terugkijkt naar het begin van de reis, ziet hij wel verschil. Zijn conditie is beter dan toen ze vertrokken. Dat had hij niet verwacht. En toch… voelt hij zich beter? Niet per se. Hij is niet negatiever dan bij vertrek, maar is dat dan automatisch positief? Hij weet het niet. Wat hij wél weet, is dat de tocht best zwaar is geweest. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. De constante wisseling van plekken, de onzekerheid, de fysieke grenzen die steeds vaker voelbaar worden, ook naarmate de route steiler wordt. Maar ook de schoonheid van de natuur, de eenvoud van het onderweg-zijn, en de vele ontmoetingen hebben iets bijzonders gebracht. Maar nu, met Lourdes in zicht, komt onvermijdelijk die andere vraag: Wat verwacht je van Lourdes? Daar moest hij langer over nadenken. “Eigenlijk niets." Lourdes was nooit het uiteindelijke doel. De reis was voor hem belangrijker dan de bestemming. Ze hadden een route naar het zuiden gekozen, omdat het noorden in de winter te koud was. Rome was een idee voor de lente en zomer maar de oncoloog zei dat ze zsm moesten vertrekken en in de winter de Alpen over? Geen goed idee. Dan bleef Zuid-Frankrijk over. En ja, Lourdes. Een bedevaartsoord. Maar wat betekent dat voor hem? Freerk is niet gelovig in de traditionele zin van het woord. "Ben je dan ongelovig?" Hij grinnikt. "Als ik nu nee zeg gaat iedereen zeggen: dat kan niet. Je bent het een of t ander." Maar geloven past voor hem niet in hokjes. Geen strikte dogma’s, geen opgelegde regels, geen kant-en-klare antwoorden. Hij heeft er lang over nagedacht, en misschien is dit zijn conclusie: "Ik geloof dat je terugkomt." Terugkomt in welke vorm dan ook. In herinneringen, in energie, in iets wat niet te benoemen valt. En of er een wonder kan gebeuren in Lourdes? Hij sluit niets uit, maar gelooft er ook niet in. Misschien ligt de magie van Lourdes niet in de plek zelf, maar in het besef dat ze hier samen naartoe zijn gefietst. Niet voor verlossing. Niet voor genezing. Maar omdat de weg hen hierheen heeft geleid, in alles wat er al is gebeurd onderweg. In de mensen die ze hebben ontmoet, in de grenzen die verlegd zijn, in de momenten waarop ze dachten dat ze niet verder konden en toch weer opstapten. In het feit dat ze hier, ondanks alles, nog steeds samen zijn. En verder? "Verder niks... dit is genoeg." 67... Een volgende vraag: Zouden we deze reis aanraden aan anderen? We zitten weer 'reflecterend' op de bank in het huisje vlakbij Lourdes. De vraag: Zou je deze reis aanraden aan anderen? is de vraag van een volger in dit reflectiemomentje. Freerk kijkt even naar mij, een kleine glimlach op zijn gezicht. “Dat is ook weer een lastige vraag,” zegt hij uiteindelijk. “Het ligt eraan wat je zoekt.” Hij denkt even na en knikt dan. “Als je deze reis puur ziet als een sportieve uitdaging of een toeristische route, dan zeg ik: nee, dan zijn er makkelijkere en comfortabelere manieren om dat te doen.” Hij kijkt voor zich uit, alsof hij de kilometers nog eens voorbij ziet glijden. “Maar als je de moed hebt om onderweg jezelf tegen te komen, om je over te geven aan wat er op je pad komt… dan ja. Dan is dit een reis die je altijd bijblijft.” Ik leunt achterover en adem even diep in. “Het is geen reis van kilometers, het is een reis van inzichten. Ja, je komt jezelf tegen. Soms is dat prachtig, soms is dat confronterend. Je leert loslaten, accepteren dat niet alles te plannen is, dat er dagen zijn dat het even niet gaat. Maar ook dat er altijd een weg is, zelfs als je even vastloopt. Of je nou ziek bent of niet.” Freerk grijnst. “En je leert dat je veel meer kunt dan je denkt. Dat de grenzen die je in je hoofd hebt, vaak niet echt bestaan.” Ik knik. “Kijk naar ons. Toen we vertrokken, wisten we niet of we het tot Parijs zouden halen. En nu? Nu staan we bijna in Lourdes. We dachten dat de kou, de wind en de vermoeidheid ons misschien zouden breken, maar we bleven doorgaan. Elke dag een stap verder, soms met moeite, meestal met plezier. Maar altijd verder.” Even valt er een stilte. Ik staar voor me uit. “Ik hoop dat mijn zoons ooit het lef hebben om dit soort reizen te maken,” zegt ik zacht. “Een pelgrimstocht, een avontuur waarin ze zichzelf tegenkomen en achteraf kunnen zeggen: wat kan ik veel, wat ben ik een mooi en krachtig mens. Ik gun het hen zo. Niet om ver weg te zijn, maar om dichter bij zichzelf te komen. Om los te breken van wat vanzelfsprekend is en te voelen hoe sterk ze werkelijk zijn.” Freerk kijkt me even aan en knikt. “Dat zou mooi zijn. “Ja. Ik hoop dat ze het ooit zullen doen. Misschien niet op de fiets, misschien op hun eigen manier. Maar ik gun ze dit gevoel. Een gevoel wat eigenlijk niet is uit te leggen.” Ik kijk naar Freerk. “Dus, zouden we het aanraden?” Freerk haalt zijn schouders op en kijkt me met een scheve glimlach aan. “Niet als je gewoon een fietstocht zoekt. Maar wel als je een reis wilt maken die je confronteert, uitdaagt en meeneemt naar plekken in jezelf die je anders nooit zou ontdekken.” Ik lach en zeg. “Dat gun ik iedereen. Niet omdat het makkelijk is, maar omdat het je laat zien waartoe je in staat bent. Hoe veerkrachtig je eigenlijk bent. Of je je angsten recht in de ogen durft te kijken, of je buiten je eigen kaders kunt denken en voelen. Of je open durft te staan voor andere mensen, andere levens, andere werkelijkheden.” Ik kijk voor me uit, de weg nog in gedachten. “Het verandert hoe je naar de wereld kijkt. En misschien nog wel meer… hoe je naar jezelf kijkt.” Dan kijk ik naar Freerk, en hij naar mij . “Dus ja,” zeggen we overtuigd. “absoluut.” 68... "Hoe heb jij de tocht beleefd, Maria?" Ow jeetje, een vraag voor mij… Pfoeh, hoe heb ik het beleefd? Dat is een enge. Het voelt alsof ik in één lange adem ben begonnen en pas nu, hier vlak voor Lourdes, langzaam begin te beseffen wat het allemaal met me heeft gedaan. Vanaf het moment dat de oncoloog zei hoe weinig tijd Freerk nog zou hebben, stond alles op scherp. Haast. Regelwerk. Werk uit mijn handen laten vallen, financieel alles op orde brengen, huisoppas regelen voor de dieren en planten. Geen tijd om na te denken, alleen maar dóen. En toen gingen we. In het begin draaide alles om Freerk. Logisch, dacht ik. Hij was de reden dat we überhaupt op pad waren gegaan. Dus ik hield hem in de gaten, regelde alles, zorgde dat het voor hem haalbaar bleef. En mezelf? Ach, die zette ik wel opzij. Dat ging vanzelf. Maar wat ik vergat, was dat mijn eigen lichaam ook grenzen had. Een paar jaar geleden kon ik zelf niet eens meer lopen en fietsen door medische problemen met mijn rug en been. Ik heb nog steeds een klapvoet, maar gelukkig bleek fietsen goed te gaan. Alleen… dat sjouwen van bagage, die constante belasting van mijn schouder, die toch al heftig beschadigd was door een auto-ongeluk, dat brak me op. Slapen werd moeilijker, de pijn werd erger, en toch bleef ik maar doorgaan. Totdat Freerk ziek werd. We waren op een plek waar alles naar boven gesjouwd moest worden, en dat was nét de druppel voor mijn arm. En toen? Toen ging Freerk onderuit. Het was alsof mijn lichaam het aanvoelde voordat mijn hoofd het doorhad: stop. We moesten blijven waar we waren, even niets, geen beweging, geen kilometers, geen haast. En dat was misschien wel het beste wat kon gebeuren. Want pas toen besefte ik: dit is ónze reis, niet alleen die van Freerk. Ik moet ook goed voor mezelf zorgen. Niet alleen voor hem. En dat vond ik moeilijk, hoor. Ik ben iemand die doorzet, die niet wil falen, niet opgeven, eerst de ander dan ik. Maar het moest. Want als ik omval, wie helpt hem dan? Vanaf dat moment veranderde er iets. Ik gaf mezelf toestemming om ook eens ‘nee’ te zeggen, om rust te nemen, om te voelen hoe ík me voelde. De balans kwam terug. We gingen weer samen op pad, in plaats van ik als ‘verzorger’ en hij als ‘patiënt’. Natuurlijk blijf ik hem in de gaten houden. Dat gaat automatisch, als een tweede natuur. Elke ochtend, bij het wakker worden, 'scan' ik hem even. Hoe ziet hij eruit? Hoe beweegt hij? Hoe klinkt zijn ademhaling? Onderweg ook, elk hoestje, grauwe blik, altijd even een schuin oog op hem. Merk ik verandering? Heeft hij meer moeite dan gisteren? Ik ben me daar niet eens meer bewust van, het is er gewoon. Niet uit angst, maar uit zorg. Toch merk ik dat ik rustiger word. Omdat ik zie dat hij niet zo snel achteruitgaat als de oncoloog deed vermoeden met zijn harde woorden: ‘Je kunt beter gisteren vertrekken.’ Die zin heeft me weken achtervolgd. Elke dag voelde als een race tegen de tijd, alsof we een tikkende klok achterna zaten. Maar nu, nu we hier zijn, zo dichtbij Lourdes, besef ik dat de tijd ons niet heeft ingehaald. Dat we nog steeds gaan, stap voor stap, kilometer voor kilometer. Hij is moe, ja. Hij heeft pijn, ja. Maar hij is er nog. We zijn hier nog. Samen. En dat is misschien wel het grootste cadeau van deze reis. Dus ja, deze reis was zwaar. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Maar het heeft me ook zoveel geleerd. Over grenzen verleggen, maar ook bewaken. Over hoe kwetsbaarheid geen zwakte is, maar juist een kracht. En eigenlijk… eigenlijk vind ik reizen op deze manier heerlijk. Het geeft me een gevoel van vrijheid dat ik thuis niet zo snel ervaar. Geen vast ritme, geen regeltjes, geen verplichtingen buiten die we zelf kiezen. Geen nieuwsberichten vol dreiging en ellende, geen druk om van alles bij te houden. Ik weet niet welke dag het is, laat staan welke datum. En weet je? Dat boeit me ook helemaal niet. Hier leven we gewoon. In het moment. De enige planning die telt, is de volgende etappe. De enige deadline is het invallen van de duisternis. De enige echte prioriteit is luisteren naar wat ons lijf en ons hoofd nodig hebben. Tuurlijk, thuis komt dat allemaal wel weer. Dan staat de agenda weer vol, zijn er afspraken, verplichtingen, dingen die ‘moeten’. Maar als het aan mij lag… Tja. Dan zou ik misschien wel gewoon blijven fietsen. Hoofdstuk 70: De Hemel is dichtbij, maar niet te dichtbij graag.. Vandaag had net als gisteren een mooie, vrije vakantiedag moeten worden. Een dag waarop we alvast een beetje konden vieren dat we Lourdes gehaald hebben. Nou, daar dacht het universum dus anders over. Mijn moeder zei altijd: "Nooit iets van tevoren vieren." En eerlijk? Ze had weer eens gelijk. Gisteren was fantastisch. De Gavarnie-watervallen, een plek die ik zo graag wilde zien. Alleen… er was één klein detail dat ik even over het hoofd had gezien. De watervallen waren er niet. Nou ja, ze waren er wel, maar bevroren. Keihard. Geen kletterend water, geen kolkende stroom, gewoon een muur van ijs. Bizar. Hoe hoger we kwamen, hoe meer sneeuw we zagen. Eerst voorzichtig op de daken van de af-en-toe-kluizenaars-huisjes die we passeerden. Toen op de weggetjes. En uiteindelijk, ja hoor, op de weg waar wij reden. Op weggetjes… langs een ravijn. Freerk zat er ontspannen bij, genoot van het uitzicht. Ik? Ik vond rijden op een spiegelgladde, smalle bergweg minder ontspannend. Maar goed, we zijn er gekomen. En het was indrukwekkend. Die toppen vol sneeuw, de duidelijke boomgrenzen, de zon die feller leek dan ooit. Natuurlijk, we waren ook wel heel dicht bij de hemel. En het was stil. Wie gaat er in de winter nou naar de bergen als je niet gaat skiën? Nou, wij. Wij die nog alles willen zien voordat Freerk écht nog hoger vertrekt. Wij die de toppen, de dalen, de zon, de regen en dus ook de sneeuw willen ervaren. Wij die dankbaar zijn dat dit nog kan. Dat hij nog zo goed is dat we dit nog kunnen doen. En dan… vandaag. Vandaag een ander deel van onze ontdekkingsreis. Eerst naar een prachtig meer, een ‘lac’. Een schitterend dal, omgeven door bergen. Je kon ze aanraken, zo dichtbij. Wat voel je je dan klein en nietig. En ook hier: volle zon. Daarna op weg naar een waterval die wel zou lopen. Maar eerst even een uur omhoog over een nog smaller, nog enger weggetje dan gisteren. Mijn mantra: ogen dicht, adem in, adem uit. Haarspeldbocht in, haarspeldbocht uit. Ogen open? Nee, toch maar niet. Nog erger. Mini hekjes. Mini muurtjes. "Als we hier met de bus overheen kieperen, dan rollen we gewoon verder naar beneden," zegt Mara droog. Ja, bedankt voor dat geruststellende beeld. En toen waren die minidingetjes ook verdwenen... gewoon ravijn... verder niks... En toen stonden we stil. Nou ja, ik dacht: Gelukkig! We zijn er! Maar… nee. 1 oog open. Huh? Midden op de weg? Bij de rand? WTF? Kees zucht diep. "Ik kan niet meer sturen." Pardon? Wat bedoel je, je kan niet meer sturen... Klep open. Hij vist er een zwart, totaal verfrommeld en verbogen ding uit. Zelfs ík, die niks van techniek snap, zie dat dat niet goed is. Okee… en nu? "Ja," zegt Kees. "Hij doet ‘t niet meer." Joh, echt? Dat had ik inmiddels ook door. Plotseling is mijn misselijkheid verdwenen en sta ik vol in de stressstand. Kees blijft de rust zelve. Ik niet. Geen bereik. Geen hulp. Wij… staan hier. Op een smal weggetje. In een haarspeldbocht. Boven een ravijn. Goed. Als je niks doet, gebeurt er ook niks. Dus ik gooi mezelf letterlijk voor de eerste de beste auto die voorbij komt. De Fransen keken een beetje verbaasd, maar eerlijk… ik had lak aan beleefdheden. Eindstand: Freerk en ik in een auto richting het dorp, waar we wél bereik hadden. Na héél wat telefoontjes, een taxi van goudprijs-niveau en een garagebezoek waar ze mijn bussie op een operatietafel hebben gelegd…zijn we terug in ons huisje. Morgen de opnames? Jazeker. Hoe? Geen idee… En wij? Wij wachten op een pizza. Want soms is er maar één oplossing voor een rampdag. 71...De ochtend voor de laatste etappe en het universum lacht ons uit Ik zit op de bank en staar voor me uit. Morgen is het helemaal klaar. Klaar. Voorbij. Gefinisht. Nou ja, bijna. Want onze bezemwagen heeft besloten om zichzelf strategisch buiten werking te stellen, precies nu. Gevolg? We kunnen niet meer naar ons laatste stopplekje gebracht worden. Dus wat zou een normale, verstandige beslissing zijn? Juist. Een kortere etappe. Wat doen wij? We fietsen gewoon de hele etappe heen én terug. Want waarom makkelijk doen als het ook moeilijk kan? Kees en Mara zijn nu nog even boodschappen doen. Op de fiets. Laat alsjeblieft niks gebeuren met die fiets. Zucht. Doemdenken? Misschien. Maar laten we eerlijk zijn, na alles wat we al meegemaakt hebben, zou het me niks verbazen als er nu een meteoriet op de fiets valt. Ik probeer het los te laten. Ik faal. Mijn hoofd bonkt, mijn buik protesteert. Is het stress? De spanning van de laatste etappe? Of is het gewoon mijn lijf dat zegt: "Maria, je bent twee maanden onderweg, misschien moet je even gaan liggen." Paracetamol is gewillig. En dan… de weer-app. De hele week stond er 20 graden en zon voorspeld. Vandaag? Regen. ( al schijnt de zon nog en loopt iedereen in korte broek) Whatttt??? Het universum heeft duidelijk gevoel voor humor. Okee, we kunnen dit. We hebben erger gehad. Nu inpakken, diep ademhalen en gewoon op pad. En hopen dat het universum even een ander slachtoffer zoekt.  Hoofdstuk 72: Waar de aarde de hemel raakt... Zo. Het zit erop. Het is klaar .Het is af .We hebben het gedaan .Lourdes . Twee maanden. Tientallen etappes. Duizenden kilometers trappen op de pedalen. Talloze keren moe, soms stuk, vaak verwonderd en dankbaar. En nu staan we hier. Aan het einde van een weg die geen einde is, maar een begin van iets nieuws. De laatste dagen waren intens. Niet vanwege de kilometers, want inmiddels voelen we ons sterk, als fietsers. Het lijf kan het, de benen willen, zelfs Freerk is gegroeid onderweg. Niet per se fysiek, maar in kracht. In licht. De zwaarte zat hem in iets anders. De camera’s. De vragen. De spiegels. De interviews brachten alles terug naar het begin: de zorgen, de oncoloog die zei: "Je kunt beter gisteren vertrekken." De keuzes, de haast, de onzekerheid. Alles wat we onderweg tijdelijk hadden geparkeerd, kwam weer binnen. Klop, klop, daar ben ik weer. De toekomst. En toch… Er werd voor ons gezorgd. We werden ontvangen met warmte, met eerbied. Er werden deuren geopend waar we nooit van hadden durven dromen. Een bijzondere priester. Een zegen. Een gevoel van welkom, diep en echt. Niet omdat we gelovig zijn in de traditionele zin. Maar omdat we iets geloven wat verder gaat dan woorden. Verbinding. We zeiden het onderweg al vaak tegen elkaar: “Het voelt soms alsof de hemel even de aarde raakt.” En nu, alsof het universum knikt, lezen we precies die zin op de folder van het infocentrum van Lourdes die we kregen tijdens het afstempelen van ons pelgrimspaspoort. Hier raakt de hemel de aarde…. Moe zijn we. Afgedraaid, uitgedraaid. Maar ook: geraakt, gedragen, geliefd. Dankbaar. En nu… Nu even stilstaan. Niet op de trappers, maar in ons hoofd. Wat komt er na Lourdes? Misschien weten we dat nog niet. Maar wat we wél weten: deze reis, deze 2 maanden, zitten in ons lijf, ons hart, ons verhaal. Voor altijd.
25 februari 2025
Hoofdstuk 48 Reizen, rekenen en rusten Chateaudun naar Vendome met de bus... Na dagen van fietsen en onophoudelijke inspanning, kwamen er eindelijk twee dagen van relatieve rust. Een welkome onderbreking van de eindeloze kilometers, de wind die soms tegenwerkte en de vermoeidheid die steeds zwaarder op hun schouders drukte. Maar de rust begon met een afscheid. Mark moest terug naar huis. Het moment dat hij zijn tas inpakte en de sleutels van de aanhanger overdroeg, hing er een brok in ieders keel. Fred keek hem aan, zijn stem iets zachter dan normaal. "Het was geweldig dat je erbij was, Mark. Echt, zonder jou waren we niet zover gekomen." Mark lachte, maar zijn ogen verraadden de emotie. "Jullie hebben het zelf gedaan. Ik was alleen maar de man met de bus." Anna gaf hem een stevige knuffel. "Het gaat stil zijn zonder jouw verhalen en ideeën." Met een laatste zwaai stapte Mark in zijn bus. Fred en Anna kropen nog weer even in bed want het was nog donker buiten en de nieuwe bemanning van de bezemwagen liet nog even op zich wachten: Chris en Maartje, met de hond Djinx. Maar rond het middaguur waren ze er dan toch. Djinx blafte vrolijk en snuffelde nieuwsgierig rond. Anna was dolblij hem weer te zien. Ze laadden hun spullen over en stapten in de bus, op weg naar hun volgende overnachtingsplek. In Châteaudun bleek er geen slaapplek te vinden, dus werd er een alternatief geregeld. Een busrit verder kwamen ze aan bij een plek waar iedereen een eigen bed had, en, belangrijker nog, waar de hond welkom was. Onderweg reden ze langs een boulangerie. "Stop! Dit moeten we vieren!" riep Anna enthousiast. “Wat moeten we vieren”, bromt Chris "Dat we een nieuwe etappe beginnen. Dat we een bed hebben. Dat de zon schijnt. Genoeg redenen, toch?" Maartje en Anna stapten naar binnen en werden meteen omringd door de geur van versgebakken brood en zoetigheden. De vitrine glansde van de lekkernijen: fruitige taartjes, goudbruine muffins en iets wat eruitzag als een kruising tussen een donut en een croissant. "We nemen het gewoon allemaal mee, ik ben te moe en kan niks weerstaan" zei Anna Bij aankomst bij hun nieuwe slaapadres keek Anna bezorgd om zich heen. "Is dit het?" vroeg ze. "Een drukke straat, nergens een parkeerplek voor de bus en de aanhanger..." Fred haalde zijn schouders op. "We hebben gekkere plekken gehad, toch?" Net toen ze zich begonnen af te vragen hoe dit zou werken, zwaaide een hek open. Achter de grauwe gevel ontvouwde zich een idyllische binnenplaats met kleine Franse huisjes, bedekt met klimop en omringd door bloeiende bloemetjes die net hun kleuren lieten zien na de winter. De geur van lelietjes-van-dalen hing zwaar in de lucht. "Ooooh..." verzuchtte Anna. "Dit is fantastisch." Ze koppelden de aanhanger los en duwden deze voorzichtig naar binnen en installeerden hem op de binnenplaats. De zon scheen warm en met een kop thee en hun zojuist gekochte gebakjes aan een grote houten tafel, voelden ze zich voor het eerst in dagen echt even op adem komen. "Wat is dat?" vroeg Fred nieuwsgierig. Maartje dacht even na en glimlachte."Une ‘santnut’. Een beetje van croissant en een beetje donut, het beste van twee werelden." "Klinkt als onze reis," grinnikte Fred. Fred nam een hap van zijn santnut en sloot zijn ogen. "Hier kan ik wel aan wennen." Binnen bleken de kamers net zo bijzonder als de buitenkant. De muren waren beschilderd met kleurrijke taferelen, de meubels leken met zorg en creativiteit gemaakt. "Dit is echt een kunstwerk," mompelde Chris terwijl hij een muurschildering bewonderde. Fred had daar geen oog meer voor. Hij klom op bed, zuchtte diep en was binnen enkele seconden vertrokken in een diepe slaap. De rest van de groep begon langzaam uit te pakken en te reorganiseren. Anna inspecteerde de plastic kistjes uit Nederland en pikte de dropjes er uit. Chris liep met Djinx een inspectierondje door de binnentuin en Maartje zocht uit waar ze in het dorp wat konden eten. "Er is een dorpswinkel om de hoek en een pizzabusje op het plein," meldde ze. "Pizza," mijmerde Anna. "Dat klinkt als een uitstekend plan. En we hadden nog een echte pizza-tegoed van een volgster, ter compensatie van die mislukte panpizza." Toen de dampende pizza 's avonds voor hun neus stond, keken ze elkaar even aan. "Wauw," zei Fred, terwijl hij het eerste stuk pakte. "Dit is serieus de beste pizza in weken." Anna knikte, haar mond al vol. "Misschien wel ooit." Pas halverwege realiseerden ze zich dat ze een foto hadden moeten maken. "Oeps," lachte Anna. "Nou ja, het was gewoon te lekker..." En zo eindigde de dag in de rust van een klein Frans dorpje, waar de zorgen even wegspoelden met de thee, de heerlijke pizza, waar de geur van bloemen zich vermengde met de avondlucht en waar de nacht hen zachtjes omarmde. Zelfs Djinx, die zich nog maar net had aangepast aan de nieuwe reisgenoten, rolde zich tevreden op op zijn kleed en viel in slaap. De ochtend erna had een ontspannen ritme. Voor het eerst in lange tijd hoefde er niets direct te gebeuren. Geen gehaaste inpakroutines, geen modderige routes om te trotseren. Alles mocht. Niets moest. 's Morgens voor het ontbijt liet Anna aan Maartje rustig zien hoe de stomazorg bij Fred werkte. “Het went snel,” zei ze bemoedigend, terwijl Maartje met een nog ietwat slaperige blik toekeek. “En als je het eenmaal in de vingers hebt, ben ik officieel niet meer nodig.” Fred trok een wenkbrauw op. "Nou, nou, zonder jou ben ik net een slecht ingepakte kadootje, alles plakt, maar niks blijft zitten." Maartje grinnikte en knikte. “Komt helemaal goed. Geef me een dag of twee, en ik doe het met mijn ogen dicht.” Anna liet een opgeluchte zucht ontsnappen. Wat een luxe, iemand die een deel van de zorg op zich nam. Misschien zou ze eindelijk wat meer kunnen ontspannen. Gewoon even ‘Anna’ zijn in plaats van constante verzorger, planner en navigator. Na het ontbijt met fantastische legendes over het dorp van de gastvrouw kwamen de kaarten en routes weer op tafel. Overnachtingen werden besproken, kilometers berekend, hoogtemeters ingeschat. “Kijk,” zei Anna terwijl ze met haar vinger langs de route gleed, “hier pakken we de officiële Lourdesroute op.” Fred keek over haar schouder mee. “En daar zitten dus die leuke klimmetjes in?” “Precies.” Fred trok een bedenkelijk gezicht. “Je weet dat ik geen Tour de France-renner ben, hè?” “Nee, maar je bent wel een pelgrim. En pelgrims klimmen en zien af.” Hij rolde met zijn ogen en glimlachte. “Nou, vooruit dan maar.” Ze bespraken de dagen die voor hen lagen, maakten afspraken over rustmomenten en alternatieve routes als het te zwaar zou worden. Heel even kwam zelfs de eindbestemming ter sprake. Anna liet haar vinger boven Lourdes zweven en keek toen naar Fred. “We zijn er nog lang niet.” Hij knikte langzaam. “Nee. En dat is misschien maar goed ook.” Na een moment van stilte schoven ze de kaarten weer aan de kant. Het was te vroeg om al te veel vooruit te kijken. Eerst maar eens de volgende etappes doorstaan. Na een lunch in de tuin, wie had gedacht dat ze zo vroeg in het jaar al buiten zouden eten?, was het tijd voor rust. Anna verdween in haar schetsboek, terwijl Fred languit op het bed lag. De luxe van even niets hoeven. Toen de avond viel, pakten ze de bus naar een meertje in de buurt. Koken in de buitenlucht, samen eten, even weg uit het vaste ritme van fietsen en plannen. Fred keek naar het stille water en nam een hap van zijn eten. “Dit voelt bijna als vakantie.” Anna lachte. “Bijna. Als je de spierpijn en de medicatie even vergeet.” Maartje keek op van haar bord en grijnsde. “En de honderden kilometers die nog voor ons liggen.” Fred zuchtte dramatisch. “Dank je wel, dames. Mijn illusie is alweer weg.” Ze lachten, een moment van luchtigheid voordat de reis weer verder ging. Morgen zou de tocht hervat worden. Een, voor hun, eerste etappe van de officiële Lourdesroute. Anna keek naar Fred en voelde het besef indalen. Ze waren aan het laatste stuk bezig. Letterlijk en figuurlijk tot de laatste bocht. Maar nu nog even niet Hoofdstuk 49: Langs de Loire Van Orléans naar Chateau Chambord... . De dag begon veelbelovend. Ze hadden samen een geweldig plekje uitgezocht, een huisje beneden, ruim, comfortabel, en direct voor drie nachten geboekt. Eindelijk even rust, structuur en tijd om bij te komen. Maartje had inmiddels het stoma plakken onder de knie, en dat scheelde Anna weer een zorg. “Ik zeg: geslaagd met vlag en wimpel,” zei ze. Maartje lachte. “Ik weet niet of ik dit op mijn cv ga zetten, maar bedankt voor het vertrouwen.” Na een typisch Frans ontbijt, suiker, suiker en nog meer suiker, maar zelfs vandaag ook kaas, werden er wat broodjes gesmeerd voor onderweg. Daarna vertrokken ze met de bus richting Orléans. Daar werden Fred en Anna gedropt met de fiets. De oorspronkelijke route zou naar de Loire toelopen vanaf hun huisjes in de Villiers sur Loir, maar Anna had haar zinnen gezet op Orléans, de stad van Jeanne d’Arc. Dus dan eerst naar Orleans en dan langs de Loire naar het eindpunt van de oorspronkelijke route. De ochtend begon mysterieus met dikke mist, maar al snel won de zon het gevecht en verdreef de grijze nevel. Orléans was bijzonder, indrukwekkend zelfs, maar toch… was het toch een beetje teleurstelling? Anna haalde haar schouders op en zuchtte. “Ja, wat denk je te vinden als je niet eens weet wat je zoekt… Misschien herkenning? Of een bijzonder gesprek? Fred knikte bedachtzaam. “Misschien vind je het pas als je stopt met zoeken.” Anna glimlachte. “Of als je toevallig ergens tegenaan fietst.” Fred, die al de hele ochtend stilletjes voor haar zat op zijn stoeltje, was niet in zijn beste doen. Hij had een kort lontje, snauwde af en toe, en leek vermoeider dan normaal. Anna voelde het aan alles. “Ga je mee de kathedraal in?” vroeg ze uiteindelijk, al wist ze het antwoord al. Het was te vermoeiend. Fred schudde zijn hoofd. “Nee, ga jij maar. Ik blijf hier.” Anna besloot geen verdere vragen te stellen en stapte de kathedraal binnen. Binnen was het adembenemend. Overal gebrandschilderde ramen die het verhaal van Jeanne d’Arc vertelden. Aan de muren gebeeldhouwde scènes uit het leven van Jezus. Anna liep er langzaam langs, zich onderdompelend in de geschiedenis en symboliek. Buiten bleef haar blik hangen op een standbeeld van een soort vleermuis. “Hé, die ken ik ergens van…” mompelde ze in zichzelf. En toen viel het kwartje. De fontein met vleermuis in Bolsward! Was dit toeval? Of had iemand hier de inspiratie vandaan gehaald? Verderop stond het immense standbeeld van Jeanne d’Arc op haar paard, trots en onwankelbaar. “Dat is nog eens een powerwoman,” zei Anna. "En nog een tiener." Fred grijnsde. “Zou ze ook tegenwind hebben gehad langs de Loire?” Natuurlijk wilden ze ook een stempel van Orléans in hun pelgrimspaspoort. Maar waar? Normaal gesproken kon je die halen bij het bureau touristique, maar dit keer werden ze van kastje naar de muur gestuurd. “Dit begint een sport te worden,” zuchtte Anna toen ze voor de derde keer het verkeerde gebouw binnenliep. Uiteindelijk werden ze naar een politiebureau gestuurd, waar een agent met een serieuze blik hen aankeek. “Tampon?” herhaalde hij in gebroken Engels. Anna knikte enthousiast en hield haar pelgrimspaspoort omhoog. De agent fronste. “Moment.” Hij verdween in een kantoor en kwam terug met een collega. “No stamp.” Anna keek hem wanhopig aan. “Maar… Jeanne d’Arc… Orléans… pelgrims?” De agent schudde zijn hoofd. “No stamp here. You go to mairie… tomorrow.” “Nou, dat is een stomme optie,” mompelde Anna sarcastisch. Net toen ze het wilde opgeven, werd ze een trap opgestuurd door Fred. Daar zat een man die precies wist wat ze nodig had. “Mais oui, la tampon!” zei hij trots en trok een zorgvuldig opgeborgen stempel tevoorschijn. Maar voordat hij hem in hun paspoort drukte, moest Anna eerst naar zijn uitleg luisteren. Vastbesloten hield hij haar een klein college over de geschiedenis van de stempel, iets over wapenschilden, oude koningen en koninklijke goedkeuringen. Anna verstond de helft niet, maar knikte braaf. “Merci, merci,” zei ze uiteindelijk, en eindelijk kreeg ze haar felbegeerde stempel. Vanaf Orléans volgden ze de Loire. Een rivier vol kracht en snelheid. Het water kolkte, stroomde hard, leek overal tegelijk heen te willen. Het uitzicht was prachtig. De rit was zwaar. Volle wind tegen, zestig kilometer lang. Maar de zon was erbij, en dat maakte veel goed. En de gedachte aan het schattige huisje waar ze gezellig 3 dagen zouden blijven. Ruimte en lekker rustig buiten zitten in de zon die beloofd was. Daardoor gingen de laatste kilometers als een speer. Aan het einde van de route stond de bezemwagen alweer klaar. Via een omweg langs Château de Chambord, het sprookjeskasteel van de Loire, reden ze naar hun slaapadres. Vanuit de bus bewonderden ze de imposante torens en perfecte symmetrie. Chris grinnikte. "Als ik ooit een huis koop, wil ik dat het hierop lijkt." Maartje lachte. "Dat wordt dan een flinke verbouwing in Groningen." Toch trok het vooruitzicht van een bed steeds meer. Met een laatste blik op het kasteel zuchtte Anna: "Ik dacht dat ik hier langer wilde blijven, maar ik wil eigenlijk maar één ding... slapen." Fred knikte. "Ons huisje opzoeken?" "Ja," zuchtte ze. "Slapen." De vermoeidheid hing als een zware deken over hen heen toen ze eindelijk aankwamen bij hun slaapplek. Anna had zich al helemaal ingesteld op een rustige avond, even neerploffen, niets meer hoeven. Maar toen ze de eerste blik op het huisje wierp, voelde het alsof de grond onder haar voeten wegzakte. De foto's hadden gelogen. Dit was niet het knusse onderkomen dat ze voor ogen had gehad. In plaats van een idyllisch huisje midden in de natuur, stond er een klein appartementje, pal aan de straat. Een gammel trappetje leidde naar de ingang, zo smal en wankel dat ze zich afvroeg of het hun bagage überhaupt zou kunnen dragen. En het ergste van alles? De spullen moesten ook nog van honderden meters verder worden gesleept. Anna voelde een brok in haar keel opkomen. Dit kon ze er écht niet meer bij hebben. De kou zat nog in haar botten, haar benen trilden van de lange tocht, en nu moest ze zich ook nog alles uitzoeken, uitladen en slepen met haar zere armen. Iedereen was aangeslagen. Anna probeerde te slikken, probeerde haar tranen weg te knipperen. "Het is gewoon... het is gewoon te veel." Haar stem brak halverwege. Chris en Maartje stonden ook even verbouwereerd naar het onverwachte onderkomen te kijken. Maartje was de eerste die zich herpakte. "Oké. We gaan dit fixen. Hoe dan ook." Chris knikte en haalde diep adem. "Eerst alles uitladen, dan gaan we koken en ziet alles er heel anders uit. Kom op, we doen het samen." Anna wilde iets zeggen, maar haar stem deed het even niet meer. In plaats daarvan knikte ze zwijgend. Ze haatte het dat ze zo overspoeld werd door emoties, maar op dit moment voelde alles als een gevecht. Fred, die zelf nauwelijks op zijn benen kon staan, keek naar haar met een blik die alles zei. "We komen hier ook wel weer doorheen," fluisterde hij. Anna kneep haar ogen even dicht en haalde diep adem. Ja, ook hier kwamen ze doorheen. Er waren andere dingen aan de hand die veel erger waren. Maar op dit moment stond het huilen haar nader dan het lachen. Een half uur later vulde de lucht zich met de geur van gebakken groenten en warme kruiden. Chris en Maartje hadden in no-time een heerlijke curry op tafel gezet, en daarmee niet alleen hun honger gestild, maar ook de muffe geur van het huisje verdreven. Anna sloot haar ogen en inhaleerde diep. "Dit ruikt in elk geval een stuk beter." Fred knikte instemmend terwijl hij een hap nam. "En smaakt ook zo." Langzaam zakte de spanning van de dag weg. Met een goed bord eten en een paar slokken thee werd de teleurstelling iets zachter, de moeheid iets lichter. De avond eindigde misschien niet groots, maar wel met een beetje warmte en een volle maag. Hoofdstuk 50: Prachtig... Van Tour-en-Sologne naar Montrichard-Val-de-Cher . De nacht had weinig rust gebracht. Fred draaide, hoestte en klaagde over pijn in zijn bovenrug. Anna lag naast hem, wakker, haar schouders stijf van de vermoeidheid en haar hoofd vol gedachten. Het smalle bed hielp niet mee. Maar zoals altijd, zag de wereld er bij daglicht anders uit. De emoties van gisteren hadden zich weer teruggetrokken in hun hok, en zelfs het stomme huisje voelde al iets minder vijandig. De kittige verzorgster had zich inmiddels vol enthousiasme op haar taak gestort. “Even wat vrolijkheid erin!” riep Maartje, terwijl ze een vrolijk liedje zong en Freds stomaplakken voorzag van een laagje ‘cement’. Anna keek eventjes toe. Voor het eerst sinds lange tijd hoefde ze dit niet zelf te doen. Met een kleine zucht van verlichting verdween ze naar de badkamer om een miniwasje te doen met de bodywash... alles is geoorloofd in de vakantie. Tijdens het ontbijt werd het plan van de dag besproken. Anna scande Fred met een scherpe blik. “Gaat het fietsen lukken vandaag?” Fred haalde diep adem en knikte. “Laten we het proberen.” En zo vertrokken ze rond elf uur, vanuit het gekke huisje naar hun volgende bestemming. Op de kaart leek de route saai, maar dat bleek een grote misvatting. De kilometers vlogen onder hun wielen door, terwijl ze langs bossen, kastelen en uitgestrekte druivenvelden fietsten. Niet altijd mooie fietspaden maar dat mocht de pret niet drukken. De wereld zag er hier weer heel anders uit. Elke bocht gaf een verrassing. In het dorpje Cheverny was ineens Kuifje overal. Tintin et Milou, oftewel Kuifje en Bobbie, stonden op muren, in etalages en zelfs op verkeersborden. “Dit voelt een beetje alsof we in een stripboek fietsen,” grinnikte Fred. Anna wees naar een bord met een afbeelding van het beroemde Château de Cheverny. “Wist je dat dit het kasteel is waarop kasteel Molensloot uit de Kuifje-verhalen is gebaseerd?” Fred trok een wenkbrauw op. “Dus eigenlijk zijn wij nu in een Kuifje-avontuur beland?” “Ja,” lachte Anna. “Alleen zonder misdaad en achtervolgingen. Al voelt fietsen met jou soms als een spannende race.” Verderop ging het landschap over in velden vol druivenplanten, kilometers lang. Plotseling ging Anna plotseling vol in de remmen. Fred werd bijna uit zijn stoel gelanceerd. “Wat doe je?!” Anna wees met een triomfantelijke blik naar een oude, verweerde wijnrank die langs de kant van de weg lag. “Een schat!” Fred keek van de tak naar Anna en terug. “Jij en je rare verzamelwoede…” “Toekomstige kunst,” mompelde Anna terwijl ze de wijnrank voorzichtig achterop de fiets bond. Onderweg, terwijl de kilometers onder hen doorgleden, kwamen ze terug op een vraag die ze onlangs van een interviewer hadden gekregen: “Wat halen jullie eigenlijk uit al die bezoekjes aan kerken? Geeft het geloof jullie steun?” Fred haalde zijn schouders op. “Het is niet per se het geloof, toch?” Anna dacht even na. “Nee… maar wat is het dan wel?” Ze mijmerde terwijl haar blik langs de horizon gleed. “Misschien… omdat het meestal open is? Een plek waar je gewoon even kunt stoppen, zonder iets te moeten. Een rustpunt in je route? Voor veel pelgrims draait het bezoek aan een kerk dus niet alleen om geloof, maar om een combinatie van cultuur, rust, symboliek en de spirituele dimensie van de reis.” Fred knikte. “Ja, even de buitenwereld buitensluiten. Tot jezelf komen.” Anna keek hem aan. “De muren van zo’n kerk ademen iets uit… iets van een veilige haven.” Fred grijnsde. “Dus eigenlijk zijn we een soort religieuze toeristen zonder vaste overtuiging?” Anna lachte. “Nee, eerder pelgrims van de stilte.” Het grootste deel van de route was prachtig geweest, maar de laatste kilometers waren zoals vaak, de zwaarste. Smalle paadjes, hobbels, blubber en regen… en uiteindelijk zelfs lopen en duwen. “Echt,” pufte Fred, “ik dacht dat we dat blubberhoofdstuk al gehad hadden.” Maar uiteindelijk zagen ze hem daar staan: de bezemwagen. Chris en Maartje wachtten hen op, klaar om fiets en berijders weer veilig terug te brengen naar hun onderkomen. “Jullie hebben de finish weer gehaald,” zei Chris met een grijns, terwijl hij de fiets in de bus tilde. Anna leunde even tegen de bus en sloot haar ogen. Ze had bijna ‘thuis’ willen zeggen, maar nee… dat verdiende het gekke huisje nog niet. Hoofdstuk 51: Vrije Dag en Op Weg naar La Brenne, het bijzondere natuurgebied… De ochtend begon met een opgelucht gevoel. Eindelijk weg uit het rare huisje. Het had iets vreemds, iets zwaars. Niemand kon precies zeggen wat, maar het was voelbaar in de korte lontjes, de overprikkeling, de kleine irritaties die normaal niet zo snel boven kwamen drijven. Anna trok haar fietsthermokleding aan en keek naar Fred, die net zijn jas dichtritste. “Voelt toch goed hè, dit hoofdstuk afsluiten?” Fred knikte en wreef over zijn gezicht. “Moe.” Het plan was om rustig aan te doen. Fred bleef inleveren. Alles kostte hem zichtbaar meer moeite. Ze wilden kortere etappes doen, maar het lukte maar niet om overnachtingen te vinden dat dichtbij genoeg lagen. Elke keer als ze het zeiden, eindigden ze met nog meer kilometers dan gepland. Vandaag weer 60 kilometer erbij. De winterse tegenwind was iets waar ze vooraf al rekening mee hadden gehouden, maar de realiteit was zwaarder dan verwacht. Het monotone gezoem in de oren, het constante gevecht tegen de kracht die hen leek terug te duwen… Anna werd er knettergek van. Ze probeerde van alles: een hoofdband, een muts, de rand van haar pet strak over haar oren, zelfs haar speciaal aangemeten oordopjes. Maar het leek of de wind overal tussendoor sloop, net genoeg om haar horendol te maken. “Ik zou nu geld geven voor een volumeknop op de wind,” zuchtte ze terwijl ze met haar hand over haar oor wreef. Fred keek haar schuin aan en grijnsde. “Als je die vindt, zet hem dan ook op ‘warme bries’ en ‘licht duwtje in de rug’.” Anna lachte. “Ja, en dan ook een optie voor ‘altijd zon, nooit regen’.” Ondanks de zware wind was het wél zonnig. Een groot contrast met de dag ervoor, toen het de hele dag had geplensd. Ze hadden bewust een pauzedag ingelast en dat was maar goed ook geweest. Maar nu, met de zon erbij, zag alles er vrolijker uit. Fred kneep zijn ogen samen tegen het felle licht. “Wat een verschil maakt dit hè?” Anna knikte. “Ja, het voelt net alsof de wereld vandaag wél zin heeft in ons.” Fred glimlachte flauw. “Ja, maar vraag me af hoe lang dat duurt.” Ze stopten bij een kleine kerk aan de route. Anna stapte af en keek naar het openstaande portaal. “Ga je even kijken?” vroeg Fred. Ze knikte. “Even de wind uit. Even… stilte.” Fred bleef buiten, lekker achterovergeleund in zijn stoeltje en keek hoe Anna naar binnen liep. De wind viel direct weg toen ze de drempel overstapte. De muren van de kerk ademde rust, een stilte die ze buiten nergens kon vinden. Even alleen zijn met haar gedachten, de buitenwereld buitensluiten, even opladen. Toen ze terugkwam, zat Fred haar vragend aan te kijken. “En? Nu gevonden wat je zocht?” Anna haalde diep adem en glimlachte. “Ja. sort of... En het was geen windknop.” Ze stapte weer op de fiets en trapten verder. Ondanks de winterse kou was er iets in de lucht. Meer vogels dan eerst, luidruchtiger, onrustiger. Alsof ze voelden dat de natuur zich langzaam klaarmaakte voor de overgang naar een nieuw seizoen. Fred keek opzij en wees naar een groep kraaien in een veld. “Volgens mij beginnen ze het voorjaar al te ruiken.” Anna knikte. “Wij ook. En weet je wat? Ik vind het heerlijk. Kijk eens daar, hier bloeien de narcissen al!” En zo fietsten ze weer verder, met de zon in hun gezicht en de wind in hun oren, op weg naar een nieuwe plek, hopelijk een betere dan de vorige. En zo fietsten ze recht tegen de wind in, met weggewaaide gedachten en weggestoven zorgen. Hun hoofden leeg, hun armen moe, hun benen trillend van de inspanning. Maar ze waren er. En wat een plek. Toen ze de oprijlaan op draaiden, stond een breed grijnzende Chris hen al op te wachten en rende een modderige Djinx hun vrolijk tegemoet. “Welkom in jullie privéparadijs!” riep Chris enthousiast. Anna keek om zich heen en viel stil. Dit was geen gewoon huisje. Dit was een pareltje, een plek die je per ongeluk tegenkomt en nooit meer vergeet. Een kasteel. Een landgoed. En daarachter… meren. Meer dan 1350 hectare natuur. Voor hen alleen. Geen andere gasten, geen verkeer, geen geluiden van de buitenwereld. Alleen het bos, het water, en de wilde dieren die hier heer en meester zijn. Edelherten, zwijntjes, reeën, dassen, vossen. Vogels, duizenden vogels. Zelfs nu, in de winter, klonk hun gezang door de takken. Fred keek om zich heen, leunend op de fiets. “Nou… we hadden het slechter kunnen treffen.” Chris liep hen tegemoet en pakte hun fietstassen over. “Alles is al ingericht,” zei hij trots. “En Djinx en ik hebben het bos al even verkent.” “Jij hebt je plek al gevonden, hè?” grinnikte Anna terwijl ze de rondspringende Djinx over zijn kop aaide. Maartje was ondertussen al volledig in ontspanningsmodus. “Waar is Maartje?” vroeg Anna. Chris lachte. “Die is in bad gekropen en komt er voorlopig niet meer uit.” Anna grijnsde. “En als ze eruit komt, dan stop ik haar direct onder een elektrisch dekentje. Dan hoeven we haar niet meer te zoeken.” Fred besloot dat hij hetzelfde recht had op rust en verdween direct in bed. Zijn lijf had het verdiend. Hij had zich kranig gehouden vandaag, ondanks de pijn. Anna daarentegen had nog energie over en rommelde wat in het huisje. Hier en daar spullen op hun plek zetten, zich langzaam thuis voelen. Samen met Chris ging Anna nog even met de warmtekijker op stap, terwijl Djinx ondertussen zijn ‘eigen terrein’ ontdekte. Hij had een compleet bos voor zichzelf en rende van geur naar geur, kwispelend en snuffelend, in zijn element. En na het spotten van 2 herten ging Anna terug om met het eten te beginnen. Na het eten en het snoepen van de ‘snoep-carousel’, een draaiplankje waar ze hun snoepbuit op hadden gelegd voor openbaar gebruik, stortte iedereen in… En zo kwam het hele zootje tot rust. Een nacht zonder zorgen, zonder geluiden van een drukke wereld. Alleen het bos, het water, en de belofte van een nieuwe dag. Hoofdstuk 52: Magische vrije dag De dagen weven herinneringen tot een bijzonder kleed, en vandaag werd daar weer een nieuwe, onverwachte draad aan toegevoegd. Ze zaten op een uitgestrekt natuurterrein, bij een echt château, met torens, geheime ruimtes, poortjes en bijgebouwen met schattige rode luikjes. Een plek die rechtstreeks uit een sprookje leek te komen. Omdat ze besloten hadden nog een extra dag te blijven, gingen Anna en Chris op zoek naar de mevrouw die dit alles regelde. Ze klopten op de grote, statige voordeur, maar er kwam geen antwoord. "Misschien moeten we aanbellen?" suggereerde Anna. Chris keek omhoog naar de toren naast hen en grijnsde. "Of gewoon ‘Sesam open u' proberen." Ze besloten om het gebouw heen te lopen, ondertussen hun ogen uitkijkend. Achter elke hoek leek een nieuw verborgen stukje geschiedenis schuil te gaan. Toen zagen ze een andere deur, met een gigantische bel. Chris klopte maar Anna kon zich niet bedwingen en gaf er een flinke ruk aan de bel, en binnen klonk een diepe galm door de stenen muren. Even bleef het stil. Toen een stem: "Entrez!" Ze stapten naar binnen… en deden een sprong terug in de tijd. Alles ademde verleden tijd. De ronde wanden waren bedekt met opgezette dierenkoppen, een eland, een buffel, edelherten, alsof ze een jachthuis van een eeuwenoude Franse edelman binnenliepen. Op de open bovenverdieping zat een kleine, slanke vrouw met een wilde bos grijs haar, verdiept in een wirwar van papieren. Toen ze hen zag, stond ze op en kwam enthousiast naar beneden. "Bonjour! Jullie willen nog een nacht blijven?" Chris knikte en liet ook de nachtkijkerbeelden zien van de herten en dieren die hij gisteravond had vastgelegd. De vrouw was opgetogen. "Prachtig! Wat een bijzondere beelden!" “Het is ook zo ontzettend mooi hier” zei Anna. Ze wenkte hen en liep voor hen uit naar een ander deel van het kasteel.. Achter die deur bevonden zich ruimtes die niet van deze tijd waren... Kamers vol geschiedenis. Grote afgevallen geweien lagen op een bankje langs de muur, als stille getuigen van de natuur die dit landgoed omringde. Anna kreeg zelfs een gewei kado van deze mevrouw die ze spontaan een dikke knuffel gaf. Zich achteraf afvragend of dat wel kon bij een kasteelvrouwe… Anna’s ogen werden groot toen ze de volgende ruimte werd binnengeleid. Ze stonden in kasteelkamers van honderden jaren oud. Overal oude tapijten, zware kandelaars met echte kaarsen, een gigantische houten tafel die ooit gevuld moet zijn geweest met edelen en jagers. "Dit kan toch niet echt zijn…" fluisterde Anna. Chris tikte tegen een van de houten stoelen. "Ik denk dat het behoorlijk echt is." Met elke stap naar een andere kamer, viel hun mond verder open. Olifantenslagtanden, honderden jaren oud, uit ivoor gesneden kunstwerken die vandaag de dag onmogelijk zouden zijn. Nog meer opgezette dieren, waaronder een purperreiger, Anna’s lievelingsvogel. Wandtapijten, oude schilderijen, mysterieuze decoraties van papier en dun doek die de eeuwenoude stenen muren bedekten. Anna kon het niet geloven. Dit voelde niet als een museum, maar alsof ze per ongeluk in een tijdscapsule waren gestapt. "Ik verwacht serieus dat er elk moment een ridder binnenkomt," mompelde ze. Chris grijnsde. "Of een spook." Langzaam liepen ze weer terug, nog steeds overdonderd. Aan de lange tafel vonden ze de vrouw van het château terug, druk bezig met het schrijven van de nota. Niet op een laptop, niet met een telefoon. Gewoon met de hand, op een simpel notitieblok. Ondertussen werd de tafel gedekt voor de lunch. Een jongere vrouw liep heen en weer met borden en karaffen wijn. Aan de andere kant van de tafel nam een oude man plaats, de Seigneur du Château zelf. Chris fluisterde. "De lord of the castle." Anna knikte. "Wat een bijzonder stel." Helaas moesten ze na het betalen weer naar buiten en stapten ze terug door de deur… terug naar deze eeuw. Overdonderd. Verwonderd. En dankbaar dat ze dit hadden mogen zien. De rest van de dag verliep op een heerlijk ontspannen tempo. Tekenmateriaal werd verspreid over de tafel, thee en koffiekopjes stonden dampend in de zon, en zo nu en dan werd er even gestopt om simpelweg te genieten van de rust en het uitzicht. Tussen het schetsen door werden er telefoontjes gepleegd, plannen gesmeed voor de route van morgen, en natuurlijk moest het landgoed verder ontdekt worden. Anna zat net met haar schetsboek in de zon toen haar telefoon trilde. "Mag ik je bellen? Ik heb nieuws," zei de de whattsapp van de tunnelmevrouw van de gemeente. Anna’s hart sprong op. Dit klonk veelbelovend. "Natuurlijk, kom maar door!" schreef ze meteen. En daar ging de telefoon…”ik heb goed nieuws” zei de tunnelmevrouw direct opgetogen: "Het is goedgekeurd. De tunnelschildering mag er komen!" Voor een seconde bleef alles stil. Toen gilde Anna het uit van vreugde. Ze sprong op van de stoel en begon luidkeels te juichen. Heel het bos leek op te schrikken van haar kreet. Vogels vlogen op uit de bomen, Djinx keek haar verbaasd aan, en Chris en Maartje staken hun hoofden uit het raam. "Wat gebeurt hier?" vroeg Fred vanuit de deuropening. Anna draaide zich stralend om. "De muurschildering! Het is goedgekeurd! We mogen één kant van de tunnel beschilderen!" Chris gooide zijn armen in de lucht. "Yes! Wat een nieuws!" Anna maakte een vreugdedansje in het gras, nog vol ongeloof en blijdschap. De tunnel die nu nog zo kaal was, zou realiteit worden. Fred lachte. "Ik denk dat je net het halve bos hebt laten delen in je vreugde." Nog geen uur later klonk er opnieuw geroep, maar dit keer van Chris. "Anna! Naar buiten! NU!" Anna liet haar schetsboek vallen en rende naar de deur. Chris stond al buiten en gebaarde wild. "Edelherten! Ik leid ze jouw kant op. Ga naar de wissel!" Haar hart klopte in haar keel. Ze sprintte naar het open veld aan de rand van het bos, waar ze een smalle wissel zag, de route die dieren instinctief volgen. En daar kwamen ze. Een groep gigantische edelherten, zeker acht stuks, met imposante geweien, denderde het veld op. Anna verstijfde. Ze had haar telefoon in de hand om te filmen, maar haar adem stokte bij het zien van de kolossale dieren. Ze had nog nooit zoveel edelherten van zo dichtbij gezien. De grond trilde onder hun hoeven. Ze kwam bij zinnen en zocht snel dekking achter een boom, bang dat ze per ongeluk dwars door haar heen zouden rennen. Met een luid gekraak draaiden de herten plotseling af en verdwenen aan de andere kant van het bos. Anna bleef staan, hart bonkend in haar borstkas. Ze keek naar haar telefoon. "Oh nee…" Chris kwam aangesprint. "Heb je het erop staan?" Anna keek beteuterd naar haar scherm. "Half. Ik schrok te hard." Chris lachte en zei “jahoor, hebben we de kans op een gave film, zit jij weer in de paniekmodus”. Anna keek beteuterd naar het filmpje… “Nou ja, de herinnering zit in mijn hoofd. En dat is de mooiste opname die er is. Wat een magische dag. Hoofdstuk 53: Verborgen Schatten Route: van het kasteel naar 50 km verder... De avond ervoor was magisch geweest. Op stap met de warmtekijker, alsof ze een kijkje namen in een verborgen wereld. Alles wat normaal verscholen bleef in het donker, werd nu zichtbaar. Een dassenfamilie, een vos die voorzichtig rond sloop, en zelfs een paar nieuwsgierige herten die op een afstandje stonden te kijken. Chris richtte de kijker op het kasteel en liet Anna het beeld zien. Ze hield haar adem in. "Wauw… het lijkt net een spookslot." “Maak maar een foto, dan kan Fred het ook zien”... Met een grote glimlach op haar gezicht viel Anna die avond in slaap. De volgende ochtend begon minder magisch. Ze waren op tijd wakker, maar het opstaan was een ander verhaal. Na een rustdag voelde alles zwaarder. De spieren protesteerden, en het warme bed was veel te verleidelijk. Buiten was het fris, de vloeren steenkoud. Anna zette één voet op de tegel en trok hem er meteen weer vanaf. "Nope. Geen vloerverwarming hier." Fred kreunde en trok het dekbed verder over zich heen. Maar net toen ze zich opnieuw wilden omdraaien, ging de telefoon... "Mam! NU! Kom! 32 edelherten gevonden! Ga naar de wissel!" Fluisterde Chris opgewonden door de telefoon . Anna schoot overeind. "Wát? NU?!" Met een halve sprong stak ze haar voeten in haar schoenen, gooide haar jas over haar pyjama, binnenstebuiten, want dan valt dat felgroene niet op, en griste haar telefoon mee. Natuurlijk leeg. Typisch. Dus snel nog een powerbank uit haar tas. Met haar hart bonzend sprintte ze naar de wissel, vol verwachting… Maar toen ze daar aankwam, zag ze niets. "Ga maar terug…" hoorde ze Chris fluisteren via de telefoon. "Ze zijn de andere kant op." Anna bleef verslagen staan. "Pfff… 32! En ik heb ze net gemist." Ze keek naar Chris, die met een glimlach zijn telefoon omhooghield toen hij door het veld naar haar toe liep. "Maar ik heb wél een paar foto's, mam." Ze slaakte een diepe zucht. "Nou vooruit, laat maar zien dan. Ik ben in elk geval goed wakker nu" Na het ontbijt en het vaste "alles-weer-inpakken"-ritueel, zat er eindelijk beweging in de dag. Ze begonnen hun tocht langs het kasteel, waar ze nog even probeerden te praten met ‘Riep’, de landschapsbeheerder. Anna deed een poging: "Bonjour! You have a nice job here." De man snapte er niks van maar knikte vriendelijk en ratelde meteen in razendsnel Frans iets terug. Anna keek Fred aan. "Oké, hier houdt mijn vocabulaire op." Fred grijnsde. "Bon voyage dan maar?" Ze gaven elkaar een duim omhoog en reden lachend verder. Wat volgde, was een van de mooiste routes tot nu toe. Dwars door de Brenne, een natuurgebied dat zo onaangetast leek, dat het voelde alsof ze een tijdperk teruggingen. Anna was niet te stoppen. "Kijk dat water! Kijk die vogels! Wát een plek!" riep ze steeds. Fred lachte. "Jij bent net een kind in een snoepwinkel." Geen fietspaden, geen hekken, geen bordjes met regeltjes. In Nederland zou dit onmogelijk zijn. Daar zou overal een asfaltweggetje liggen, een informatiebord over 'beschermde flora en fauna', en natuurlijk een verbodsbord op z’n minst. Hier was het nog echt puur. Onontdekt. Anna keek om zich heen en zuchtte tevreden. "Ik hoop dat het zo blijft. Sommige dingen moeten gewoon geheim blijven." Vandaag hadden ze zelfs wind mee. Voor het eerst leek de natuur hen een duwtje in de rug te geven, letterlijk. Anna voelde de ontspanning in haar spieren, de fiets gleed soepeler over de weg. Ze keek naar Fred en glimlachte. "Kijk ons nou eens, gewoon wind mee! Dit is een cadeautje." Fred knikte, maar er kwam niet echt een antwoord terug. Ze deden het nog steeds, ze fietsten nog steeds, ze beleefden hun avontuur. Maar onder alles knaagde iets, een dreiging die niet meer weg te stoppen was. Fred had het zwaarder. Dat was de realiteit. Hij zei het niet hardop, maar Anna zag het. De stiltes werden langer, zijn bewegingen trager. De bezoekjes aan de kerkjes, waar hij haar eerder met een glimlach opwachtte bij de ingang, sloegen ze steeds vaker over. "Laten we maar doorgaan," zei hij dan. Ze wist wat dat betekende. Dat was niet omdat hij vooruit wilde, maar omdat stilstaan misschien nog zwaarder voelde. Anna keek naar voren, naar zijn zwarte muts die diep weggedoken zat in zijn warme jas. Hoe lang kon hij dit nog volhouden? En durfde zij het zelf onder ogen te zien? "Heb je ergens zin in?" vroeg Anna, terwijl ze haar best deed luchtig te klinken. Fred haalde zijn schouders op. "Maakt me niet uit." Daar, precies daar, voelde ze het prikken in haar borst. Dat was niet Fred. Niet de man die altijd met enthousiasme over eten kon praten, die kon genieten van een simpel kopje koffie of een stuk chocola. "Ik heb rugpijn," mompelde hij even later. Anna trapte zwijgend verder. Haar handen verkrampte op het stuur. Zorgen. Kan hij het nog volhouden? En wil hij dat zelf wel toegeven? De natuur om hen heen was prachtig. De lente fluisterde overal haar beloftes. Vogels zongen, velden kleurden langzaam groen, de zon speelde met de bomen. Maar boven hun tocht hing een wolk. Donker en dreigend. En Anna wist… hoe mooi de natuur ook was, sommige dingen kon je niet wegfietsen. Maar ook deze dag tikte de uren weg, gevuld met frisse lucht en een speelse speurtocht naar kleine schatten, stukjes historische tegeltjes, dennenappels, bijzondere stenen en grillig gevormde takken. Elk vondstje werd even bewonderd en kreeg een plekje in de steeds groeiende verzameling van herinneringen. Er werd een speciale ‘schatkist’ in het leven geroepen… Het avondeten was een zegen: gezellig aanschuiven zonder zelf te hoeven koken. Even niet nadenken over wat waar vandaan moest komen, gewoon genieten. Anna keek even naar zijn lege stoel en zuchtte. Morgen maar extra vetmesten, die man. En Fred… Fred lag dit keer in bed. Zijn lijf had besloten dat het genoeg was geweest voor vandaag. Hij miste de warmte van de maaltijd, het samenzijn, de kleine gesprekjes. Hoofdstuk 54: Een bijzondere nacht in een huisje met karakter Anna lag in bed en luisterde naar de geluiden van de nacht. Naast haar lag Fred, diep onder de dekens. Ze maakte zich zorgen. De lange, zware fietsdag en de lage temperatuur, ondanks de blauwe hemel, had zijn tol gevraagd. Buiten was het stil, op het zachte ruisen van de bomen na. Dit huisje had iets… iets eigens. Het was een plek met geschiedenis, dat voelde je aan alles. De dikke stenen muren, de houten balken die al generaties lang hun verhalen leken te fluisteren, en de kleine ramen die het licht speels naar binnen lieten vallen. Overdag gaf dat het huisje een nostalgische charme, een rustiek toevluchtsoord midden in de natuur. ’s Nachts werd die stilte bijna tastbaar, alsof de tijd hier even stil bleef staan. Maar het was een koude nacht. Fred trok de dekens nog wat dichter om zich heen, terwijl Anna haar hand op zijn arm legde. Langzaam voelde ze de warmte terugkeren in zijn lichaam. Boven kraakte de vloer zachtjes, alsof het huisje zelf in slaap viel. En dan die stoppen. Elke paar minuten een doffe klak, en weg was het licht. Chris, inmiddels de onofficiële elektricien van de groep, kwam alweer met grote stappen de trap af. Voor de zevende keer. "Serieus?" gromde hij. "Dit kán toch niet?" Met een vermoeide zucht sloeg hij de schakelkast open en haalde de hendel weer over. Een kort geflikker en jawel, de lampen sprongen weer aan. Hoe lang deze keer? Niemand wist het. Een berichtje naar de eigenaar? Maar wat konden die nog doen, midden in de nacht? Ze hadden al alles op alles gezet om te helpen, extra kleden op de koude vloer gelegd, de luiken zorgvuldig gesloten om de warmte binnen te houden, en zelfs meegekeken naar mogelijke oorzaken van de elektriciteit storing. Hun inzet was onmiskenbaar, maar sommige dingen waren nu eenmaal niet meteen op te lossen. Helemaal niet als het om specifieke zaken als ziekte gaat. Nog geen twaalf uur eerder… De dag had er veelbelovend uitgezien. Fred voelde zich niet geweldig, maar hij wilde toch fietsen. "Niet te ver," had hij gezegd. Dus had de bus hen een beetje gematst en verder op de route afgezet. “De routes moeten echt een beetje korter gemaakt worden. Zo is het te zwaar aan het worden. Fred heeft al zijn energie nodig.” zei Anna. De lucht was strakblauw, de zon scheen, maar de kou was verraderlijk. Twee jassen over elkaar, handschoenen aan. Zodra ze begonnen te trappen, voelden ze het: de klimmetjes waren pittig, maar hun benen waren sterker aan het worden. En de afdaling? Pure vrijheid. Soms snoeihard naar beneden, dan weer voorzichtig met knijpende remmen. De fiets luisterde perfect. Totdat ze plotseling overal oranje mannetjes zagen. Anna kneep in de remmen. "Wat is dit?" Fred keek op van zijn stuur. "Lijkt op een drijfjacht." Anna stapte af en liep op een man met een imposant geweer af. "Wat zijn jullie aan het doen?" En toen brak de chaos los. Getoeter. Schreeuwende stemmen. Blaffende, gillende honden. Aan de overkant van de weg stonden jagers klaar, geweren in de aanslag. De adrenaline schoot door Anna’s lijf. Toen besefte ze waar ze Fred had achtergelaten, midden op het pad, precies waar de wilde zwijnen zouden komen. "Fred!" riep ze, haar hart bonkend. Maar hij keek onverstoorbaar filmpjes op zijn telefoon, zittend op zijn troon voor op de fiets, alsof er geen jacht gaande was, alsof er niet op luttele meters afstand een roedel jachthonden voorbij stormde. Een paar tellen later klonken schoten. Getoeter. Gespannen gezichten. Maar… geen zwijnen. "Jammer," mompelde de jager naast haar. Anna kon een glimlach niet onderdrukken. "Lucky zwijntjes. Goed gedaan." Fred keek eindelijk op. "Zijn we klaar hier?" Anna schoot in de lach. "Ja, laten we gaan voordat ze ons per ongeluk omleggen in plaats van een zwijn." Terwijl ze verder fietsten, begon de vermoeidheid toe te slaan. Chris en Maartje, die alvast vooruit waren gegaan naar het overnachtingsadres, waren ook niet in topvorm. Chris’ lontje was al kort, en toen hij hoorde dat hij Fred en Anna óók nog moest ophalen, was officieel het lontje verdwenen. Het huisje waar ze die middag arriveerden, had een onmiskenbare charme. Het was een typisch Frans stenen huis, met dikke muren en lage balken. Overdag had het een knusse, nostalgische uitstraling, een plek waar de tijd stil leek te staan. Dit was zo’n huisje waarin al generaties mensen hadden gelogeerd, waar verhalen in de muren leken te zitten. Maar de winterse kou was genadeloos. De stenen muren, die in de zomer waarschijnlijk een zegen waren, hielden de warmte nu gevangen buiten de deur. De verwarmingen stonden aan en deden verwoede pogingen het huisje aangenaam te maken. Fred kon het niet warm krijgen en ondanks de dekens. "Misschien een warme douche?" opperde Maartje, die zelf niet fit was en ook in dekens gepakt zat. Chris trok zijn wenkbrauwen op. "In deze temperatuur? Ik denk niet dat de badkamer warm genoeg wordt nu." Ondanks de kille temperatuur had het huisje iets bijzonders. De sfeer, de rust, de omgeving. In een ander seizoen zou dit een perfecte plek zijn voor fietsers en wandelaars. De camping stond bekend om haar gastvrijheid en georganiseerde fietstochten, en het was duidelijk dat hier in de zomer een bruisende, levendige sfeer moest hangen. Nu echter, midden in de winter, hadden ze vooral warmte nodig en stroom, ook door de medische toestand van Fred. Fred trok zich terug onder een fort van dekens, terwijl Anna probeerde te koken. Haar hoofd was er niet helemaal bij, maar uiteindelijk zat iedereen toch met een warme maaltijd aan tafel. En gelukkig was er nog de ‘snoep-carrousel’, een goede ‘lekkeretrekstiller’ inmiddels gepromoveerd tot een heuse ‘snoep-mand’. Ondanks alles wisten ze er samen iets van te maken. De uitvallende stoppen werden onderdeel van het avondprogramma. "Aftellen dan maar," grijnsde Chris net voordat iemand naar de wc ging. Klik. Licht aan. 5, 4, 3, 2, 1… Klak. Donker. Even was het stil. Toen barstten ze in lachen uit. Met een grinnikend "welterusten" kropen ze onder de dekens, hopend dat de korte lontjes vannacht spontaan zouden aangroeien. Morgen werd er weer verhuisd. Maar deze plek? Die zou hen nog lang bijblijven. Hoofdstuk 55: Doe de dingen die je hart laat zingen… rustdag Soms is de weg helder, geplaveid met kilometers en een doel voor ogen. En soms… raak je hem even kwijt. Niet letterlijk. De route stond nog steeds op de kaart, de eindbestemming was bekend. Maar van binnen, diep in hun lijf, voelde het anders. Fred verloor elke dag een beetje energie. Anna voelde haar schouders vastzitten van spanning. Chris en Maartje deden hun best, maar ook zij voelden de vermoeidheid. Reizen op deze manier, door de winterkou, steeds in een ander bed, nieuwe energieën, steeds met nieuwe onzekerheden… het trok een wissel op iedereen. En toen kwamen ze hier. Gîtes de Les Lignons, verstopt in de bossen. Een plek die voelde alsof hij uit een ander leven kwam, een ander ritme. En hier woonde zij. Een vrouw met een verhaal. Niet een van groots en meeslepend, maar een van veerkracht. Van doorzetten, van vallen en opstaan, van opnieuw beginnen. Ze zag de moeheid in Anna’s ogen en glimlachte. "Doe de dingen die je hart laat zingen," zei ze. Anna keek haar aan en voelde iets verschuiven. Het was zo simpel, maar zo waar. Misschien ging deze reis niet alleen over Lourdes. Misschien ging het over bewegen, blijven gaan, hoe zwaar het soms ook was. Over niet blijven hangen in zorgen en pijn. En deze plek… Sommige plekken laten je los zodra je vertrekt. Andere draag je met je mee. Dit was er zo eentje. Niet omdat het perfect was. Integendeel. Het huis had een dak dat half was ingestort, herfstbladeren lagen al maanden op het erf, takken wachtten op een snoeischaar. Maar het was echt. De hond ging voor, wandelingen waren belangrijker dan stofzuigen. De gasten kregen voorrang boven klusjes. “Dat past hier wel,” zei Anna zacht, terwijl ze met haar hand langs de ruwe stenen muren gleed. “Het hoeft niet altijd perfect te zijn.” Fred knikte. “Soms is gewoon genoeg.” Ze zaten daar, onder de ‘lindaboom’, in het laatste middaglicht. Met een glas wijn, verhalen over spannende legendes van het bos, borrelende ideeën en een hart dat een klein beetje lichter voelde. Hoofdstuk 56: Bergie op, bergie af.. Na een warme nacht waarin zelfs op de dekens werd geslapen, wisten ze het zeker: de kou was eindelijk verdreven uit het huisje. Het kleine kacheltje knorde tevreden, volgegeten met houtblokken. Maar vandaag geen luieren meer. Het was weer een fietsdag. Chris en Maartje brachten Fred en Anna in de ochtend naar het beginpunt van vandaag. Naar het bos, waar dolmen te vinden waren. Oude graven, verhalen uit een tijd die al lang voorbij was. Ze liepen er even rond, bewonderden de ruwe stenen die de tand des tijds hadden doorstaan. “Bijzonder, hè?” zei Anna, terwijl ze haar hand over het koele oppervlak liet glijden. “Eeuwenoud. Net zo als ik me voel na al dat geklim.” Fred grijnsde. “Nou, dan is het tijd om de boel weer even los te trappen.” En zo gingen ze weer, uitgezwaaid door de achterblijvers. Bergie op, bergie af. Ze fietsten door dorpjes die verrassend goed onderhouden waren. Lichtgekleurde huizen, lieflijke straatjes, zonnige gevels. Het voelde anders. Warmer. De palmbomen in de tuinen werden steeds groter naarmate ze zuidelijker kwamen. Fred keek om zich heen. “Je ziet echt dat we verder Frankrijk in trekken. Het wordt lichter, warmer. Alsof de lente alvast een voorproefje geeft.” Anna knikte. “De kersenbomen bloeien hier al overdadig, de prunussen zijn fantastisch roze. En dan die uitzichten…” Want die waren er. Uitgestrekte vergezichten, glooiende heuvels die zich uitstrekten tot de horizon. De klimmetjes waren pittig, de afdalingen heerlijk. Elke keer als ze zich naar boven werkten, brandden hun spieren, herinnerden de lichamen hun aan de kilometers die ze al hadden afgelegd. Maar dan… het moment van loslaten, rondkijken. De weg kantelde onder hen, en zonder inspanning gleden ze naar beneden, de wind in hun gezicht, de snelheid die alles even deed vervagen. Geen zorgen, geen sombere gedachten, alleen het hier en nu. Het geluid van de weg onder de banden. Het zonlicht dat tussen de bomen doorscheen en danste op het asfalt. Even bestond er niets anders dan het ritme van de pedalen, de geur van Frankrijk, het gevoel van vrijheid. De tocht voelde goed vandaag. Elke meter bracht hen verder, elke bocht op de route liet hen beseffen hoe ver ze al waren gekomen. Vandaag was weer een stukje van de lange weg achter hen gelaten, 60 kilometer dichter bij hun doel. Toen ze ooit vertrokken, hadden ze nauwelijks verder gedacht dan Parijs. Parijs leek al een magisch eindpunt, een haast onhaalbare mijlpaal. Maar nu? Nu zaten ze al bijna bij Bordeaux. Elke dag weer een stukje. Geen reuzensprongen, geen gehaaste kilometers, maar gestaag, beetje bij beetje… Ze hadden niet alleen afstand overbrugd, maar ook tijd. Tijd die ze samen beleefden, die hen hielp om vooruit te gaan, om zich vast te houden aan de momenten die ertoe deden. Herinneringen maken. En nu… nu keken ze elkaar even aan met een, onderweg gekocht, Abdij Likeurtje in de hand en stukjes Franse kaas op een schoteltje, terwijl de zon langzaam zakte en de wereld in een gouden gloed hulde. Wie had ooit gedacht dat ze hier zouden komen? En toch… ze waren er. En morgen? Morgen gewoon weer verder. (Al mogen ze ‘s middags lekker weer terug om te slapen in het warme huisje bij de ‘Lindaboom’.) Hoofdstuk 57: Een dagje niks "Rustdag?" Anna keek twijfelend naar Fred, terwijl ze haar benen al buiten het bed had na een nacht met veel pijn in haar maag. "Ja, zomaar een dagje niks doen. Dat voelt gek." Fred draaide zich langzaam naar haar toe en trok een wenkbrauw op. "Jij en niks doen? Dat is pas een unicum." Anna zuchtte en trok haar benen weer in bed. "Mijn maag denkt daar blijkbaar anders over," gaf ze toe. "Ik kan wel eigenwijs zijn en gewoon vertrekken, maar ik weet ook hoe dat de vorige keer is gegaan. Geen toestanden zoals toen onderweg naar Santiago." "Nou, dan zijn we het eens," besloot Fred. "Bij twijfel niet inhalen, toch?" Ze lachte schamper. "Ja, ja, ik hoor mezelf al praten." En dus bleven ze. Een dagje niks doen. Maar hier blijven was absoluut geen straf. De zon scheen fel, de lucht voelde zacht, en de houtkachel binnen knorde tevreden om de laatste koude uit de muren te jagen. Djinx had zijn eigen avontuur gevonden. Samen met Aikie, de Franse hond, scheurde hij door de tuin, rolde door het gras en verzamelde alle speeltjes die hij maar kon vinden. "Nou, die is vanavond uitgeput," grinnikte Anna. Djinx kwispelde even, gaf Aikie een speelse duw en stoof weer verder. Rustdag? Voor hem duidelijk niet. Anna sleepte een stoel in het zonnetje en trok haar schetsboek op schoot. “Zo, ik ben even niet bereikbaar.” Chris en Maartje waren er zonder hond op uit getrokken, met het idee een kasteel te gaan bezoeken. Een paar uur later kwamen ze terug, zonder een glimp van de binnenkant van het kasteel te hebben gezien. "24 euro entree," riep Chris verontwaardigd. "Voor een kasteel!" "Nou ja," voegde Maartje er met een brede grijns aan toe, "we hebben het geld wel beter besteed." Ze legde een zak op tafel en rolde de inhoud eruit: een hele lading lege chocolade papiertjes en een doosje met macarons. Maar niet zomaar macarons. Mini-macarons, zo klein dat ze bijna niet te verdelen waren. "Dat is dus waar een lineaal van pas komt," zei Chris droog die bij de tekenspullen een geodriehoek zag liggen. Anna keek Maartje verbaasd aan. "Ga je serieus de macarons eerlijk verdelen met een geodriehoek?" Maartje knikte plechtig. "Uiteraard. Gelijke rechten voor iedereen." Ze lagen dubbel van het lachen, terwijl Maartje aan het meten sloeg… Maar ze waren heerlijk. “Wel goed vasthouden anders waaien ze weg,” zei Fred. Maartje had nog even een poging gedaan om in bikini te zonnebaden, maar na een half uur gaf ze zich toch maar gewonnen. "Okeee, 19 graden in de winter is bizar, maar niet bizar genoeg om begin maart al een kleurtje op te doen." Binnen lag Fred op bed. Zijn ogen gesloten, zijn ademhaling rustig. Hij had last van duizeligheid, voelde zich niet lekker. Anna keek naar hem, haar armen over elkaar geslagen. Ze wist niet goed wat ze moest doen. Dit waren de momenten waarop haar hoofd in overdrive ging. Zijn dit signalen van de ziekte? Of gewoon overbelasting van de afgelopen dagen? Gisteren leek het nog zo goed te gaan. Ze hadden gefietst, gelachen, genoten van de zon. En nu lag hij hier, uitgeput. Hoe kon het zo wisselend zijn? Ze zuchtte en wreef met haar handen over haar gezicht. Moest ze zich zorgen maken, of was dit gewoon een slechtere dag? Het frustreerde haar dat ze er niks aan kon veranderen. Ze kon hem verzorgen, naast hem zitten, hem een kopje thee geven, maar de ziekte hield zich niet aan hun planning, niet aan hun tempo, niet aan hun wilskracht. Anna legde een hand op zijn arm. "Wat wil je, maatje?" vroeg ze zacht. Fred opende langzaam zijn ogen. "Gewoon… even niks." Ze knikte. "Dat mag." Soms was dat alles wat ze kon doen. Er gewoon zijn. Toch genoot hij nog even van de zon toen ze samen lunchten in de tuin. Een kop soep, eindelijk weer iets in haar maag. Kleine dingen die een wereld van verschil maken. En toen? Met een boek bij de houtkachel. Wat een luxe. Anna keek uit het raam en glimlachte. Elke dag opnieuw besefte ze hoe bijzonder deze reis was. Het was minder koud dan ze verwacht hadden, zelfs warm. De regen viel mee, veel minder dan ze gevreesd had. "Volgende week schijnt er wat regen op komst te zijn," mompelde Chris terwijl hij de weer-app bekeek. Fred haalde zijn schouders op. "We zullen zien. Het loopt zoals het loopt." Maartje worstelde letterlijk met de worstjes, die maar niet gelijkmatig wilden bruinen in de pan. “Blijf nou eens liggen, jullie! En verkleur!” mopperde ze, terwijl er eentje eigenwijs uit de pan probeerde te rollen. Ondertussen was Chris met een koekenpan vol sissende aardappeltjes om haar heen aan het bewegen. Hij schepte ze met zwier om, waarbij er bijna eentje over de rand ontsnapte. “Alles onder controle,” zei hij zelfverzekerd. Anna keek grinnikend toe vanaf haar luie fauteuil. “Een geoliede machine, dit.” Chris gooide een zak sla in een kom en keek tevreden naar zijn creatie. “Nou, klaar toch?” Maartje rolde met haar ogen. “Echt michelin-kwaliteit, chef.” Maar uiteindelijk stond er een prima maaltijd op tafel. Warm en precies goed na een dag vol zon, rust en kleine geluksmomenten. Anna keek naar het vuur in de kachel, voelde de rust in haar lijf en de pijn zakte langzaam uit haar maag. Vandaag was gewoon een dag om te zijn. En dat was genoeg. Hoofdstuk 58: Afscheid van Linda en Aiki en brocante avonturen... ( ter compensatie van gisteren nu wat langer) Nu bijna bij Bordeaux! Het afscheid viel hen allemaal zwaarder dan verwacht. Niet alleen omdat ze verder moesten, maar omdat ze een stukje van hun hart achterlieten op deze bijzondere plek. Djinx leek het als eerste door te hebben. Terwijl Chris hem richting de bus leidde, bleef hij staan, zijn blik zoekend. Aiki, zijn nieuwe vriend, stond een paar meter verderop en keek nieuwsgierig toe. Toen Chris de deur opende, trok Djinx zich los en rende weg. Hij wilde niet in de bus. Ook niet toen Chris mopperde of hem een bevel gaf. Hij zocht Aiki, nog even een korte snuffel, een speelse duw tegen elkaars flank, een stil afscheid. Toen pakte Chris hem resoluut op en zette hem in de bus. Aiki rende om de bus om te zien waar zijn vriendje nou was gebleven. Maar de deur bleef dicht. Anna keek naar Linda, die haar hond even aaide. "Hij zoekt hem," zei ze zacht. "Ze hadden het naar hun zin samen." Fred knikte. "Tja, vriendschap kent geen taal." De motor van de bus sloeg aan. Aiki volgde nog een paar passen, bleef toen staan en keek hen na. Alsof hij nog niet helemaal begreep dat zijn speelkameraadje echt vertrok. Anna keek nog één keer om. "We komen ooit terug," zei ze half tegen zichzelf. De bus reed verder, de vertrouwde plek verdween uit zicht. Maar de herinnering bleef, en daar hadden ze geen foto voor nodig. Maartje snoof en schudde haar hoofd. "Ik vind het echt zielig voor die honden. Ze snappen er niks van.” "Ze wennen wel weer” zei Anna.”Maar ja, het is even lastig. Misschien vermenselijken we het wel te veel.” De sfeer was even bedrukt, maar na een paar kilometer klaarde het op. Ze waren op weg naar het startpunt van hun volgende etappe. De rit verliep rustig. Ze reden door het glooiende landschap, langs velden en kleine dorpjes die net leken te ontwaken. Bij het startpunt van de route haalde Chris de fiets uit de bus en hielp Fred om alles weer goed te bevestigen. Maartje gaf Anna een knipoog. "Korte broek nog steeds aan onder je thermolegging?" Anna grijnsde. "Je weet maar nooit. Misschien breekt de zon ineens door." Chris schudde zijn hoofd en sloeg de achterklep dicht. "Jullie zijn gek. Maar vooruit, ga maar. We zien jullie straks wel weer." En daar gingen ze. Ze konden zo de 'voie verte' opdraaien. De kilometers gleden onder hen door, de trappers draaiden soepel, en de oude spoorlijn leidde hen als vanzelf verder. “Wat denk je aan?” vroeg Anna, toen het al een tijdje stil was vanaf de voorstoel. Fred haalde diep adem en keek haar aan. “Dat dit alles is.” Anna keek verward. “Alles?” Fred knikte. “Dit. Dit moment. Dit gevoel. Dit is waarvoor we dit doen. Geen grootse dingen, geen grote einddoelen. Gewoon… hier zijn.” Anna schudde even verward haar hoofd. De reis was niet alleen maar een reis, het was een opeenstapeling van kleine momenten, groot in hun eenvoud. De geur van versgebakken brood, de zon die ondanks de bewolking af en toe een warme straal door de bomen stuurde, de stilte van een verlaten fietspad. Het leven op de fiets was simpel, teruggebracht tot de basis. En misschien was dat juist wat ze nodig hadden. De boulangerie waar ze stopten was een plaatje. Een kleine vitrine met precies genoeg lekkers om keuzestress te krijgen. De geur van gebakken boter, van warme deegwaren die net uit de oven kwamen. “Zal ik iets voor je uitzoeken?” vroeg Anna grijnzend. Fred keek haar hoofdschuddend aan. “Iets? In de zin van eentje?” Lachend stond ze even later buiten met een zak vol lekkers. “We hebben het verdiend,” zei Fred, met een goedkeurend knikje naar de gevulde zakjes. Even later zaten ze op een bankje, de benen bungelend boven een grasveldje. Geen haast. Geen moeten. Alleen proeven en genieten. Dankbaarheid. Niet alleen voor het eten, maar voor alles. Dat ze dit samen mochten doen. Dat Fred er nog was. Dat de weg zich steeds weer voor hen uitrolde, ongeacht hoe zwaar het soms was. Anna nam een hap van haar taartje en zuchtte tevreden. “Weet je, soms lijkt het alsof de wereld groter wordt naarmate we verder gaan. Alsof er steeds meer te ontdekken valt.” Fred keek naar de horizon. “Misschien omdat we beter leren kijken.” Ze knikten, terwijl de wind zachtjes om hen heen speelde. En toen, met hernieuwde energie, stapten ze weer op. Op weg naar wat de volgende kilometers hen zouden brengen. En ineens was ze er toch… de zon… in vol ornaat. Yes… de broek kon uit! Anna sloot haar ogen even en genoot van de zon op haar huid. “Heerlijk, blote benen! Het voelt eindelijk als lente,” zei ze terwijl ze haar thermolegging in de fietstas propte. De wind speelde door haar haren… en toen realiseerde ze zich iets. “Oh nee…” mompelde ze. Fred keek haar grijnzend aan. “Wat is er?” Anna zuchtte dramatisch. “Als mijn beenharen harder wapperen in de wind dan mijn hoofdhaar, wordt het tijd voor actie.” Fred barstte in lachen uit. “Tja, je bent natuurlijk een echte pelgrim. Dat hoort erbij. "Nou," zei Anna met een knipoog, "Ik ben gewoon echt één met de natuur." En al wapperend vervolgden ze hun weg. Een weg met ‘route barree-en’, omleidingen, uitstekende boomwortels en pittige klimmetjes maar vooral veel plezier en genieten. Bij een bord ‘Brocante’ kon Anna de verleiding niet weerstaan. “Oh, dit kan ik echt niet voorbij laten gaan!” riep ze enthousiast, terwijl ze Fred langs de weg parkeerde. Fred zuchtte en leunde achterover. “Ik zag deze al aankomen… Ik blijf hier wel wachten. Probeer jezelf een beetje in te houden, hè?” Anna wuifde zijn opmerking lachend weg en stapte de wereld van de brocante binnen. En toen… Haar ogen werden groot. “Wauw…” fluisterde ze. Dit had ze nog nooit gezien. Buiten stonden glazen, borden, kommen, schalen, bestek, tuindecoraties en ijzeren ornamenten uitgestald alsof het een kunstwerk op zichzelf was. En binnen? Binnen was een chaotisch paradijs. Vol, voller, volst. Tot de nok toe gevuld met geschiedenis. Stapels oude boeken, sierlijke klokken, vergeelde ansichtkaarten, zilveren kandelaars, tinnen soldaatjes, dinky toys, verweerde spiegels waarin talloze gezichten voor haar al hadden gekeken. Het rook naar stof, hout en een vleugje nostalgie. Ze stond even stil en liet het allemaal op zich inwerken. Dit was geen winkel, dit was een schatkist. “Geweldig,” fluisterde ze, met hoofdletters in haar hoofd. GEWELDIG. Buiten keek Fred op zijn horloge en glimlachte. “Ik geef haar tien minuten voordat ze helemaal verdwijnt in die tijdmachine daarbinnen.” Fred keek op van zijn telefoon toen hij voetstappen hoorde. “Wat? Nu al terug?” vroeg hij verbaasd. Hij had op minstens een half uur gerekend. Anna haalde haar schouders op en grijnsde. “Ja, en met lege handen nog wel!” Fred trok zijn wenkbrauwen op. “Moet ik me zorgen maken? Heb je koorts? Dit lijkt helemaal niet op jou.” Anna lachte. “Tja, het is dat we op de fiets zijn en dat ik jou niet te lang wilde laten wachten… Maar serieus, ik zou daar uren kunnen rondstruinen.” Fred schudde lachend zijn hoofd. “Dat vermoedde ik al.” Ze stapten weer op de fiets en ze keek nog één keer verlangend om naar de brocante. “Maar goed, ik bespaar je een logistiek drama. Voor nu.” Fred grijnsde. “Dat klinkt als een dreigement.” Anna knipoogde. “Wie weet. Misschien past er nog wel wat in onze aanhanger.” Fred trapte een tandje bij en wierp een snelle blik over zijn schouder. “Je weet maar nooit met jou… voor ik het weet, zit die aanhanger vol met oud Frans servies en gietijzeren tuinkabouters.” Anna lachte en riep hem na: “Zeg nooit nooit, Fred! We hebben nog een lange weg te gaan!” Maar de dag liep op zijn einde en de accu’s van de fiets begonnen op te raken. De wind voelde zwaarder, de benen vermoeider. Gelukkig waren Chris en Maartje al in de buurt, dus werd de fiets ingeladen en reden ze naar hun nieuwe onderkomen. Anna keek uit het raam en liet haar gedachten gaan. Hoe zou dit plekje zijn? Elk adres was een verrassing, soms een gouden vondst, soms… nou ja, een uitdaging. Fred rekte zich uit en gaapte. “Als er maar een fatsoenlijk bed staat, ben ik al tevreden.” Chris stuurde de bus behendig door smalle weggetjes. “Nou, we gaan het zo ontdekken.” De auto draaide een laatste bocht. Voor hen doemde hun verblijf voor de komende nachten op. Zou dit een plek zijn waar ze zich thuis zouden voelen?
8 februari 2025
Hoofdstuk 36: Demonen op de Bagagedrager Bergen naar Ferme de Gay. Frankrijk! De dag begon beroerd. Anna was vreselijk misselijk en had nauwelijks geslapen. Was het de roomserviceverrassing van gisteravond? Of gewoon de spanning, de emoties die langzaam onder haar huid kropen? Wie zal het zeggen. Feit was dat ze zich ellendig voelde. Fred zag het meteen. Hij hoefde niet eens te vragen. Anna floot niet, zong niet, en haar bewegingen waren traag, alsof elke stap haar meer moeite kostte dan ze wilde toegeven. "Gaat het?" vroeg hij zacht, terwijl hij haar onderzoekend aankeek. Anna stopte met haar schoenen strikken en liet haar handen in haar schoot vallen. Haar schouders waren gespannen, haar ademhaling oppervlakkig. Ze haalde diep adem, maar haar stem klonk klein. "Nee. Maar ja." En ineens brak ze. Het kwam als een golf, onstuitbaar, alles tegelijk. Alle spanning, vermoeidheid, de angst die ze steeds maar wegduwde. Tranen, zacht en stil, alsof ze zichzelf geen ruimte gunde om echt te huilen. Fred ging naast haar zitten en pakte haar handen. “Je hoeft niet stoer te doen, hè?” Anna lachte schamper door haar tranen heen. “Dat weet ik. Maar als ik stop met doorgaan, weet ik niet of ik weer op gang kom.” Fred kneep zacht in haar handen. “Daar zorg ik wel voor.” Even zaten ze zo. Twee mensen. Twee vermoeide zielen. Anna veegde haar gezicht af en haalde diep adem. Fred glimlachte. "Dat is mijn Anna." Met hulp van de thuisgebleven coaches en Fred, die vandaag zonder twijfel de Liefste Fietsmaat van het Jaar won, besloten ze toch te gaan fietsen. Het optuigen van de fiets was inmiddels routine. Tassen vastmaken, check. Aanhanger zekeren, check. Warme kleren, check. Maar nog geen kilometer verder merkte Anna het al. Het trapte zwaarder. Veel zwaarder. Ze stopte met fietsen en zei vertwijfeld. “Fred?” “Ja?” “Volgens mij hebben we vandaag extra bagage.” Fred keek vragend achterom. “Heb ik iets verkeerd ingepakt?” Anna schudde haar hoofd. “Nee, we hebben onzichtbare verstekelingen. Het zijn die rottige demonen uit het verleden weer.” Oude angsten, twijfels, herinneringen die ineens dachten: Hé, dit is een perfect moment om weer even gezellig aan te haken! Laat je vooral niet tegenhouden! Fred knikte begrijpend. “En Teddy? Doet die nog iets?” Teddy, de knuffelbeer die ooit was ingezet om de beren op de weg te verjagen, zat trouw voorop, maar de demonen trokken zich er niks van aan. Ze fietsten mee, zaten in gedachten, in bewegingen, in het gewicht van de trappers. Werkelijk overal. En dat hielden ze best lang vol. Tot het ze te koud werd waarschijnlijk. Eén voor één lieten ze los. Sommige verdwenen in de mist. Andere trilden los door de keienpaden waar ze overheen stuiterden. De fiets werd lichter. Anna voelde het meteen. “Zo, die zijn we kwijt. Tenminste het grootste deel” Fred glimlachte. “Nog een paar te gaan.” Anna zuchtte. “Ach, die zitten te vast. Misschien smelten ze later nog los.” Het eerste stuk van de route was prachtig. Fijne fietspaden, oude spoorlijnen die als kaarsrechte wegen door het landschap sneden. Het was kalm, het ritme van de fiets rustgevend. Totdat de weg ineens ophield. Midden in het bos. Anna stopte. “Euh... Fred?” Fred keek naar voren. “Ik mis iets.” Anna wees naar beneden. Een steile trap, de enige ‘doorgang’ naar beneden. Fred schudde langzaam zijn hoofd. “O ja joh? Dat ga ik dus niet doen.” Anna haalde haar schouders op. “Dan zit er maar één ding op. Terug.” En zo belandden ze in de dorpjes. Hobbelen over de keien, terug in de tijd. De wegen voelden alsof de Romeinen ze zelf nog hadden aangelegd, en het zou Anna niet verbaasd hebben als er opeens een groep legionairs voorbij was gemarcheerd. “Jezus,” kreunde Fred terwijl ze over de duizendste hobbel stuiterden. “Komen we hier ooit nog uit?” Anna lachte. “Zolang we niet per ongeluk een tijdpoort inrijden en ergens in het jaar 1325 eindigen, vind ik het allemaal best.” Ze lachten, en in dat moment was alle zwaarte van de ochtend vergeten. Het besef kwam niet door een grenspaal, niet door een bord met een vrolijk "Bienvenue en France" erop, en zelfs niet door een dikke streep op de weg. Nee, het was een Franse auto. Anna kneep haar ogen samen en tuurde naar het kenteken. “Wacht… zijn we in Frankrijk?” Fred keek op. “Eh… ja?” Anna draaide zich om. “Heb jij een grens gezien?” Fred grinnikte. “Nope. Geen bord, geen vlag, geen ‘La Marseillaise’ op de achtergrond. Gewoon... een naadloze overgang.” Anna snoof. “Nou, dat is toch een antiklimax Maar hé, drie landen op de teller, toch best stoer.” De rest van de route zou een makkie zijn… Met dat in gedachten trapten ze verder, de eerste kilometers op Franse bodem. En natuurlijk, zoals inmiddels traditie leek te worden, werd hun geplande korte route meteen onderbroken door een omleiding. En toen nog één. En toen nog één. Fred zuchtte en keek naar de zoveelste "Route Barrée" met een wanhoop die alleen maar groter werd. “Echt. Zijn we de enige fietsers die Frankrijk ooit heeft gehad?” Anna keek naar het hobbelige pad dat ze als ‘alternatief’ moesten nemen. “Misschien zijn we ook gewoon de enige idioten die dit wíllen doen.” De korte route werd, zoals altijd, een heroïsche onderneming. En onderweg kwamen ze langs een van de hoogtepunten van hun reis: hun allereerste Franse supermarkt. Anna zuchtte. Zoals altijd was het haar taak om de boodschappen te doen, terwijl Fred buiten op de fiets wachtte en ondertussen visitekaartjes uitdeelde aan nieuwsgierige voorbijgangers. Ze stapte de Franse supermarkt binnen en werd meteen verwelkomd door een oorverdovend "PIEP-PIEP-PIEP" vanuit de broodafdeling. Twee machines leken een eindeloos gesprek met elkaar te voeren, alsof ze protesteerden tegen het bestaan van croissants. Anna fronste. “Wat is dit?” mompelde ze, terwijl ze de weg probeerde te vinden tussen de schappen. Maar niemand leek zich eraan te storen. De rest van de bemande winkelwagentjes schoof stoïcijns voort, alsof het piepconcert deel was van het dagelijkse Franse winkelritueel. En toen… de geur. Halverwege de winkel werd ze overvallen door een aroma dat haar maag deed samenkrimpen. Een misselijkmakende walm, een mix tussen oude sokken, vergane glorie en iets wat ooit misschien een levend wezen was. Anna kneep haar neus dicht en wierp een snelle blik om zich heen. Waar lag hier een dood dier? Maar toen drong het besef tot haar door. Dit was gewoon… de kaasafdeling. Ze perste haar lippen op elkaar, trok haar sjaal iets hoger en probeerde de aanval op haar zintuigen te negeren. Eetlust? Weg. Ze griste lukraak wat dingen van de planken, een pak soep, water zonder chloor, iets wat vaag op groenten leek – en rende bijna naar de kassa. Buiten keek Fred haar vragend aan toen ze de tassen op de fiets laadde. “En? Wat heb je gehaald?” Anna haalde haar schouders op. “Geen idee. Maar ik weet wel dat ik voorlopig even géén kaas hoef.” Na stunt fietsen op, wat misschien hier wel snelwegen waren, bereikten ze hun overnachtingsadres terwijl de kou langzaam onder hun huid kroop. Het plekje was perfect. Afgelegen. Stil. Geen wifi. Alleen zij, een warme kamer, een keuken, een bed en een badkamer. Ze stortten neer. Niet van uitputting, maar van alles. Prikkels verwerken. De kou uit hun botten laten trekken. Even niets. Daarna koken. Een simpele maaltijd, maar precies goed. En dan... slapen. Morgen het Matisse Museum. Een vroege start. Hopelijk een kortere route. Maar ja, dat dachten ze vandaag ook. Hoofdstuk 37: To go to Matisse or not to go... Na een lange nacht in wat volgens Anna een geitenstal moest zijn geweest, maar dan wél een schitterend verbouwde, werden ze wakker. De houten balken, de ruwe stenen plafonds, de pilaren hadden absoluut charme, maar voor iemand met een overactieve fantasie als Anna, kon het niet anders dan dat hier ooit geiten hadden gewoond. Ze rekte zich uit en merkte dat ze zich beter voelde dan de dag ervoor. De demonen die zich gisterochtend nog stevig aan haar hadden vastgeklampt, leken nu buiten in de kou te zijn blijven staan. Misschien had de ijzige Franse wind ze bevroren. Fred had een stuk minder geluk. Zijn voet speelde weer op. Dat betekende voorzichtig zijn. Geen gekke sprongen, geen onmogelijke paadjes waar hij moest lopen… toch? Na een afscheid van gastvrouw Ida, waarbij de conversatie zich grotendeels beperkte tot handen, gezichten en een paar enthousiast uitgesproken “au revoirs”, gingen ze op weg. Ze konden haar niet verstaan en zij hen ook niet, maar in haar ogen lag genoeg warmte om te weten dat ze het goed meende. De route was kort vandaag. Dat was een opluchting, want na drie weken onderweg te zijn begon de vermoeidheid echt in te slaan. Helaas bleek kort niet gelijk te staan aan makkelijk. Bij de eerste bocht stonden ze stil. Voor hen lag een modderpad dat eruitzag alsof het speciaal ontworpen was om fietsers op te slokken. Anna keek ernaar en kneep haar ogen tot spleetjes. “Zeg me alsjeblieft dat dit niet ons pad is.” Fred haalde zijn schouders op. “Tja, als je Lourdes wil halen via de snelste weg…” Ze probeerden het toch, want tja, je weet maar nooit, toch? Misschien viel het mee? Het viel niet mee. De fiets ploegde als een tractor door de modder, Anna’s schoenen zaten binnen vijf minuten onder een laag bruine smurrie en Fred kreeg bijna een natte modderwolk in zijn gezicht toen ze een glad stuk raakten. Na een volgende beklimming en een bocht die er nog erger uitzag dan de vorige, besloten ze terug te keren. Draaien in de blubber bleek een kunst op zich. “Weet je,” mompelde Anna terwijl ze worstelde om de fiets te keren, “ik had altijd het idee dat wij met fietsen best wat konden. Maar dit is echt een nieuwe dimensie.” Fred keek nuchter toe hoe de modder inmiddels ook haar broekspijpen begon te versieren. “Tja, je wilde toch een avontuur?” Met een diepe zucht en klotsende schoenen kozen ze een andere route. Minder blubberig, maar niet per se beter. Na een tijdje kwamen ze bij een kruising waar ze moesten kiezen: idyllische fietspaden waar ze waarschijnlijk opnieuw vast zouden lopen, of de grote weg. Anna keek naar de autoweg, waar af en toe een vrachtwagen voorbij denderde. “Ik haat dit.” Fred knikte. “Ja, maar we hebben weinig keus.” Dus gingen ze. Over de doorgaande, hobbelige, Noord-Franse wegen, waar elke kuil voelde als een aanval op hun ruggengraat. Bij elke helling naar beneden hield Anna haar adem in. “Serieus,” riep ze na de zoveelste afdaling, “we gaan straks in een kuil verdwijnen en ze zullen alleen nog ons achterlicht zien knipperen!” Fred lachte, maar ook hij hield zijn hart vast. Hij moest volledig vertrouwen op Anna. Hier fietsen was geen grap. Uiteindelijk kwamen ze aan in Le Cateau-Cambrésis, het stadje waar het Matisse-museum stond. De planning: check-in, fiets parkeren, en direct naar het museum. De realiteit: check-in, bank zien, en allebei in slaap vallen. Twee uur later werd Anna wakker en keek ze verdwaasd om zich heen. “Oeps,” mompelde ze. Fred lag nog steeds in een diepe coma. Ergens moest het lichaam de afgelopen weken toch een keer gaan inhalen. “Morgen dan maar? Dan blijven we gewoon dagje langer,” fluisterde Anna tegen zichzelf. Ze besloten later op de middag in elk geval wél even boodschappen te doen. In de supermarkt viel haar oog op een klein LEGO-doosje. Zonnebloemen Ze hield het doosje omhoog en glimlachte. “Moet dit een teken zijn? Zonnebloemen van van Gogh.” Fred keek haar aan. “Hoe wil je dat in godsnaam meenemen op de fiets?” Anna haalde haar schouders op. “Daar verzin ik wel wat op.” Hij schudde lachend zijn hoofd. “Je bent onmogelijk.” Maar ze wist het zeker. Dit was niet zomaar een impulsieve koop. Zonnebloemen waren van haar moeder. De bloem waar ze van hield, de bloem die haar altijd aan haar deed denken. En nu, hier, in dit kleine stadje, op deze tocht die zóveel betekende, vond ze ze terug. In LEGO-vorm, ja, maar dat maakte het alleen maar symbolischer. Een beetje Van Gogh, een beetje moeder, een beetje kunst, een beetje pelgrimstocht. Ze wist dat ze het moest meenemen. De zonnebloemen kwamen mee en werden in elkaar geknutseld. En nu stonden ze op de tafel, felgeel en vrolijk, alsof ze de kamer een klein beetje warmer maakten. Fred keek naar de LEGO-zonnebloemen, toen naar haar. “Nou… ik moet toegeven, het fleurt het hier wel op.” Anna knikte. “Ja, hè? Ze horen erbij.” En zo eindigde de dag. Met modder, helse wegen, een gemiste museumbezoek, maar ook met zonnebloemen, rust en een klein beetje magie. Hoofdstuk 38: T-Day, Matisse Rustdag Voor het eerst in lange tijd werden ze wakker zonder meteen in de modus van vertrekken te schieten. Geen onrust over regenpakken, bepakking of hoe alles weer op de fiets geknupt moest worden. Vandaag was een rustdag. Nou ja, relatieve rust. Anna zag meteen dat Fred niet goed had geslapen. Pijn. Hij had tijd nodig om bij te komen. Maar toch... Daar lag hij, met een brede grijns op zijn gezicht. “Wat?” vroeg Anna nieuwsgierig. Fred schudde zijn hoofd en lachte. “Mijn broers. Echt, hoe verzinnen ze het? Even naar Noord-Frankrijk komen om samen uit eten te gaan? Ze zijn gek!” Ze hadden gisteren een telefoontje uit Groningen gekregen waar ze woensdag zouden zijn…. Of ze mee uit eten gingen… huh? Anna glimlachte. “Ja. Maar het is wel fantastisch.” Maar de zorgen doken ook meteen op. Stel dat het net een slechte dag is? Dat hij niets kan? Dat ze dan voor niks zouden komen? Fred zag het aan haar en gaf haar een zachte por. “Hey, niet doen. We nemen het zoals het komt. En als het niet lukt, dan hebben we ze toch gezien?” Na koffie en het langverwachte ontbijt met spek en eieren voelde Fred zich weer meer het mannetje. Tijd om op stap te gaan naar het Matisse-museum. Bij aankomst keken ze verbaasd naar een deur. Is dit de ingang? “Is t museum dan dicht?” vroeg Fred. Op dat moment hoorde ze een klik. De deur werd op afstand ontgrendeld. En 2 bewakers kwamen naar buiten “Ah,” zei Fred grijnzend. “Speciaal ontvangst”. En na de vraag of er een “chaisse roulland” was, kwam deze er al aan gerold en duwden ze hem gezamenlijk naar binnen. Eenmaal binnen werd hun tas omgekeerd, alle spullen gecontroleerd. “Streng hoor,” mompelde Anna terwijl de bewaker haar mueslireep wantrouwend bekeek. En dan… de kassa. Anna keek op de prijslijst. “Serieus? Samen acht euro?” Fred keek haar verbaasd aan. “In Nederland zou je daar nog niet eens een ansichtkaart voor krijgen.” Met een grijns betaalde Anna. “Nou, laten we dan maar maximaal absorberen.” Ze gingen op in de kunst. Zonder prikkels, zonder drukte, alleen kunst uit vervlogen tijden. Matisse. Maar ook Chagall, Hedin, Charmonetti. Anna zweefde van zaal naar zaal, verzonken in kleuren, lijnen en verhalen. Fred reed zelfstandig door de prachtige, drempelloze zalen, terwijl Anna zonder schuldgevoel volledig kon verdwijnen in haar eigen wereld. Niemand hoefde op elkaar te wachten, niemand moest ergens rekening mee houden. Pure kunstbeleving. Na een rustige koffie en een flesje water keek Fred ineens op de klok. “Half één!” riep hij uit. Anna keek hem vanuit een andere dimensie aan. “Oké?” “De winkel sluit om één uur! En we moeten nog water halen! Of je moet er voor kiezen om het chloorwater drinken.” Met spijt in hun hart verlieten ze het museum, maar met hun creatieve radars weer op volle toeren. Na een snelle stop voor water en een pizza trokken ze terug naar hun tijdelijke thuis. Anna zette haar tas neer en keek naar Fred. “Nou,” zei ze. “Eerlijk?” Fred leunde achterover en sloot zijn ogen. “Super.” De middag begon zoals zovele middagen op deze reis: met puzzelen. Welke route? Grote wegen of de Van Gogh-route met blubber als toetje? Hoeveel hoogteverschillen? Wat is haalbaar voor Fred? En bovenal: waar slapen we morgen? Het was niet zomaar een overnachting, het moest allemaal aansluiten op een goed hotel mét restaurant, voor de bijzondere verrassing die eraan zat te komen. “Dit voelt een beetje als een blokjesspelletje op de computer waarbij blokje onverwacht tevoorschijn komen en die je dan op een plekje moet laten vallen,” mompelde Anna terwijl ze met de routekaarten en hotelboekingen worstelde. Regelen, bellen, plannen, omleggen. En dat alles zonder de luxe van zomers fietsen, waarbij je rustig op een bankje in de zon kon zitten om even te pauzeren en na te denken. Maar nu? Nu was er alleen de regen. De kou. En het vooruitzicht van koffie drinken langs een blubberpad of een drukke weg. Niet echt aantrekkelijk. Maar uiteindelijk? Alles viel op z’n plek. Overnachtingen vastgelegd, route uitgestippeld. Nu… de pizza. Ze hadden een pizza-aanbod gekregen van een lieve volgerster. Maar ja, waar haal je hier een fatsoenlijke pizza? In dit deel van Frankrijk bestond het woord ‘pizzeria’ blijkbaar niet. Geen Domino's, geen Italiaanse bistro’s. Alleen een McDonald’s. Anna keek Fred aan. “Als we dat doen, moeten we het land verlaten.” Fred knikte plechtig. “Zonder eer.” Dus dan maar zelf een pizza uit de winkel. Ze hadden toch een oven? Toch? Ja die was er… Na een zoektocht naar de gebruiksaanwijzing, het googelen van Franse instructies, een vertalingsfiasco, en meerdere frustraties later... Hij deed het niet…. Fred keek naar de gigantische pizza die ze samen wilden delen. “En nu?” Anna keek naar de koekenpan. Stressniveau 10. “Dan maar in de pan.” Fred trok een wenkbrauw op. “Gourmetpizza?” Uiteindelijk? Een half aangebrande, half zachte pizza, maar hé, het was wél warm. Dit was niet een ‘pizzatikkie’ waardig. Sorry Gera. “Dit doen we nog eens,” zei Anna, terwijl ze een hap nam. “Maar dan goed.” Het toetje maakte veel goed… Na het pizza-avontuur was het wachten op T-Day, primetime tv. De uitzending van ‘Gezonken Meesters’, het tv-programma waar Anna had meegedaan aan een kunstwedstrijd om het gezonken werk van Gerard ter Borch weer tot leven te brengen. Niet zomaar… ze had de finale gehaald! In de zomer hadden ze de opnames al gemaakt, terwijl ze óók op fietstocht waren. Haar kunstwerk mee in de bus, achterin haar geïmproviseerde atelier. 3 maanden vol schilderen, onderdompelen in dec17de eeuw en... gekke filmteams. En nu kwam het moment. De uitzending begon. Spannend. En daar was ze. Fred grijnsde. “Kijk, beroemdheden op de fiets.” Gelukkig was het maar een klein stukje. Later nog een stukje met de stem van Fred. Tot ineens… BOEM. Vol in beeld. Anna, luisterend naar de jury. Mond half open. PING. Appjes van haar jongens. Mam… mond dicht… Serieus, mam, dit was je moment en je zat met je mond open. Anna sloeg haar hand voor haar gezicht. Fred proestte het uit. “Legendarisch.” Na de uitzending haalden ze opgelucht adem. Het zat erop. Geen tijd om te blijven hangen in de beroemdheid, er moest weer verder gefietst worden. Morgen was weer een nieuwe dag. Een dag dichter bij Lourdes. Hoofdstuk 39 Wakker worden in een natte wereld Van Le Cateau-Cambrésis naar St Quentin… Het tikken van de regen tegen de luiken die voor het raam hingen, had hen al in hun slaap bereikt. Nu, bij het ontwaken, was de wereld buiten niet veel veranderd: grijs, nat, en zwaar. De lucht hing laag, alsof hij op hun schouders drukte. Anna staarde uit het raam. Het water liep in dunne stroompjes langs het glas. "Wat denk je?" vroeg ze zacht. Fred rekte zich uit, voelde hoe zijn spieren protesteerden. "Redelijk geslapen," mompelde hij, zijn stem nog hees van de nacht. Hij voelde zich beter dan gisteren, maar de vermoeidheid zat diep. Anna zuchtte. Ze hadden een route in gedachten, maar in dit weer? Het pad zou weer modderig zijn, misschien zelfs onbegaanbaar. Ze twijfelde. "Misschien toch maar over de grote weg?" Fred knikte traag. De gedachte aan langsrazende auto’s trok hem niet aan, maar wat als het pad onbegaanbaar bleek? "Lastig," zei hij uiteindelijk. "Laten we het onderweg maar bekijken." Ze pakten hun spullen, lieten het appartement netjes achter, trokken hun regenkleding aan. Zodra de ritssluitingen dicht waren, voelden ze het al: het zweet op hun rug. En toen, zonder verder dralen, gingen ze op pad. De regen sloeg in hun gezichten, de wereld om hen heen vervaagde in een waas van water. Ze fietsen zwijgend verder, het ritme van hun trappers een contrast met de stilte van de dorpen die ze doorkruisen. De regen maakt alles nog somberder, alsof de wereld hier al lang opgegeven heeft om vrolijk te zijn. De huizen langs de weg ademen verwaarlozing. Niks in de tuinen, geen bloemen, geen bankje om op te zitten. In plaats daarvan grind, beton, en hekwerken die meer afschermen dan uitnodigen. Luiken dicht, beveiligingscamera’s aan de gevels, maar waarvoor? Wat valt hier te beveiligen? "Zouden ze hier geen geld aan uitgeven?" vraagt Anna hardop. "Of hebben ze het gewoon niet?" Fred haalt zijn schouders op. "Een pot verf kost niet zoveel. Een paar planten ook niet." Toch lijkt het alsof niemand die moeite neemt. Alsof er iets is dat hen tegenhoudt. De wegen zijn erbarmelijk, vol gaten en scheuren. Ongelooflijk slecht onderhouden. Net als de huizen, net als de sfeer. Ze rijden door en verbazen zich over de leien daken, de afbladderende gevels. Hoe groeien kinderen hier op? In een omgeving die gesloten, afwachtend en kil aanvoelt? "Waarom is het hier zo?" vraagt Anna. Fred kijkt om zich heen, zijn blik valt op een verweerd herdenkingsmonument. Ze hebben er vandaag al meerdere gezien. Oorlogsgraven, herinneringen aan een verleden dat hier nog tastbaar lijkt. "Misschien zit het in het verleden," zegt hij. Anna knikt langzaam. Een verleden dat niet zomaar verdwenen is, maar nog steeds doorwerkt in de straten, in de huizen, in de mensen. Om uit de depressieve mood te komen zocht Anna naar iets om zichzelf af te leiden. Anna wees naar een van de kale takken, waar een dikke, groene bol hing. "Die maretakken. Ze zitten echt overal hier. Waarom zie je die in Nederland bijna nooit?" Fred trok een wenkbrauw op. "Misschien omdat ze hier romantischer zijn ingesteld? Ze hangen alvast genoeg op, voor als iemand toevallig een kus wil stelen." Anna grinnikte. "Ja hoor, want dat gebeurt natuurlijk elke dag onder zo’n tak midden in de wildernis." Ze keek weer omhoog. "Maar serieus, hoe komen ze daar? Ze groeien niet zomaar in een boom, toch?" Fred dacht even na. "Volgens mij verspreiden vogels de zaden. Ze eten de bessen en... laten ze ergens achter." Anna trok een vies gezicht. "Dus je zegt eigenlijk dat maretakken dankzij vogelpoep ontstaan?" Fred knikte plechtig. "Precies. Romantiek in zijn puurste vorm." Anna schudde lachend haar hoofd. "Daar gaat mijn sprookjesbeeld van maretakken. En ik dacht nog wel dat het magische planten waren." Fred haalde zijn schouders op. "Ach, magie en vogelpoep liggen dichter bij elkaar dan je denkt." Ze fietsten verder, hun benen zwaar van de kilometers, maar met een iets lichtere stemming. Het fietsen zat erop voor vandaag, maar hun nieuwe onderkomen liet nog even op zich wachten. Een uur te vroeg. En wat doe je als je met vermoeide benen en een lading bagage nergens heen kunt? Nou… je wordt tijdelijk inwoner van een zorgcentrum. Fred keek om zich heen terwijl ze in de wachtruimte van het naastgelegen bejaardenhuis zaten. "Kijk ons nou," mompelde hij. "Alvast een proefronde voor later." Anna grijnsde. "Dan wil ik wel een kamer met uitzicht en onbeperkte taartjes bij de koffie." Gelukkig waren ze voorbereid. Tijdens de laatste stop bij de supermarkt hadden ze zichzelf getrakteerd op allerlei lekkers. En nu zaten ze hier, tussen de zacht zoemende rolstoelen en langzaam schuifelende bewoners, zichzelf vol te stoppen met chocola en Franse koffiekoeken "Misschien moeten we even vragen of we mogen meedoen met bingo," zei Fred terwijl hij een chocoladebladerdeegdingetje naar binnen werkte. Anna keek naar een groepje ouderen dat hen nieuwsgierig observeerde. "Ik denk dat we al gespot zijn. Straks krijgen we hier nog een kamer aangeboden." Een uur later kregen ze eindelijk de sleutel van hun verblijf. Een château. Niet zomaar een kamer, maar een écht kasteel, compleet met een Romeo & Julia-balkon. Fred keek naar de indrukwekkende gevel en floot zachtjes. "Nou, dat is eens wat anders dan een budgethotel langs de route. Alhoewel dit net zo duur is" Anna lachte terwijl ze begon aan de zoveelste bagagesessie. Ze sleepten alles naar boven, gelukkig was er een lift, bewonderden het uitzicht vanaf hun kamer en het leek alsof ze daadwerkelijk in een toneelstuk van Shakespeare waren beland, en besloten dat avondeten totaal overbodig was na al dat gesnaai in het zorgcentrum. "Misschien nog een tosti?" stelde Anna voor. Fred knikte en gooide zijn benen op bed. "Prima. Laten we vooral de koninklijke allure van dit château niet te serieus nemen." Met een tosti in de hand en een prachtig uitzicht op de omgeving, eindigde hun dag verrassend luxe, en toch heel eenvoudig. Hoofdstuk 40: Château tot Budgethotel Van St Quentin tot Noyon Ze werden wakker in hun château, of beter gezegd, een kasteel. Vol luxe, een heerlijk bed, en een sfeer die deed vermoeden dat er ooit adel door de gangen had gezweefd. Maar nu was het hun beurt om als koning en koningin van de fiets te ontwaken. Ontbijt, of mooi gezegd in het Frans Petit Déjeuner, bleek te zijn in het naastgelegen bejaardenhuis. Dat klonk charmant, maar de realiteit was iets minder sprookjesachtig. De eetzaal was leeg, de tafels al half afgeruimd, en wat nog restte waren de harde kontjes van stokbroden. "Ah, exclusief voor ons overgebleven," mompelde Fred terwijl hij een knoeperhard eindstukje inspecteerde. De rest van het ontbijt leek regelrecht uit een suikerfabriek te komen. Vruchtjes op zware siroop, chocoladebroodjes, appelkoeken vol suiker, jam in mini-potjes en zoete toetjes. Zelfs de koffie ontbrak. Anna trok een grimas. "Als je nog géén diabetes hebt, krijg je het hier wel." Fred haalde zijn schouders op en schepte drie toetjes op zijn bord. "Dan moet je gewoon strategisch kiezen." Anna speurde verder en vond tot haar opluchting nog een stukje kaas en een peer. Iets wat tenminste niet meteen haar bloedsuikerspiegel door het dak joeg. Na deze bijzondere culinaire ervaring begon het gebruikelijke ochtendritueel. Spullen inpakken, lift in en uit, Fred eerst naar beneden, de fiets optuigen, laatste controle, en hoppa… weer onderweg. Het was een sombere dag. Motregen, mist, een grauwheid die op de huid kroop. Terwijl in Nederland de eerste sneeuw viel, vrolijke foto’s van witte straten en vrolijke hondenfoto’s in witbesneeuwde bossen kwamen binnen, trapten Fred en Anna door een natte, donkere wereld. Maar ondanks het weer was het fijn om te fietsen. Fijn om onderweg te zijn. Onderweg met een missie. Ze reden langs het water, maar het pad was slecht. Hoge waterstanden zorgden ervoor dat het soms gewoon over het fietspad stroomde. Eenden en waterhoentjes fladderden verschrikt weg, en overal stonden reigers in de modder, onbewogen, als grijze wachters van het landschap. Fred keek naar de dreigende lucht. “Nou, de Ark van Noach had hier niet misstaan.” Anna giegelde en ging op zoek naar doedelzakmuziek voor het juiste fietstempo. Anna speurde zoals altijd langs de velden. En ineens zag ze iets. Een mozaïeksteen, half begraven in de modder. Ze stapte af, viste hem eruit. Even verderop lag er nog een. Zonder te twijfelen bond ze ze achterop de fiets. Fred keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Nu ben je echt een archeologische fietser geworden. Hoe wil je dat nou weer meenemen en wat heb je daar nou weer aan.” Anna grijnsde. “Ik heb geen idee maar ik moet het meenemen. Het kan Romeins zijn, Fred. Dit is vast historisch! En zo niet dan … nou, dan niet…” Fred knikte bedachtzaam. “Dan hoop ik dat het niet gewoon een stuk badkamertegel uit de jaren ‘80 is.” Anna rolde met haar ogen. “Laat me nou gewoon even genieten van mijn schatten.” Onderweg belde Radio 5 voor een interview. "Wat zijn jullie meest bijzondere ontmoetingen tot nu toe?" vroeg de presentator. Anna en Fred keken elkaar aan. Blanco. Er was zoveel gebeurd, zoveel mensen ontmoet, en toch… hun hoofden waren leeg. Anna grinnikte. "We zijn zó in het moment dat alles even verdwenen is." Fred knikte. “Of we hebben gewoon geheugenverlies door de kou.” Maar maakt niet uit, het was een fijn gesprek waardoor ze de laatste kilometers weer vrolijker wegfietsten. Toch werd het fietsen zwaarder. Fred voelde de tol van de medicatie en de ziekte, energie slonk sneller dan ooit. Maar toch, hij hield vol. “Je bent zo sterk als een beer,” zei Anna liefdevol. Fred haalde diep adem. "Misschien meer een teddybeer dan een grizzly, maar ik doe m’n best." Misschien misten ze toch de broodnodige vitamines van de groenten die ze thuis altijd aten. Hun gebruikelijke bergen groenten, die thuis standaard op het menu stonden. Minstens 500 gram per dag. Maar hier? Moeilijk. De waterkoker, waar ze soep mee opwarmden, had het begeven. Koken in hotelkamers was een uitdaging, en uit eten was geen optie. Fred at steeds minder. Door de medicatie smaakte alles vies, behalve toetjes. Anna keek vastberaden. “Zodra we een keuken hebben, ga ik je volstoppen met groenvoer.” Na extra kilometers, de zoveelste route barrée, kwamen ze eindelijk aan bij hun budgethotel. “Niet echt een château,” mompelde Fred. Anna haalde haar schouders op. "Als er een bed en een douche is, teken ik ervoor." Eerst een snelle hap om daarna als een blok in slaap te vallen… Tot ze om 19.00 uur plots wakker schrokken. Fred: “We moeten nog eten.” Anna keek naar hun voorraad. Brood met bietensalade. Ach, morgen gingen ze uit eten met ‘de broers’. Dit kon voor vandaag wel en met een blikje ‘agrumes’ was het zelfs lekker. Zo eindigde de dag in eenvoud, met een boterham en het vooruitzicht om na morgen weer een rustdag te hebben. Hoofdstuk 41: Zon!!. Van Noyon naar Compiègne De dag begon met muziek. "Smooth Operator" speelde in Anna’s hoofd terwijl ze zich uit bed wrong. "Nou," mompelde ze terwijl haar knieën kraakten en haar rug niet wilde buigen, "smooth ben ik echt niet. Alles piept en kraakt aan mij door al dat fietsen. Maar er is wel weer een liedje in mijn hoofd. Dat beloofd vast iets moois." Fred keek op van onder zijn deken. Hij zag er minder jofel uit. Zijn gezicht had een hoogrode kleur en hij rilde een beetje. Anna wierp hem een bezorgde blik toe. “Gaat het?” Fred haalde zijn schouders op. “Beetje koud.” Voor de zekerheid werd de temperatuur gemeten. Okee, geen koorts. Dus op naar het ontbijt. Op sokken slopen ze naar de ontbijtruimte, geen zin om die dikke boots weer aan te trekken. Altijd leuk om te zien hoe elk hotel en elk land weer een andere interpretatie van ‘ontbijt’ heeft. Anna’s ogen lichtten op bij de fruitafdeling: rode bessen, blauwe bessen, peren, sinaasappels, granaatappelpitjes, nootjes, allemaal netjes per soort verpakt. Een klein paradijs voor haar. Fred? Die dook enthousiast in het stevige werk: brood, ei, vleeswaren en uiteraard een croissantje. Hij grinnikte en wees naar een bordje bij de receptie. "Voor het verbranden van één croissant: 150 jumping jacks." Anna trok haar wenkbrauwen op. “Nou, dan laat maar.” Fred haalde zijn schouders op. “Ik hoef niet meer mee te doen aan die gekkigheid." Bij het optuigen van de fiets voelde Anna het direct: warmte. De zon scheen volop en uit de wind kon je gewoon zonder jas buiten zitten. Wat een verschil met de ijzige kou van gisteren. En toch… vertrouw je het niet meteen. “Zonder jas? Kan niet,” mompelde Anna terwijl ze toch haar dikke vest dichtritste. Fred knikte. “Te mooi om waar te zijn.” Maar toen ze eenmaal op de fiets zaten, merkte ze het echt. Dit was een andere dag. Met een supervrolijk humeur fietsten ze langs het water, door bossen en over oude paadjes. En bij elke afslag die ook maar een beetje blubberig leek, kozen ze een alternatief. “Leren we het eindelijk?” grapte Fred. Anna grinnikte. “Blubber en ik… we hebben een ingewikkelde relatie.” Ze fietsten door dorpjes, net als de voorgaande dagen, maar iets voelde anders. De huizen kregen meer kleur, de gevels waren beter onderhouden, en de tuinen werden zichtbaar gebruikt in plaats van alleen maar als opslagplek voor oude fietsen en stapels hout. Anna keek om zich heen en merkte het meteen op. "Hé Fred, zie je dat? Het voelt hier... netter, verzorgder." Fred knikte. "Meer bloembakken, minder beton." "Wegen ook beter," mompelde Anna terwijl ze over een verrassend glad fietspad rolde. Ze keek hem grijnzend aan. "Bijna jammer, ik begon net gewend te raken aan het offroad-stuiteren." Fred lachte. "Nooit gedacht dat ik hobbelstenen zou missen." Maar wat was het? Waarom voelde het hier anders? Was het omdat ze dichter bij Parijs kwamen? Waren de mensen hier anders? Had men hier meer geld of simpelweg meer liefde voor hun omgeving? Of misschien... was het gewoon omdat de zon scheen en alles er beter uitzag in het licht. Toch bleef de verandering opvallend echt. De huizen straalden meer zorg uit, de wegen waren in veel betere staat, en zelfs de fietspaden leken nu bedoeld voor fietsen in plaats van een testbaan voor wielervering. Anna haalde diep adem en keek om zich heen. "Dit voelt fijner." Fred knikte. "Het contrast is gigantisch. Maar hé, laten we ervan genieten. Voor je het weet zitten we weer op een weg die uit de middeleeuwen lijkt te komen." Opeens verscheen er een abdij aan de horizon. Wat een pracht. Vervallen, oud, maar zo vol geschiedenis. Wat is dat toch, die aantrekkingskracht van oude stenen? Misschien de verhalen die er in verweven zitten, het verleden dat nog tastbaar is, of gewoon de sfeer van een plek die zoveel heeft meegemaakt. Buiten op een bankje in de zon ontmoetten ze een vrouw die daar verbleef voor stilte en gebed. Ze raakten in gesprek en vertelden over hun tocht nadat de vrouw de caminoschelp aan in de fietstas had gezien. Ze glimlachte en zei dat ze voor Fred zou bidden tijdens de mis. Anna voelde haar keel dichtknijpen. “Dank je.” Soms zijn het de kleinste gebaren die het grootst voelen. In het bos was het zo zonnig en windstil dat ze besloten een koffiestop te houden op een bankje. Anna keek omhoog naar de bomen. Overal hingen grote trossen maretakken. "Waarom zijn er hier zoveel?" vroeg ze. "In Nederland zie je ze ook wel, vooral in Limburg, maar hier… echt duizenden!" Fred keek naar de groene bollen in de bomen. "Misschien is dit de hoofdstad van de maretakken?" Anna lachte. “Of een geheime kerstfabriek.” Ze tuurde verder omhoog. “Ze zeggen dat het geluk brengt, toch?” Fred grijnsde. “Dan hebben we nog een heleboel geluk op voorraad.” En toen ineens… daar was Compiègne. Ze hadden een relatief korte route vandaag en waren sneller aangekomen dan gedacht. Dus tijd om de stad in te gaan. Bij de kathedraal bleef Fred op de fiets. Hij voelde zich niet stabiel genoeg om mee naar binnen te gaan. Anna ging alleen en werd overweldigd door de pracht van de kerk. Foto’s maken, kijken, zich verwonderen. Haar creatieve brein draaide overuren. Bij de Bureau Touristique vroeg Anna netjes in het Engels om een stamp in haar credential. De man achter de balie stofte hem letterlijk af en plaatste met veel moeite een half-uitgedroogde stempel. Mompelend in het Frans :"Ja, wie komt er nou in de winter?" Ik kan niet veel Frans maar dat meneertje, kon ik nou toch verstaan… en ze zei “on fait à vélo en hiver.” En ze liep lachend naar buiten. Op een terras, in het zonnetje (!), genoten ze van een heerlijke lunch, cadeau van Mieke en Eelke. “Wat nemen we?” vroeg Anna. De ober noemde een paar opties. Anna en Fred hoorden vooral iets over “crocs”... nou dat zou wat moois worden.. doe maar. “Pour madame et pour monsieur? Avec frites…“ Uiteindelijk zat Anna aan de monsieur en Fred aan de madam te plukken terwijl ze genoten van dit onverwachte cadeau van de dag. De zon, het eten, het gevoel van voldoening. Dit waren de momenten. En toen werd het tijd om naar het hotel te gaan en met nog een omweg met nog een kerk gingen ze de laatste 3,5 km in één ruk naar het hotel. Vanavond zou broertjesdag zijn. Freds broers kwamen helemaal naar Frankrijk om hem te verrassen met een etentje. Fred kon het maar niet bevatten. "Wat een gekkies, echt!" Anna glimlachte. “Gekkigheid omdat ze om je geven. Nu hoppa, eerst in bed en energie verzamelen voor vanavond!” Het beloofde een bijzondere avond te worden. Hoofdstuk 42: Een Moment van Twijfel... Van Compiègne naar Clermont… De avond met de broers was bijzonder. Eén voor één kwamen Freds broers binnen druppelen , en al snel was het kluppie compleet. Er werd gelachen, gegeten, gepraat, geen grootse woorden, maar juist dát maakte het zo speciaal. Ze waren hier. Voor hem. Voor hen. Fred hield zich goed, ondanks zijn vermoeidheid. Maar toen ze later op de avond naar hun kamer gingen, viel hij als een blok in slaap. Op… Anna zag het al toen ze haar ogen opendeed. Rode vlekken in Freds nek. Ook de rest van zijn lijf zag er vlekkerig uit en hij lag stil, alsof zelfs bewegen te veel was. "Hoe voel je je?" vroeg Anna zacht, terwijl ze voorzichtig een hand op zijn voorhoofd legde. Fred opende één oog, keek haar even aan en bromde: "Alsof ik gisteravond door een wasstraat ben gehaald, maar dan zonder drogen. Koud, moe… en een beetje alsof ik niet helemaal hier ben." Anna trok haar wenkbrauwen op. "Dus half mens, half spook?" Fred sloot zijn ogen weer en mompelde: "Eerder een uitgewrongen dweil met een vage wifi-verbinding." Anna keek hem bezorgd aan en streek even over zijn hand. "Nou, je hebt er in ieder geval de looks bij," zei ze zacht, terwijl ze de rode vlekken in zijn nek bestudeerde. Ze hadden een rustdag gepland, gelukkig. Even niks. Even tijd om te voelen. Maar rusten was moeilijk voor Anna als je hoofd overuren maakte. Anna maakte een paar foto's van Freds uitslag en die stuurden ze door naar het UMCG en hun huisarts. Later op de morgen kregen ze een belletje terug: waarschijnlijk een allergische reactie, goed in de gaten houden en nog meer medicijnen. Gelukkig was 1 broer nog hier en kon Anna lekker met hun bus mee naar de Pharmacie. Anna was opgelucht. Even extra handen. Even iemand anders die kon helpen. Fred sliep bijna de hele dag. Af en toe at hij een paar happen, dronk wat water, maar verder was hij weggezakt in diepe rust. Misschien was dat precies wat hij nodig had. Anna zat naast hem op bed en keek naar zijn rustige gezicht. Kon het nog? Was het niet te veel? "Fred," begon ze voorzichtig. Hij opende zijn ogen en keek haar direct aan. "Je wil weten of ik wil stoppen, hè?" Anna knikte langzaam. "Ik weet dat je door wilt, maar kan het nog?" Fred dacht even na. Zijn stem was zacht, maar vastberaden. "Ik wil dit. Ik wil dit afmaken, hoe dan ook." Anna zuchtte en knikte. "Dan doen we dat." Fred pakte haar hand en kneep erin. "Samen gaat t lukken vandaag. Morgen zien we weer." En zo gingen ze toch weer op pad. Fred voorop met de kop in de wind, met factor 50 op zijn gezicht tegen de zon. De zon kroop langzaam omhoog, haar stralen voorzichtig spreidend over het bevroren landschap. Langzaam maar zeker begon de kou zich terug te trekken, alsof ze zich besefte dat haar tijd erop zat. Anna voelde hoe de warmte haar gezicht raakte en sloot even haar ogen. "Eindelijk, de zon wint," zei ze opgelucht. Fred, die lager bij de grond zat, gromde wat. "Misschien voor jou. Hier beneden vriest het nog altijd," mopperde hij, terwijl hij zijn handen dichter bij zijn buik hield om ze warm te houden. Anna keek naar hem en zag hoe de koude lucht nog steeds om hem heen leek te blijven hangen. "Dat is ook zo," zei ze, nadenkend. "Jij zit daar als een diepvriesmaaltijd op wielen. Misschien moet ik je een keer voorop zetten met een zonnepaneel om je te ontdooien." Maar voor nu moest hij het doen met dikke handschoenen de smileymuts en de hoop dat de zon haar werk snel zou doen. Onderweg waren er weer veel kerken te bekijken. De zon kreeg steeds meer kracht en haar stralen vielen door de gebrandschilderde ramen. Ze schilderde kleurrijke patronen op de stenen vloer. Anna bleef even staan, gevangen in het spel van licht en glas. Ze was altijd al gefascineerd geweest door glas-in-lood, maar vandaag leek het anders. Het raakte haar dieper, alsof het licht rechtstreeks door haar heen scheen. "Ik blijf er maar naar kijken," mompelde Anna in zichzelf. "Het voelt alsof het al eeuwen wacht om gezien te worden. Alsof het alleen zichtbaar wordt als je écht stil bent.” Anna stapte de kerk uit en liep naar Fred, die buiten op de fiets zat te wachten, had zijn jas wat hoger dichtgetrokken tegen de kou en keek haar nieuwsgierig aan. "En?" vroeg hij. "Was het de moeite waard?" Anna grijnsde en haalde haar telefoon tevoorschijn. "Moet je kijken," zei ze, terwijl ze hem de foto's en filmpjes liet zien. Fred leunde iets naar voren en keek aandachtig naar het scherm. De kleuren van het glas-in-lood dansten over de kerkvloer, het zonlicht zorgde voor een magisch schouwspel. "Wow," mompelde hij. "Dat is echt bijzonder." Hij keek even op en knipoogde. "Nou, blij dat je me toch kunt laten meegenieten.” Hij voelde zich nog te wankel om te lopen. Het werd ook een gedenkwaardige dag. Niet alleen door het licht, maar ook omdat ze afscheid namen van een trouwe reisgenoot: het aanhangertje. Vanmiddag zou Mark komen, hun eerste ‘hulptroeper’ met de bus en aanhanger. Jaren geleden was hij de eerste ‘meefietser’ geweest, fietste een etappe met hen mee toen ze dwars door Nederland gingen met de rolstoelfiets. Sindsdien had hij zelf meerdere camino’s gedaan, een echte pelgrim. En daar was hij dan… een steunpilaar op wielen. Iemand die zomaar een week van zijn tijd gaf om hen te helpen, zonder iets terug te verwachten. Onbetaalbaar. Geen engel met vleugels (even ter zijde: waar zitten de vleugels vast?) maar zeker eentje met een groot hart. Caminofamilie! Fred was bij aankomst in het huis direct naar bed gegaan. Opnieuw slapen, opnieuw opladen. Anna maakte eten van alle restjes en genoot van de eenvoud van de avond. Geen poespas, geen haast, gewoon samen zijn. Na het eten zaten ze rond de tafel, Anna verdiept in haar tekening, Mark die verhalen vertelde over zijn eigen avonturen, en Fred, stil maar aanwezig, leunend in het hoekje van de bank. Zijn ogen half gesloten, luisterend, glimlachend op de momenten dat de woorden hem bereikten. Het voelde als een kleine adempauze in hun reis. En morgen? Morgen ging de reis verder? Hoofdstuk 43: Een Vrolijk Randje Anna werd wakker met een lichte aarzeling, maar al snel brak er een glimlach door op haar gezicht. Fred zag er beter uit. Zijn gezicht was niet meer zo rood en opgezet als de dag ervoor. Een opluchting. Net toen ze zich weer wilde omdraaien, hoorde ze gerommel in het huisje. Huh? Ze fronste even en keek verbaasd op. Hoezo rumoer? En toen drong het tot haar door, Mark was er. Wat een fijn gevoel. Ze was vandaag niet alleen verantwoordelijk voor alles. Er was iemand die mee zou kijken, mee zou helpen, die kon inspringen als het even niet ging. Het gaf haar een geruststellend gevoel, een lichter hart. Helemaal in deze situatie. Toch zag ze aan Fred dat hij nog steeds niet zichzelf was. Hij bleef stiller dan normaal, zijn bewegingen trager. Liet hij de moed een beetje zakken? Hij merkte zelf ook dat zijn krachten weer verder afnamen. Was dat door de medicijnen? De allergische reactie? Of… gewoon een teken dat hij steeds verder achteruitging? Anna slikte die laatste gedachte weg. Zolang hij mentaal sterk bleef, maakte ze zich minder zorgen. Maar wat als hij dat niet meer kon? Wat als hij zich liet meeslepen in de vermoeidheid? Ze dwong zichzelf de dag met een vrolijk randje te beginnen. Er was koffie en thee, een simpel ontbijt en een hoop geklets. Maar uiteindelijk hing alles af van Fred. Zou hij vandaag willen fietsen? Hij dacht lang na. Keek naar buiten. Ging nog even terug in bed. Keek naar Anna en Mark. Wreef over zijn gezicht. En toen kwam het verlossende antwoord. “Laten we een klein stukje gaan doen.” Anna haalde opgelucht adem. Geen aanhangertje vandaag, gewoon een lichte rit. Dat bleek een gouden plan, want de heuvels waren vandaag verraderlijk hoog. Maar het naar beneden gaan? Pure vrijheid. Zoef. Zoef. Met volle vaart van de berg, de wind in hun gezichten. Soms misschien iets te hard, maar ach, dat hoorde erbij. Dit was waarom ze hier waren. Voor momenten als deze. Na een tijdje begon de route ineens lastig te worden. Vastgelopen. Weer. De fiets kreeg het zwaar en Fred moest uitstappen om mee te lopen. Een stap te ver, letterlijk en figuurlijk. Zijn gezicht vertrok even van de pijn, maar hij zei niets. Anna wist genoeg. Nog een klein stukje fietsen, maar dan was het klaar voor vandaag. De kou kroop inmiddels hun jassen binnen, de wind sneed genadeloos langs hun wangen. De kilometers voelden zwaarder dan normaal, en toch 33 kilometer op de teller. Ze waren dankbaar. Dankbaar dat ze dit mochten doen. Nooit eerder zouden ze overwogen hebben om in de winter te gaan fietsen. Maar nu? Nu zagen ze de wereld op een manier die anders verborgen was gebleven. Het was stil. Niet alleen stil qua fietsers, die waren er nauwelijks, maar een diepere stilte. De natuur hield haar adem in, wachtend op het startsein. En zij mochten dat observeren. Voorzichtige primula’s die zich net boven de grond waagden. Narcissen die hun groene kopjes uitstaken, aftastend of het veilig genoeg was om te bloeien. Velden die er leeg uitzagen, maar waarvan ze wisten: ondergronds broeit het al. Een voorzichtige belofte van nieuw leven. Anna keek naar Fred’s zwarte smileymutsje. Ze waren hier. Ze deden dit. Samen. Wat een onbeschrijflijk dankbaar gevoel. Aan het eind van de route doemde een supermarkt op, alsof het een finishlijn was. Eindelijk. Anna deed snel de boodschappen, al duurde het zoals altijd langer dan gepland, elke winkel is weer anders, en Anna zocht zich een ongeluk naar de juiste spullen. Ondertussen stuurde ze een berichtje naar Mark: "We zijn er klaar mee, kom ons maar redden." Niet veel later kwam hij aanrijden met het busje en de aanhanger, als een engel zonder vleugels, klaar om hen op te pikken. De fiets werd op de aanhanger geknupt, de tassen in het busje gegooid. En toen, al stuiterend over de hobbelige Franse wegen, reden ze terug naar hun huisje. Fred zat achterover geleund op de voorstoel, ogen halfdicht, Anna zat achterin met haar hoofd naar achteren gedraaid om de fiets in de gaten te houden want bij elk bobbel leek hij eraf te stuiteren ondanks de knooptechniek van Mark. Mark kletste vrolijk door over van alles en nog wat. Thuisgekomen was het tijd voor een warme maaltijd. Eten, rust, even niets. Anna scrolde ondertussen door de opties voor een nieuw onderkomen. Niet te ver, niet te duur, met parkeerruimte voor de bus en aanhanger en liefst beneden. Het was zoals altijd een puzzel, maar uiteindelijk lukte het. De avond viel. De dag was weer een stukje camino-geschiedenis. Morgen weer verder… verder naar de Seine! Hoofdstuk 44: Seine “En we zijn weer onderweg,” zuchtte Anna terwijl ze haar muts nog wat steviger over haar oren trok. “Drie dagen op rij fietsen. Waar is die rustdag gebleven?” Fred lachte schor. “Rustdagen zijn een illusie, net als warme tenen in de winter.” Vandaag werd ook een verhuisdag. Voor het eerst met hulp. Mark was er met het busje en sjouwde zonder klagen alle spullen naar beneden. Dat was heerlijk voor Anna, die anders alles alleen moest doen. Eindelijk geen extra last van de knieeën voordat de tocht nog moest beginnen. Anna keek naar hem terwijl hij de zware fietstassen tilde. “Een welgemeend bedankje voor je inspanningen, hoor! Echt superfijn.” Mark zei droog: “Ik neem genoegen met chocola.” De route begon echter minder idyllisch. Na afgezet te zijn in Meru, waar ze gisteren waren geeindigd, werden ze al snel geconfronteerd met een half verteerd reeënlijf in de sloot. Anna keek snel weg, maar nog geen kilometer verder lag er een vers aangereden reebokje aan de kant van de weg. Ze stopte even en beet op haar lip. Fred zag haar gezicht en knikte begrijpend. “Soms is de natuur verre van romantisch.” Anna zuchtte. “Ja… en soms is het gewoon rot.” Ze fietsten verder in stilte, het beeld nog op hun netvlies gebrand. En toen werd het nóg uitdagender. Hun ‘alternatieve’ route bleek een pure beproeving: recht omhoog, zonder echt pad, begroeid met alles wat maar in de weg kon zitten. Anna voelde haar hart bonken terwijl ze worstelde om boven te komen. Fred hijgde voorop, trillend van de inspanning. “Van wie was dit idee ook alweer?” pufte ze. Fred keek op zijn routeschermpje en probeerde te grinniken. “Ehm… de kaart. Ik zweer dat het leek op een normaal weggetje.” Anna steunde op het stuur en haalde diep adem. “Nou, je kaart liegt.” Terwijl ze boven op adem kwamen, voelde Anna de bekende demonen weer op haar schouder springen. “Joehoe, hier zijn we weer!” leken ze te fluisteren. Zorgen, angsten, twijfels. Ze klampten zich vast aan haar gedachten, knepen in haar ribben. Fred merkte haar gespannen gekibbel in hun gesorekken. “Gaat het?” Anna haalde diep adem en knikte. “Ja… nee… ach, laat ook maar. Ik word gewoon moe van mezelf.” Fred zei “stop eens even” en hij ging staan en sloeg een arm om haar heen. “Het is oké. We zorgen gewoon dat ze verdwijnen. Ook dit kunnen we handelen… Maar de dag had nog een verrassing in petto. Na uren fietsen, een paar omwegen en nog een ‘interessant’ sanitair moment achter een grafzerk, waarbij Anna natuurlijk haar eigen broek had geraakt, kwamen ze aan bij hun nieuwe onderkomen. Anna viel bijna van de fiets bijna toen het grote hek langzaam open schoof. “Wacht… wát?” Fred keek met grote ogen naar de oprijlaan die zich voor hen uitstrekte. Een imposant landhuis aan de Seine. Fred keek rond en knikte goedkeurend. “Nou, we leggen de lat aardig hoog. Straks valt elk volgend onderkomen tegen.” Hij grijnsde. “Misschien moeten we hier maar blijven en een boek schrijven: Fietsend naar Seine ipv naar de hemel. Dit is volgens mij net zo iets.” Anna lachte terwijl ze de fiets onder een aanbouw parkeerde. De gastheer kwam naar buiten en begroette hen met een vriendelijke glimlach. “Bienvenue! Jullie plek is hier beneden, knus en wc met uitzicht op het water.” Anna kneep even in Freds arm. “Dit is toch wel echt? En zie je daar die wasmachine?” Na vier weken onderweg was het moment daar: ze konden hun kleding écht wassen. Niet meer ‘opfrissen’ met een nat washandje, niet meer deodorant als reddingsmiddel, niet meer t-shirts uitkloppen en hopen dat dat genoeg was. Nee, een échte wasmachine. Anna keek naar de gevulde fietstassen en trok een vies gezicht. “Ik denk dat deze sokken inmiddels zelfstandig kunnen lopen.” Ze pakte er eentje op met twee vingers en hield hem op armlengte van zich af. “Serieus, deze is harder dan mijn fietszadel.” Fred grinnikte. “Mijn onderbroek heeft zich aangepast aan mijn lichaamsvorm. Als ik ‘m neerzet, blijft ‘ie gewoon rechtop staan.” Anna wierp een blik op zijn stapeltje kleding. “En je fietsshirt dan? Dat ding kan zo als biologisch wapen worden ingezet.” Fred haalde zijn schouders op. “Niet mijn schuld. Er was gewoon geen wasmachine.” Anna gooide het eerste lading in de machine en draaide zich naar Fred. “Ik zweer het je, als die machine straks begint te protesteren of wegrent, gaan we álles weggooien en kopen we nieuwe spullen.” Anna grinnikte en startte de machine. “Nou, laten we hopen dat de Seine straks niet schuimbekkend wraak neemt.” Fred keek bezorgd naar de trommel die langzaam begon te draaien. “Denk je dat ‘ie het aankan? Misschien moeten we in etappes wassen, net als onze reis.” In de loop van de dag kwam ook hun engel zonder vleugels binnen vliegen en was het stel weer compleet. Hier konden ze wel wennen. Soms weet het universum precies wat je nodig hebt. En vandaag was dat een vleugje luxe, een warme plek, een wasmachine en de Seine als uitzicht vanaf de wc. Hoofdstuk 45: Over toppen en dalen Van Poissy naar Bourdonné. Anna lag ’s nachts alweer wakker. Misselijk. Weer die knoop in haar maag. Maar waarom? Te druk geweest? Iets verkeerds gegeten? Of waren het de demonen die zich weer ongemerkt in haar hoofd hadden genesteld? Ze haalde diep adem. "Morgen is het vast over," mompelde ze tegen zichzelf. Maar bij het wakker worden: helaas, pindakaas. De misselijkheid was er nog steeds. Fred keek haar bezorgd aan terwijl ze voorzichtig een slok gemberthee nam en een havermout met heet water. "Gaat het een beetje?" Anna trok een grimas. "Laten we zeggen dat ik liever een ander ontbijt had gehad." Na wat hokuspokus uit het thuisfront, een combinatie van goedbedoelde adviezen en een mentale peptalk, besloot ze toch maar gewoon op te stappen. “Hoppa, we proberen het.” Lekker voelde ze zich niet, maar blijven liggen was ook geen optie. En mocht er iets zijn was er altijd Mark, dan werd hij ingevlogen. Anna trapte stevig door, haar blik strak op de weg gericht. Even voelde ze zich beter, maar zodra ze een steile klim naderden, voelde ze de misselijkheid weer opkomen als een boemerang die niet wist wanneer hij moest stoppen. "Gaat het?" vroeg Fred bezorgd toen hij Anna maar steeds zo hoorde puffen. Anna zuchtte nogeens diep. "Nou, laten we zeggen dat mijn maag al die inspanning niet grappig vindt. En kijk eens wie er weer gezellig meeliften," zei ze terwijl ze haar blik op denkbeeldige figuren richtte. Fred wierp een blik op haar stuur en knikte begrijpend. "Ah, de demonenclub is er weer? Wat gezellig. Teddy en Olijfje ook van de partij?" Anna keek schuin naar haar knuffels, die voorop de fiets bungelden. "Ja, maar ik weet niet of ze me beschermen of gewoon lijdzaam toekijken hoe hun baasje zichzelf afbeult." Fred trok een wenkbrauw op. "Misschien moeten we er een paar dumpen onderweg? Gratis achterlaten voor de thrillseekers die dit aandurven?” Anna schudde haar hoofd. "Nee, ze moeten gewoon weten wanneer ze hun mond moeten houden." Fred grinnikte. "Nou, als je ze hoort praten, laat het me dan even weten, dan hebben we pas écht een probleem." Anna kon die stomme humor nu even niet waarderen en trapte door, haar focus weer op de weg. "Ik geef ze nog tien kilometer. Daarna kieper ik ze de berm in." Fred keek naar haar en glimlachte. "Deal. Maar zet Olijfje en Teddy dan even veilig weg, die hebben nog een lange weg te gaan." Ze zuchtte diep, probeerde de knoop in haar maag te negeren, en focuste zich op de horizon. Op naar het volgende stuk van de tocht, met of zonder ongewenste passagiers. Fred riep vanuit zijn stoeltje. "Je stuur lijkt tegenwoordig meer op een pelgrimscafé dan op een fietsstuur." En gek genoeg, na 40 kilometer, waren de vervelende exemplaren verdwenen. Alleen Teddy en Olijfje bleven over, gezellig koekeloerend naar de omgeving. Het landschap veranderde. Ze zagen vergezichten zonder horizonvervuiling. Gewoon een strakke streep als horizon. Geen huizen, geen elektriciteitsmasten. Een schilderij in zijn allereerste fase: Een blauwe lucht. Een groene of bruine ondergrond, afhankelijk van of het veld nog leeg of al geploegd was. “Gewoon mooi,” mompelde Anna. “En toch is er eigenlijk niks bijzonders te zien.” Fred knikte. "Dat is het bijzondere eraan." Op een gegeven moment passeerden ze een veld vol witte bulten. Anna kneep haar ogen samen. "Zijn dat... bloemkolen?" Het bleken allemaal keien te zijn, helemaal verspeeid over het gehele perceel. Veel grote ronde, witte keien. Fred schoot in de lach. "Nee joh, dat zijn nou steenkolen!" En ondanks de zwaarte van alles schoot Anna in een schaterende lach. Onderweg kwamen ze de ene na de andere oude kerk tegen. En het bijzondere? Alle deuren stonden wijd open. "Waarom denk je dat ze dat doen?" vroeg Fred. Anna snoof even. "Drogen van de winter. Je ruikt t echt. Dat vochtige, muffe" Binnen waren ze stuk voor stuk weer adembenemend. Overal glas-in-loodramen die door het zonlicht nog intenser kleurden. In één kerk speelde zelfs prachtige muziek op de achtergrond. Weer heel indrukwekkend. Fred bleef buiten op de fiets wachten als een stille wachter. Anna verdween in de stilte en genoot. Toen ze terugkwam, liet ze hem de foto's en filmpjes zien. "Je had erbij moeten zijn." Maar deze kerk ging niet. Een hoge trap en dan eerst een tocht over het kerkhof om er te komen. Volgende keer beter. Bij een klein kerkje in het zonnetje besloten ze te lunchen. Een perfect moment voor Fred om zijn stoma’s te legen. Anna liep een rondje in en om de kerk. "Eh... en waar ga ik dan?" Ze inspecteerde de omgeving. Geen toilet. Geen beschut plekje. En nu? Maar toen viel haar oog op een oude stenen put. Anna keek om zich heen, haalde haar schouders op. "Nou, dat is dan dat." Ze ging door haar knieën en deed wat nodig was, netjes in de put. Altijd een avontuur, die sanitaire stops op de Camino. Toen ze terugkwam, keek Fred haar vragend aan. "Laat maar," zei Anna. "Het was beter dan achter een grafzerk." Na alle beklimmingen was daar eindelijk een lange afdaling. Zelfs Fred, die normaal wel wat gewend was, vond het een beetje eng. Anna kneep in haar remmen. “Als ik nu loslaat, zitten we metéén in Lourdes!” Fred hield zijn handvaten stevig vast. "Nou, Lourdes is prima, maar misschien niet op deze manier." Maar de snelheid gaf ook een heerlijk gevoel. Vrijheid, vergetelheid… Zo vlogen ze Bourdonné binnen. Daar stond Mark alweer op ze te wachten. De fiets achterop de kar en ze stapten in het warme busje. “Fred leunde achterover terwijl Mark de riempjes van de fiets stevig vastsjorrde op de aanhanger. Fred keek met een brede grijns naar Anna en schudde zijn hoofd. “Dat was wel cool, hoor, daar in die afdaling. Ik denk dat we wel even ons snelheidsrecord hebben verbroken. We vlogen echt naar beneden. Heb je geen moment gedacht: misschien een tikje minder gas? Anna?” Anna haalde haar schouders op en gaf Fred een speelse duw. “Supergaaf, ja. Maar serieus, wat moet jij toch een vertrouwen in mij hebben. Je zit daar maar, zonder controle, terwijl ik de remmen in handen heb.” Fred schoot in de lach. “Of gewoon geen keuze… Maar hé, tot nu toe heb je me nog niet gelanceerd, dus dat zegt toch iets?” Anna rolde met haar ogen. “Fijn om te weten dat de lat niet zo hoog ligt.” Fred grijnsde. “Soms doe ik echt mijn ogen dicht en is het gewoon lekker om even te vliegen en alles te vergeten.” En zo reden ze met Mark weer terug naar het Seinehuisje om lekker te eten en nieuwe plannen te maken. Hoofdstuk 46: De Weg naar Chartres (Van Bourdonné naar Chartres) De ochtend begon met opruimen en inpakken in het Seinehuisje, een plek die hen een paar dagen als thuis had gediend. Maar net toen ze dachten dat alles klaar was, kwam er een verrassing. "Toch nog bijbetalen voor de winterperiode," meldde de gastheer vriendelijk maar beslist. Anna fronste haar wenkbrauwen. Hoezo? Dit stond nergens… Ze wilde er iets van zeggen, maar voelde direct hoe de energie uit haar wegstroomde. Laat maar. Soms was het de strijd niet waard. En het was gewoon een uniek plekje. Ze wilde de illusie vasthouden. "Vooruit, beschouwen we het als een lesje voor de volgende keer," zuchtte ze tegen Fred, die begrijpend knikte. Gelukkig was er ook goed nieuws: Mark was vandaag officieel "Transportbedrijf Camino" en bracht hen iets verder dan waar ze gisteren waren geëindigd. Een beetje smokkelen mocht best, zeker als het betekende dat ze eerder in Chartres zouden aankomen en daar meer tijd hadden om rond te kijken. "Het voelt wel een beetje als spijbelen," grijnsde Fred terwijl hij zich in de fiets zette. "Ach," antwoordde Anna luchtig, "noem het strategisch plannen." De kou beet nog in hun wangen terwijl ze de eerste kilometers maakten. Het gas erop, want ze wilden zo vroeg mogelijk aankomen. Het fietspad werd breder, de lucht helderder. De heuvels werkten vandaag niet tegen, maar met hen mee. "Dit gaat lekker," riep Anna terwijl de wind in haar oren suisde en ergonomisch over haar stuur hing. Fred lachte. "Ja, vooral als we bijna gelanceerd worden op die afdalingen. Straks kunnen we gewoon zweven!" De laatste kilometers brachten hen langs een ‘Voie Verte’, een prachtig fietspad langs het water. Het was zo’n route waar de wereld even stil leek te staan, behalve het ritme van de trappers en het geritsel van de bomen langs de kant. En daar, opeens, Chartres. Onder één van de grote stenen bogen reden ze de stad binnen, met de indrukwekkende kathedraal al in zicht, hoog boven alles uittorenend als een wachter over de stad. Anna voelde de opwinding in haar buik opborrelen. Ze was hier eerder geweest en had er prachtige herinneringen aan. Dit was een plek die haar diep had geraakt. Ze kon niet wachten dat gevoel weer te ervaren. Maar toen ze de kathedraal naderden, stokte haar adem. Steigers. Omgevingslawaai. Drukte. Anna liep de kerk binnen en voelde een klap van teleurstelling. Overal bouwmaterialen, hekken, onderhoudswerkers. Het labyrint waar ze zich zo op had verheugd, dat symbool van bezinning en rust, was volgezet met stoelen. De magie was weg. Kinderen renden door de gangen, groepen toeristen verzamelden zich voor rondleidingen. Het sereen heilige gevoel dat ze hier eerder had gevoeld, was verdwenen. Ze liet haar schouders zakken. "Nee… dit is het niet vandaag," fluisterde ze in zichzelf. Langzaam liep ze terug naar buiten, waar Fred geduldig op haar zat te wachten. De ingang was voor hem onbereikbaar geweest vanwege de trappen, dus hij had buiten op haar gewacht. "En?" vroeg hij, haar blik peilend. Anna zuchtte. "Het was niet zoals ik het me herinnerde." Fred kneep even in haar hand. "Dat gebeurt. Mooie herinneringen moet je soms gewoon niet opnieuw willen beleven." Anna knikte. "Gelukkig is het muziekdoosjeswinkeltje er nog." Binnen in het piepkleine winkeltje was het stil. De eigenaar begroette haar vriendelijk en vertelde dat hij vanwege het voorseizoen nog maar weinig op voorraad had. "Ik zoek een muziekdoosje met Ave Maria," zei Anna hoopvol. De man schudde zijn hoofd. "Nee, die heb ik echt niet meer." Anna keek naar de bijna lege dozen op de toonbank. "Mag ik zelf even kijken?" De man haalde zijn schouders op. "Tuurlijk, ga je gang." Anna begon de doosjes open te maken, één voor één. Ze zocht een muziekje wat aansprak. De melodietjes klonken door de winkel, maar nergens klonk het juiste lied. Toen opende ze een tweede doos. Onderin, weggestopt, half verborgen onder andere muziekjes… Ave Maria. Haar adem stokte even. Yesss… "Bedankt, mam," fluisterde ze zacht, terwijl ze omhoog keek, ervan overtuigd dat zij t erin had gelegd... Buiten hield ze het doosje omhoog naar Fred. "Toch gevonden!" Fred grijnsde. "Of misschien heeft het jou gevonden." En ineens voelde de dag weer lichter. En toen op naar het hotel. Anna had zich er de afgelopen nacht al druk over gemaakt, een busje met aanhanger door de smalle doorgangen van Chartres manoeuvreren leek haar een nachtmerrie. Ze had zich in bed liggen afvragen of het wel zou passen, waar ze zouden moeten parkeren en hoeveel stress het zou opleveren. En als ze toen had geweten dat ook nog eens de halve stad was opgebroken… Maar Mark? Die had het gewoon geflikt. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was. "Serieus," zei Anna, terwijl ze de bus en aanhanger bewonderend bekeek. "Hoe heb je dit voor elkaar gekregen zonder vloeken en zweetdruppels?" Mark grijnsde. "Gewoon rustig blijven en doen alsof ik weet wat ik doe." Anna schudde haar hoofd. "Nou, ik heb er bijna niet van geslapen, maar jij maakt je status als engel-zonder-vleugels weer helemaal waar." Mark haalde zijn schouders op. "Ach, engelen moeten ook ergens parkeren." Na een dag vol zoekwerk naar nieuwe onderkomens, wat echt super lastig bleek te zijn, en het regelen van de grote wisseltruc, begon Anna’s hoofd langzaam te koken. Chris en Maartje, de kittige verzorgster , zouden aan het einde van de week Mark vervangen, maar waar ze dan precies zouden slapen en hoe dat allemaal in elkaar moest passen, was nog een groot vraagteken. Anna haat dit soort regelwerk. De zakelijke kant van dingen regelen, onderhandelen, bellen, zoeken, overleggen, het vreet energie. En als dan ook nog haar telefoon niet meewerkt, Airbnb begint tegen te sputteren en het internet telkens wegvalt, dan is dat de druppel. "Ik zweer het je, als deze site nog één keer vastloopt, dan flikker ik die telefoon zo het hotel uit," mompelde ze boos. Fred keek op van zijn plek op het bed en trok een wenkbrauw op. "Zal ik hem dan maar even vasthouden?" Anna schoot uit haar slof. "Ja, heel grappig, Fred! Maar als jij het dan allemaal even regelt?!" Fred stak zijn handen in de lucht. "Rustig, rustig… ik zal je helpen." Anna gooide haar telefoon gefrustreerd op tafel en zuchtte diep. Ze wist het zelf ook, het was gewoon te veel. En als het te veel werd, dan stroomde het emmertje over. Niet handig, niet productief, maar het gebeurde. "Hier eerst een kop thee. Misschien eerst even ademhalen voor we verder gaan. Uiteindelijk waren de adressen gevonden en was het tijd om écht te ontspannen. "Vanavond gaan we uit eten," besliste Fred. "We hebben het verdiend." Anna keek op. "Denk je dat je het trekt?" Het was niet echt een goede dag voor Fred geweest maar hij leek weer iets bij te trekken. "Met de rolstoel komen we overal," zei hij vastberaden. En zo geschiedde. Ze genoten van een heerlijke maaltijd, lachten, kletsten en sloten af met een gigantische sorbet. Een cadeau van een volger. Fred nam een hap en zuchtte tevreden. "Nou… als we dan toch op pelgrimstocht zijn, laten we dit dan ook maar als een zegen beschouwen." Anna glimlachte. "Amen." Morgen weer een lange fietsdag Hoofdstuk 47: Twijfel... Van Chartres naar Chateuaudun... De ochtend begon stil. Geen deuntje in Anna’s hoofd, geen automatisch geneurie. Dat alleen al was een teken. De sfeer in de kamer was bedrukt, alsof de zwaarte van de afgelopen dagen zich diep in de muren had genesteld. Fred lag bleekjes onder het dekbed, zijn gezicht grauw en smal. Zijn ademhaling klonk zwaarder dan normaal. Anna voelde onmiddellijk dat vandaag anders was. Ze ging naast hem zitten en legde een hand op zijn arm. “Hoe is het, Fred?” Hij draaide zijn hoofd langzaam naar haar toe, zijn ogen vermoeid. “Niet goed,” mompelde hij. “Ik heb het gevoel dat mijn krachten echt minder worden. Alsof mijn lichaam het gewoon… niet meer wil.” Hij slikte moeizaam en wreef over zijn gezicht. “Dat is wel heel verdrietig, steeds een stukje moeten inleveren.” Anna’s hart kromp samen. Ze had het ook gemerkt, de kleine veranderingen, de momenten waarop hij iets niet meer kon, waar hij eerder nog zijn schouders over had opgehaald. Dit was niet meer zomaar een slechte dag. Ze haalde diep adem. “Moeten we stoppen met de reis?” Fred sloot even zijn ogen, zuchtte diep. “Ik weet het niet,” fluisterde hij. “Het is nu echt zwaar.” Anna pakte zijn hand. “Fred, als het niet meer gaat, stoppen we. Maar dat moet jouw beslissing zijn. Doe dit niet alleen voor mij.” Fred knikte zwakjes. “Iedereen is al onderweg,” zei hij zacht. “Om nu alles af te blazen…” Anna kneep even in zijn hand. “Maak je dáár alsjeblieft geen zorgen over. Ze komen ons halen. Niet alleen voor de reis, maar voor ons. Ze komen dus nooit voor niets. Ze stond op, zette een kop koffie voor hem neer en glimlachte voorzichtig. “Eerst even een bakkie troost. Daarna zien we verder.” Fred nam langzaam een slok, liet de warmte door zijn lijf stromen. Anna wachtte even en stelde toen opnieuw de vraag. “Wil je stoppen?” Fred keek haar lang aan. Toen schudde hij zijn hoofd. “Nee. We gaan verder.” Anna knikte. Ze voelde opluchting, maar ook een nieuwe verantwoordelijkheid. Dit moest anders. “We gaan rustiger aan doen,” zei ze vastberaden. “Kortere etappes. Meer slaap. Alleen vandaag staat er nog een stevige rit op het programma. Maar Mark is in de buurt. Dus als het niet gaat, bellen we hem. Dat is een veilig idee.” Fred glimlachte flauw. “De engel zonder vleugels.” Anna haalde diep adem en keek uit het raam. Buiten was het nog grijs, de wereld leek even stil te staan. Maar ze wisten allebei: ze gingen verder. Op hun eigen tempo. Samen. Op dat moment klopte Mark op de deur, en met hem waaide er een frisse wind naar binnen. Letterlijk en figuurlijk. De zwaarte die in de kamer had gehangen, leek even plaats te maken voor iets lichters. “Nou, slapen jullie nog of is dit een begrafenisstemming?” riep hij met een brede grijns. Fred keek hem slaperig aan en bromde: “Een beetje van beide.” Anna schudde lachend haar hoofd terwijl Mark met verhalen over zijn ochtend begon. Een half uur later zaten ze met tranen in hun ogen van het lachen om rare filmpjes en sterke verhalen. “Oké, serieus mensen,” zei Mark uiteindelijk, “wat is de planning?” De afspraken werden gemaakt. Rustig pakken, voorbereiden, nog even eten. Geen haast, geen druk. Om 11 uur was het buiten onverwachts lekker weer. De dubbele thermobroeken konden uit, de dikke truien verdwenen in de tassen. Het voelde als een bevrijding, alsof ze een laag van de zwaarte van de ochtend letterlijk van zich afschudden. En toen, off they go. Nog één keer de stad in, op zoek naar iets wat Anna gisteren niet had kunnen vinden. Misschien vandaag wel? Maar ook vandaag bleef dat speciaal gevoel in de grote kathedraal uit. Geen diepe ontroering, geen kippenvel. Fred bleef buiten. “Het trekt me niet,” zei hij simpel. “Te weinig energie om te voelen.” Anna knikte. Ze begreep het. Soms is de plek niet de juiste. Toen ze weer buiten stond, keek ze nog een keer lang naar de imposante kathedraal. Het was zonder twijfel een prachtig gebouw. Maar was dit de plek waar ze het moest vinden? Ze stapten weer op de fiets en begonnen aan de steile straatjes naar beneden. Ze fietsten langs een andere, oude grote kerk. Verwaarloosd, grauw, geen mooi plein erom heen. Op een of andere manier moest Anna daar naar binnen. Fred zuchtte, leunde achterover en zei: “Ik wacht hier wel, hè?” Anna grijnsde. “Dat dacht ik al.” Ze duwde de zware deur open en stapte naar binnen. Wat ze daar voelde? Rust. Echte stilte. Niet de stilte van een leeg gebouw, maar een diepere, voelbare stilte. Een heilige stilte? Er was hier niets perfects. Kapotte ramen, vogelpoep op de grond, versleten banken. Maar hier was het. Dit gevoel. Het zat niet in marmeren vloeren. Niet in gouden altaren. Niet in opsmuk en indrukwekkende schilderingen. Het zat in de rust. De afwezigheid van drukte. De eenvoud. Ze haalde diep adem en sloot even haar ogen. Misschien is dit wat ze zocht. Misschien is heiligheid niets anders dan ruimte om echt stil te zijn en hier daalde de stilte letterlijk op je neer. Met deze wijsheid kwam Anna weer naar buiten. Ze kneep haar ogen samen tegen het felle zonlicht en keek Fred aan. “Ik weet het nu,” zei ze. Fred keek haar vragend aan. “Wat weet je?” Anna haalde diep adem. “Wat ik zocht. Stilte. Echte stilte. Niet alleen buiten, maar ook in mezelf.” Fred knikte langzaam en glimlachte flauw. “Nou, als je daar eindelijk achter bent, kunnen we misschien verder?” Anna lachte en gaf hem een speelse por. “Vooruit dan maar." En daar gingen ze weer. Nu begon de etappe pas echt. Op weg naar Châteaudun. Voor Mark het eindstation van zijn reis met Fred en Anna, voor Chris en Maartje het begin van hun avontuur met hen. De eerste kilometers trapten ze zwijgend weg, ieder verzonken in hun eigen gedachten. Maar al gauw vonden ze hun ritme en vlogen ze als vanouds over de Franse wegen. Overal bordjes van de Jacobsroute. Gezellig. “Geen enkele fietser te bekennen,” merkte Anna op, terwijl ze een bord passeerden. Fred grinnikte. “Tja, wie doet dit dan ook in de winter?” Anna haalde haar schouders op. “Wij.” En het voelde goed. Zeker nu het weer meezat. De zon had kracht en even leek het of de winter langzaam aan het verliezen was. Maar de laatste 15 kilometer waren een beproeving. Harde tegenwind, de oren bliezen van de kop. Fred bromde: “Moeten we dit echt?” “Denk dat we weinig keus hebben,” riep Anna boven de wind uit. Om het nog uitdagender te maken, begon de accu sneller leeg te lopen dan verwacht. Dat betekende veel op lage ondersteuning rijden, en dus flink doorbijten. “Op karakter,” mompelde Fred. “Hebben we daar nog iets van over?” vroeg Anna hijgend. Maar uiteindelijk haalden ze het. Na een hoop zoeken, doodlopende straatjes en onverwachte steegjes, vonden ze hun overnachtingsadres met een geweldig uitzicht over het stadje. Fred keek rond en knikte goedkeurend. “Nou, hier kan ik wel een nachtje overleven.” Het huisje was eenvoudig, maar prima. En toen… het laatste avondmaal voor Mark. Anna zette een dampend bord pasta voor hem neer. “Hier. Het galgenmaal.” Mark trok een wenkbrauw op. “Gezellig.” Fred lachte. “Nou, wat past er nu beter bij een kampeerervaring dan pasta?” Met een vermoeide glimlach aten ze samen, pratend over de afgelopen dagen, herinneringen delend. Maar de vermoeidheid sloeg toe. Vooral bij Anna. Moe van de lange dag. Moe van de wind. Moe van de zorgen. En de spanning van de wisseling van de wacht. Morgen kwamen Chris en Maartje. Een nieuwe fase in de reis. Maar nu eerst… slapen. Anna trok de dekens over zich heen en hoopte maar op één ding. Een rustige nacht.
2 februari 2025
Hoofdstuk 31: België Fred was de avond ervoor als een blok in slaap gevallen, compleet uitgeput. De nachtelijke plaksessie had hij nauwelijks meegekregen. Maar zijn ademhaling was zo vreemd en onregelmatig dat Anna hem een paar keer voorzichtig wakker had geschud. Gewoon om zeker te weten dat alles nog goed ging. Waarschijnlijk lag het aan de medicatie, hield ze zichzelf voor. Maar het bleef iets waar ze moeilijk aan kon wennen. Toen de ochtendzon voorzichtig door de gordijnen schemerde, werd ze wakker in een kamer die aanvoelde als een tijdcapsule. Een gehaakt kleedje over het bed, vintage meubelen, een schilderijtje van een landelijk tafereel boven op de kast. Het was gek om steeds in een ander bed wakker te worden, in een huis waar andermans leven zich had afgespeeld terwijl zij er maar één nacht waren. Het huiselijke gevoel werd compleet toen ze naar de woonkamer gingen en begroet werden door het enthousiaste huishondje en de vrolijke gastvrouw, die hen opwachtte met een brede glimlach en een tafel vol lekkers. “Jullie zien er uitgeslapen uit!” zei ze opgewekt. Anna onderdrukte een gaap en keek naar Fred, die nog wat bleekjes aan zijn koffie nipte. De gastvrouw kletste hen de oren van het hoofd, over van alles en nog wat, en wist het ontbijt om te toveren tot een gezellig begin van de dag. Even geen kou, geen zorgen, geen routeplanning. Gewoon een warm huis, een tafel vol eten en een goed gesprek. Maar uiteindelijk kwam het onvermijdelijke moment weer: het optuigen van de fiets. Buiten wachtte de kou, maar ook een prachtig landschap. Met een dikke zoen en een warme knuffel namen ze afscheid van hun gastvrouw, waarna ze hun fiets weer de weg op stuurden. Het zag er weer sprookjesachtig uit. De ochtendmist hing nog laag over de velden, het rijp glinsterde op de takken, en het voelde even alsof ze weer in Alice in Wonderland fietsten. Anna keek om zich heen en glimlachte. “Dit land is nu gewoon een groot schilderij. Het blijven kadootjes, al die mooie momenten.” De grens met België verscheen niet met fanfare, geen groot bord met ‘Welkom in België’, geen oude douanepost met norse beambten. Nee, het was gewoon een simpele grenspaal, zo’n ouderwetse gietijzeren paal zoals er nog zoveel langs de Nederlands-Belgische grens te vinden zijn. Eentje die er al tientallen jaren stond, onverstoorbaar en een beetje vergeten, terwijl de wereld om hem heen gewoon doorging. Anna grijnsde toen ze erlangs fietsten. “Nou, dat was het dan. We zijn in België. Geen paspoortcontrole, geen hekken. Gewoon… een grenspaal en een bankje.” Fred keek even achterom en knikte tevreden. “En toch voelt het stoer. We doen het gewoon. We zijn weer een land verder.” Het was zo’n klein moment, maar toch bijzonder. Een grens overgaan was altijd iets symbolisch, van het ene naar het andere, zonder echt te weten wat er aan de overkant wachtte. En dat was precies waarom ze hier waren. Rond lunchtijd schoot het Anna ineens te binnen: iemand had hen een patatje aangeboden. “Shit, ik ben het bijna vergeten!” riep ze naar Fred. Hij keek haar vragend aan. “Wat vergeten?” “Dat we een patatje tegoed hebben! Iemand die ik via social media ken, maar nog nooit in het echt heb ontmoet, bood aan om ons te trakteren. We mochten haar een Tikkie sturen.” Fred grijnsde. “Dat is pas crowdfunding op z’n best. Kilometervergoeding in friet.” Anna moest lachen. “Ik vind het geweldig. Daar wil ik best een paar kilometer extra voor trappen.” En dus gingen ze op zoek naar een friettent, vastberaden om deze ‘gesponsorde lunch’ te incasseren. Maar België bleek op dit moment niet erg toeschietelijk, bijna alle frituren waren gesloten. “Serieus?” mopperde Anna. “Zijn we eindelijk op zoek naar vet en zout, is alles dicht!” Maar uiteindelijk, na wat omwegen en extra trappen, vonden ze er toch één. Het rook er heerlijk, en de eerste hap smaakte nóg beter door het besef dat iemand hen dit gewoon had gegund. Anna nam een hap en glimlachte. “Dit is echt het leukste patatje ooit.” Fred knikte en stak een frietje omhoog. “Op onverwachte cadeautjes en warme gebaren.” Ze tikten hun frietjes tegen elkaar aan en genoten. Soms zat geluk in de kleinste dingen. Of in dit geval: in een bak met Belgische frieten. En door gingen ze weer, snelheid verzekerd met deze diesel in de vorm van patat. Met hernieuwde energie trapten ze verder, de laatste 20 kilometer tegemoet. Het landschap veranderde, maar minder spectaculair dan gehoopt. Veel langs de openbare weg, drukker, minder idyllisch dan de route die ze gewend waren. “Tja,” zuchtte Anna, “niet elke minuut kan een sprookje zijn.” Fred keek naar de voorbijrazende auto's. “Nee, soms is het gewoon een verkeersopstopping op wielen.” Maar goed, het hoorde erbij. En uiteindelijk, na een lange dag en veel indrukken, kwamen ze aan bij hun slaapplaats. Een vriendelijke vrouw heette hen welkom en liet de kamer zien. Fred werd vrijwel direct op bed geïnstalleerd, zijn gezicht nog steeds vermoeid van de afgelopen dagen. Anna sjouwde ondertussen hun spullen naar binnen, haar hoofd inmiddels overvol van alle indrukken en geluiden van de dag. Toen eindelijk alles op zijn plek stond, nam ze een diepe teug adem. De kamer voelde als een oase. Geweldige stilte. Geen auto’s, geen wind in haar oren, alleen rust. Fred had een kop thee gezet, al schuifelend door de kamer, en samen ploften ze neer op het fijne bed. Buiten was een prachtig vrij uitzicht, zelfs een zwembad maar in deze buitentemperaturen kozen ze toch maar voor de douche of het bad in de kamer. Die avond hielden ze het simpel. Soep uit de waterkoker en de vertrouwde tosti met kaas. Geen gedoe, gewoon warm eten en even op adem komen. Ondertussen begon de zoektocht naar een nieuw onderkomen voor morgen. Het bleek een flinke uitdaging, veel bellen, veel zoeken, veel ‘helaas, we zitten vol’, maar uiteindelijk vonden ze iets in de buurt van Leuven Daarna nog even de dagelijkse rituelen: verhaaltjes schrijven, regeldingen afhandelen, telefoontjes met het thuisfront en het beantwoorden van lieve berichtjes. Toen was het genoeg. De dag was vol, de hoofden waren moe. Anna rekte zich uit en keek naar Fred, die al onder de deken lag. “Op naar morgen?” Fred knikte slaperig maar minder grauw dan gisteren. “Ja. Morgen weer verder. Op naar… wat er ook komt.” En hij sliep, een hopelijk helende slaap. Anna voelde dat haar hoofd nog te vol zat om zomaar in slaap te vallen. Te veel gedachten, te veel indrukken. Ze schoof haar telefoon weg, zette een kop thee op het nachtkastje en kroop ook in bed. Ze sloot haar ogen en haalde diep adem. Loslaten, herinnerde ze zichzelf. Alles mag er zijn, maar niets hoeft te blijven. In gedachten stelde ze zich voor hoe haar zorgen in kleine ballonnetjes de lucht in dreven. De twijfels, de vermoeidheid, de zorgen om Fred, ze liet ze één voor één opstijgen, meegevoerd door een zachte bries, tot ze verdwenen in het niets. De stilte werd zachter, de kamer voelde warmer. Haar ademhaling werd rustig, haar lijf zwaar. Alles is goed voor nu, dacht ze, en voor ze het wist, gleed ze weg in een diepe, droomloze slaap op weg naar morgen. Hoofdstuk 32: Bergen! (Of Bultjes) Anna werd wakker en voelde haar rug voor het eerst in lange tijd níét kraken. "Dit was serieus een van de beste nachten tot nu toe," mompelde ze terwijl ze zich uitrekte op het geweldige tempur-matras. Fred bleef in bed liggen en liet zich bedienen. "Ik laat dit vijfsterrenleven nog even op me inwerken," grijnsde hij, terwijl Anna hem zijn ontbijt bracht. Welliswaar de restjes van alles wat Anna nog uit de tassen had opgevist maar genoeg om weer een paar uur op te teren. Ondertussen begon Anna met het dagelijkse ritueel van inpakken en organiseren. Na het verzorgen van Fred moest Anna Teddy zeggen dat hij moest opschieten met afscheid nemen van zijn one-night stand. Daarna volgde het uitgebreide afscheid van hun gastvrouw, Constance van de Witte Merel. Ze had al vele jaren een B&B en had allerlei soorten reizigers en voertuigen voorbij zien komen, maar een tandemtrike met een karretje eraan? Dat had ze nog nooit meegemaakt. “Jullie zijn echt een bijzonder stel,” lachte ze. Net voordat ze vertrokken, haalde ze iets uit een kast en gaf het met een grote glimlach aan Anna. “Twee mutsen met een smiley erop. Voor wat extra warmte en een beetje vrolijkheid onderweg.” Anna keek naar de mutsen en voelde ineens een brok in haar keel. “Wat ontzettend lief,” fluisterde ze. De gastvrouw gaf haar een stevige knuffel. "Blijf lachen, ook als het moeilijk wordt." Met een laatste selfie, een paar warme foto's en een dikke knuffel gingen ze weer op pad. Het beloofde een pittige rit te worden. De kou was scherper dan gisteren, maar de zon maakte veel goed. “Fris, maar mooi,” zei Fred terwijl hij diep ademhaalde. Onderweg werd het in de middag warm genoeg om de muts af te doen. Anna klemde hem nonchalant tussen de tas en het stuur, een handig plekje, dacht ze. Ze trapten rustig verder, de zon op hun gezichten, toen er ineens een stem achter hen klonk. "Hey, ge hebt uw muts verloren!" Anna draaide zich om en zag een fietser hen achterna komen, de smiley-muts in zijn hand. Blijkbaar was hij toch losgeraakt en op de weg beland. Ze nam de muts met grote ogen aan. “Wat ontzettend lief, dank je wel!” Ze keek even naar Fred en lachte. “Blijkbaar heeft deze muts een eigen wil.” Fred grijnsde. “Misschien moeten we hem voortaan maar vastbinden. Of adopteren als officiële reisgenoot.” Anna draaide de muts om in haar handen, voelde de zachtheid van de stof en de warmte van het gebaar. Toen zette ze hem weer stevig op haar hoofd. Sommige dingen horen bij je. En sommige cadeautjes moet je niet loslaten. Verder rijdend leken de wegen verraderlijk. Heuvelachtig, steil en vooral modderig. De smalle paden slingerden tussen velden en bossen door, en op sommige stukken gleden ze alle kanten op. "Ik weet niet of dit een fietspad is of een modderglijbaan," mopperde Fred. Op een bepaald moment werd het fietsen zo zwaar dat Anna begon te vermoeden dat er iets niet klopte. Later bleek dat de blubber zo volgekoekt tussen het wiel en het spatbord zat, dat de fiets nauwelijks nog vooruit te krijgen was. Maar het wiel sleet zijn weggetje en in volle vaart rolden ze de heuvels naar beneden, als beloning voor het afzien. Onderweg kwamen ze langs schitterende basilieken, abdijen en kerken, elk met hun eigen geschiedenis en stille grandeur. Anna kon het niet laten, bij zoveel mogelijk gebouwen stapte ze even af en ging naar binnen. Soms voor een stempel in haar pelgrimspaspoort, soms gewoon om even te voelen hoe het daarbinnen was. Fred keek haar geamuseerd na telkens als ze verdween achter een zware kerkdeur. “Heb je al gevonden wat je zoekt?” Anna haalde haar schouders op. “Het is toch bijzonder? Elke kerk is anders. En sommige voelen gewoon… goed.” Soms trof ze een stille ruimte, slechts gevuld met kaarslicht en de geur van oud hout. Soms was er een vriendelijke priester of een nieuwsgierige bezoeker met wie ze een praatje maakte. Maar altijd was er dat moment van rust. Een paar ademhalingen in de koele stilte, even weg van de wereld buiten. Een kleine pauze in een lange reis. Tijdens een van die kerkbezoeken gebeurde er iets bijzonders. In de kerk van Schaffen werd Anna hartelijk ontvangen door een paar vriendelijke mensen. Terwijl ze rondkeek, werd ze aangesproken door een oudere meneer met een warme glimlach die zei haar mee te lopen voor een stempel. "Op weg naar Lourdes, zegt u?" vroeg de man geïnteresseerd. Anna knikte. "Ja, een lange tocht, maar een bijzondere." Na de stempel haalde hij zonder aarzeling twee kaarsen tevoorschijn. “Deze zijn gezegend,” zei hij zacht. “Neem ze mee op jullie reis. Voor licht en bescherming onderweg. Je kunt ze onderweg branden en als je ze doorbreekt heb je er 4”, zei hij met een grote grijns. Anna was even sprakeloos. Ze had al veel vriendelijkheid ervaren, maar dit raakte haar. Ze nam de kaarsen voorzichtig aan en voelde een golf van warmte. “Dank je wel,” zei ze oprecht. Toen ze weer naar buiten stapte, waar Fred op de fiets zat te wachten, hield ze de kaarsen omhoog. "Onze bagage wordt steeds spiritueler," grapte ze. Fred lachte. Sommige ontmoetingen gaven je meer dan een kadootje, ze gaven je een stukje hoop mee. Fred had het vandaag zwaarder dan anders. Onderweg kreeg hij bloedneuzen en was hij kortademiger dan anders. Anna hield hem nauwlettend in de gaten. "Gaat het nog?" vroeg ze zachtjes. Fred knikte, maar het zag er niet overtuigend uit. Toch bleef hij positief. "We zijn nog steeds onderweg, toch?" En zo gingen ze door. Traag, maar vastberaden. Uiteindelijk, na de verplichte boodschappenwinkel, bereikten ze hun bestemming, moe maar voldaan. "We hebben het weer samen geflikt," zei Anna terwijl ze de fiets parkeerde. Fred zuchtte diep, een zwakke grijns op zijn gezicht. “En mijn conditie… die wordt nog eens legendarisch.” Anna lachte en tikte tegen zijn muts. “Zolang je die smiley maar op je hoofd houdt.” En met dat in gedachten sloten ze de dag af, weer een etappe dichter bij hun eindbestemming. Maar morgen eerst een rustdag… Hoofdstuk 33: In de Spotlight en Door de Modder Van Leuven naar Nijvel... De dag begon ijskoud. Anna rilde terwijl ze haar handen om een kop thee klemde. Buiten was het nog donker en de ruiten waren beslagen van de kou. De filmploeg zou komen, maar ze mochten nog niets inpakken zijn, mooialles moest nog mooi op beeld. Fred trok de deken wat verder over zich heen. “Dus we mogen nog even niet chaotisch in de weer?” Anna knikte. “Precies. Nog even doen alsof we georganiseerde mensen zijn.” Maar de minuten tikten weg. De filmcrew was vertraagd, en ondertussen wilde Anna eigenlijk gewoon op pad. De kou zou steeds eind van de dag erger zijn en ze had geen zin om straks in het donker aan te komen. Eindelijk, daar waren ze. Lieve, enthousiaste mensen, warm ondanks de kou. “Sorry voor het wachten!” riep de regisseur, een vrouw met een energieke lach. “Maar goed nieuws: jullie zien er nog steeds fantastisch uit en ik heb een kadootje mee.” En ze viste 2 repen chocola uit haar zakken. Anna schoot in de lach. “Serieus, als we zo doorgaan, kunnen we straks gesponsord worden door een chocoladefabriek. Ons pelgrimspad is geplaveid met cacao!” Met de filmploeg achter zich aan vertrokken ze vol energie. Na tien kilometer maakten ze hun eerste stop bij een grote, statige kerk voor een stempel in hun pelgrimspaspoort. De pastoor begroette hen met open armen en keek bewonderend naar hun fiets. “Fiets ‘m maar gewoon naar binnen,” zei hij breed lachend. Anna aarzelde even. “Echt? Met aanhanger en al?” “Ach,” grinnikte de pastoor, “alles en iedereen is welkom hier.” En zo gebeurde het dat ze met de hele fiets de kerk binnenrolden. Fred en Anna keken hun ogen uit terwijl ze binnenrolden rolden. De sfeer was bijna magisch. Het zonlicht viel door de glas-in-loodramen en wierp zachte, pastelkleurige stroken over de muren en de prachtige muurschilderingen. Alsof de hele kerk hen een warm welkom gaf. Midden in het schip van de kerk stond de pastoor, gewapend met een indrukwekkend stempel, klaar om hun pelgrimspaspoort te voorzien van een officieel teken van hun reis. Ondertussen bewogen de cameraman en geluidsman zich stilletjes door de ruimte, zoekend naar de mooiste hoeken en het perfecte licht. De een hurkte achter een kerkbank, de ander draaide geruisloos rond de pastoor om geen enkel moment te missen. Fred keek geamuseerd toe. "Als ze nog even zo blijven sluipen, denken mensen straks dat dit een geheime missie is." Maar naar binnen was makkelijker dan er weer uit. Achteruit manoeuvreren met een lange rolstoelfiets en een aanhangertje in een kerk met eeuwenoude banken bleek een uitdaging. “Voor het zingen de kerk uit is hier sowieso mislukt,” mompelde Fred terwijl Anna en de pastoor banken opschoven om een weg vrij te maken om de fiets weer in beweging te krijgen. Met de stempel binnen en de fiets eindelijk weer buiten, bedankten ze de pastoor en gingen verder. De filmploeg was in hun element. De cameraman hing uit het busje, filmde hen van voren, van opzij, door het voorraam. Anna lachte terwijl ze trapte. “Als we beroemd worden, moeten ze deze beelden wel goed knippen.” Fred knikte. “Ja, vooral de stukken waarin ik probeer mijn neus te snuiten en bijna van de fiets sodemieter.” De regisseur reed naast hen en riep: “Het ziet er geweldig uit! Gewoon lekker doorgaan!” “Dat is toch al het plan?” grapte Anna. Na een paar uur begon de kou echt door te dringen en de magen begonnen dringend te vragen om extra diesel. Ze besloten even op te warmen en iets te eten, maar toen ze een gezellig restaurantje binnenstapten, kregen ze een koude douche: de keuken was dicht. Anna zuchtte diep. “Natuurlijk.” Fred keek naar de filmploeg en trok een wenkbrauw op en grijnsde. "Nou, als jullie een dramatisch einde willen, kunnen jullie ons ook gewoon filmen terwijl we omkomen van de honger." Maar een volle maag kwam er nog niet. Alle lagen kleding weer aan, smileymutsen op, handschoenen aan, en hup, weer op de fiets naar het volgende dorpje. Het begon bijna een pelgrimstocht naar een fatsoenlijke maaltijd te lijken. Ook daar liep het mis. De filmploeg was verdwenen, waarschijnlijk op zoek naar een betere filmlocatie. Maar Fred en Anna hadden op dat moment geen oog meer voor camera’s. De weg voor hen werd steiler, de fietspaden slechter. Niet gewoon hobbelig, maar écht slecht. Te smal voor hun fiets en auto’s die dicht langs hun zoefden. Anna keek om zich heen. “Nou, nu snap ik waarom hier niemand fietst. Het is gewoon zelfmoord op twee wielen.” De heuvels bleven maar komen. Steil omhoog, geen einde in zicht. De accu begon alarmerend snel leeg te lopen. Zo zouden ze het eindpunt van vandaag niet halen. De kou trok in hun botten, hun magen knorden van frustratie, en de vermoeidheid begon zijn tol te eisen. En toen gebeurde het onvermijdelijke. De irritatie bouwde zich op, tot die uiteindelijk ontplofte in een woordenwisseling. Lege magen, pijn, kou, moeheid, een dodelijke cocktail voor het humeur. Fred kon niet meer goed zitten van de pijn, Anna’s armen brandden van het constante sturen en balanceren op de ellendige weg. “Je moet die accu niet op de hoogste stand zetten, straks staan we hier vast!” bitste Fred. “En ik doe de routeplanning wel, bemoei je er niet mee.” “Nou sorry hoor,” snauwde Anna terug. “Zal ik dan gewoon afstappen en lopen? Oh wacht, dat kan niet.” Ze vielen stil. Het was geen eerlijke strijd, tegen elkaar, maar vooral tegen de situatie. Even reden ze zwijgend verder, ieder gevangen in hun eigen frustratie. Totdat Anna diep ademhaalde en zuchtte. “We moeten iets eten. Nu.” Ze stopte aan de kant van de drukke weg en pakte een broodje voor hun beiden. “Even snel wat erin.” Het werd snel later, kouder, en de accu liep gevaarlijk leeg. Dat betekende alles op standje laag, en dat voelden ze. Eigenlijk mocht Fred niet echt meehelpen met fietsen door zijn wondroos aan zijn been maar het kon echt niet anders. Alleen trok Anna het niet. Anna zuchtte en duwde met al haar kracht op de pedalen. De heuvels werden steiler, de klinkerwegen eindeloos. “Mijn hersenen worden hier letterlijk door elkaar geschud,” kreunde ze. “Ik voel me net een omelet in wording.” Fred keek opzij. “Zolang je maar niet als een gebakken ei eindigt.” En toen kwam de modder. Dikke, plakkerige, overal-zittende modder. De wielen slibden dicht en gleden alle kanten op. Anna voelde haar armen protesteren van het constante corrigeren. Fred, die voorop zat, voelde het ook. “Dit lijkt op de Belgische versie van schaatsen.” Anna kreunde. “Maar dan zonder glühwein en zonder plezier.” Op een bepaald moment moesten ze zelfs stoppen om de wielen schoon te peuteren, want de fiets kwam amper nog vooruit. “Ik ben nu dus echt letterlijk moddervet,” zei Fred terwijl hij naar zijn besmeurde broek keek. Anna veegde een klodder blubber van haar handschoen. “Laten we zeggen dat we volledig in het landschap opgaan.” In de tussentijd snorde de drone vrolijk om hun heen om alles op te nemen en af en toe zagen ze de bus van de crew staan op gepaste afstand. Gelukkig bleven ze in de buurt en dat gaf Anna een veilig gevoel want de kar trekken is 1 ding maar alles duwen, dat gaat hem niet worden. En zo ploeterden ze voort. De hele tocht leek omhoog te gaan. Letterlijk fietsend naar de hemel. En als ze dan eens wel konden afdalen waren het klinkerwegen met diepe kuilen en bijna omkiepende schuine delen dus was het nog harder werken. Maar daar was dan toch eindelijk de slaapplek… pfffff Bij aankomst stond de accu op 0. Nog één meter, en ze hadden de fiets moeten duwen. Na het riedeltje van fred naar de kamer brengen, uitladen En fuets opbergen plofte op het bed. “Dat noemen ze nou nét redden.” Bij aankomst bij het hotel stond de filmploeg al op hen te wachten, vriendelijk en warm zoals de hele dag. Ze gaven Fred en Anna even de tijd om op adem te komen, hun jassen uit te trekken en hun verstijfde handen om een kop thee te klemmen. Even stilte, even bijkomen. Maar al snel werd het tijd om verder te gaan. De camera’s werden klaargezet, microfoons bevestigd, en in hun kamer werd een knusse setting gecreëerd. Een gesprek met Fred en Anna, zonder opsmuk. Terug naar de kern. Anna voelde haar keel al een beetje dichttrekken nog vóór de eerste vraag werd gesteld. Waarom doen jullie dit? Waarom deze reis? Ze keek naar Fred, die het eerst aan de beurt was. Toen haalde hij diep adem en glimlachte flauwtjes. “Omdat dit het laatste grote avontuur is.” De woorden bleven even in de lucht hangen. De cameraman had zijn filmcamera bijna onzichtbaar opgesteld en niemand zei verder iets. "Omdat stilzitten geen optie is. Omdat wachten geen leven is. Omdat we iets willen vasthouden, iets willen maken, iets willen beleven." Fred keek de programmamevrouw aan, een glinstering van emotie in zijn ogen. “Omdat we nog steeds samen lachen. En zolang we dat doen, blijven we fietsen.” Het gesprek ging verder, dieper. Over de moeilijke dagen, de onvermijdelijke eindigheid, maar ook over hoe de kleine momenten juist nu zoveel groter werden. Toen ook Anna aan de beurt was geweest stopte de opnames en bleef het stil. Het was geen interview geworden. Het was een echt gesprek. Anna haalde diep adem toen iedereen weer op huis aan was en pakte Freds hand. "We doen wat we kunnen, toch?" Fred keek haar aan en grijnsde flauw. "Nou, we doen in ieder geval ons best om beroemd te worden." Anna schoot in de lach. "Ja, nog even en we krijgen een eigen realityshow: Fietsend naar de Hemel, nu met extra modder en emotionele uitbarstingen!" Fred kneep zachtjes terug in haar hand en knikte. "Maar zonder eliminatierondes, hè?" Anna glimlachte. "Nee, we blijven samen fietsen tot de laatste etappe." Hoofdstuk 34: Van Nijvel naar Bergen Op Zoek naar Luxe en engelen.. . Anna stond aan de geïmproviseerde 'keuken', oftewel de Prinses, hun trouwe tafelgrill die inmiddels onmisbaar was geworden. Ze bakte uien en knoflook, verwarmde groente en maakte met een beetje creativiteit een heerlijke witlofschotel. Terwijl ze de groente omroerde, liet ze de dag in gedachten passeren. Wat een verschil met gisteren. Geen modder tot aan de assen, geen bijna-dramatische lege accu’s, maar wel een ochtend die stroef begon. Anna kreunde toen ze uit bed stapte. “Nou, die paracetamol mag op de standaard bestellijst.” Fred zuchtte naast haar en probeerde zich overeind te hijsen. “Als je nog ergens een oliekannetje hebt, zou dat ook helpen. Volgens mij kraakt m’n hele lijf.” Anna keek hoe hij moeizaam zijn voet op de grond zette en zijn gezicht vertrok. “Nog steeds pijnlijk?” Fred knikte en wees naar zijn heup. “Ja, en die doet nu ook gezellig mee. Volgens mij loop ik zo scheef dat ik straks vanzelf rondjes draai.” Ze lachten even, maar de realiteit was duidelijk: eigenlijk moesten ze rusten. Toch voelde blijven niet goed. Het hotel was prima, goede bedden, goede prijs, goed ontbijt, niks mis mee, maar de energie klopte gewoon niet. En als er iets was waar Anna niet tegen kon, dan was het een plek waar ‘iets’ niet klopte. Fred trok een wenkbrauw op toen hij haar zag fronsen. “Je hebt die blik...” Anna keek op. “Welk blik?” Fred grijnsde. “Dat ‘er klopt hier iets niet en ik ga pas rusten als ik weet wat’ blik.” Anna zuchtte. “Ik weet het niet, het voelt gewoon... niet fijn.” Ze zochten een nieuw onderkomen, maar het bleek lastig. Na wat heen-en-weer gebel vonden ze niks dat echt aansloot bij wat ze nodig hadden. Eigenlijk alles was met trap naar boven, geen ruimte voor de fiets of een eind uit de richting. Anna keek Fred uiteindelijk met een licht schuldbewuste blik aan. “Ik heb iets gevonden… maar het is luxe.” Fred trok een wenkbrauw op. “Luxe? Jij? Serieus?” Anna knikte. “Ja, met flinke korting, maar nog steeds beetje duur", zei ze voorzichtig. “Er zit geen ontbijt bij, maar het voelt goed. En ik heb er behoefte aan.” Fred dacht even na en haalde toen zijn schouders op. “Geen ontbijt? Dan is het vast niks.” Anna rolde met haar ogen. “De Prinses is geduldig. Ik bak wel een eitje, en trouwens, jij vindt een tosti ‘s ochtends ook helemaal niet erg.” Fred grijnsde. “Dat is waar. Maar ik wil dan wél ontbijt op bed.” Ze lachten, maar diep van binnen was de beslissing meer dan alleen een hotelkeuze. Anna voelde het: ze hadden een pauze nodig in iets waar ze zich fijn voelden. En aldus werd voor tijdelijke luxe gekozen en gingen ze vastberaden op pad. De route van vandaag was overwegend fijn, ondanks de dikke mist die als een deken over het landschap lag. In tegenstelling tot de zonnige dagen hiervoor, was er vandaag niets dan grijze nevel. Anna keek voor zich uit en zuchtte eindelijk iets meer ontspannen. “Het heeft wel wat, hè? Zo’n wereld waar je bijna niks ziet.” Fred knikte, ingepakt tot zijn oren tegen de kou. “Ja, voelt een beetje als fietsen in een droom. Of in een slechte horrorfilm, dat kan ook.” “Hè bah, hou op”, zei Anna, “ik had net dat gevoel een beetje weggedrukt”. Anna kneep even met haar ogen en wreef erover. Gisteren was ze haar zonnebril verloren, en dat had ze ‘s avonds geweten ook. Rode, vermoeide ogen, alsof ze te lang in de zon had zitten knijpen. Vandaag, in de mist, had ze daar gelukkig geen last van. Fred keek opzij. “Hoe gaat het met je ogen?” Anna haalde haar schouders op. “Geen zonnebril nodig vandaag, dat scheelt.” Het fietspad volgde een oude spoorlijn, wat betekende: weinig echte hoogteverschillen. En na de heuvels van de afgelopen dagen was dat een verademing. Anna genoot van de gelijkmatige route. “Eindelijk een stukje waar ik niet het gevoel heb dat ik een slee omhoog moet trekken.” Fred knikte. “Ja, en geen modder tot aan de assen. Dit is een feestdag.” Toen de route verder ging langs het Canal du Centre, werd het nóg fijner. Rust, kabbelend water, af en toe een vogel die opvloog, een soort meditatie op wielen. Anna had stilletjes haar spotify aangezet. De klanken van Schotse doedelzakken vulden de mistige lucht. “Dit lijkt me toepasselijk. Grote reis, mistige wegen, een tikkeltje heroïsch.” Maar eerlijk is eerlijk: het fietste verrassend lekker. De mist, het water, de verlaten weg en de klanken van de doedelzakken maakten het een bizarre, bijna magische rit. Soms werd de bubbel ruw verstoord door de bizarre staat van de wegen. "Serieus, dit is geen fietspad meer, dit is een hobbelparcours," riep Anna terwijl ze haar stuur strak vastgreep. De fiets stuiterde over een stel verraderlijk hoogliggende boomwortels, en voor ze het wist, voelde ze hoe ze werden gelanceerd. Fred hapte naar adem. "Ho, ho, ho! Dit gaat niet goed!" Anna’s handen schoten los van het stuur, haar voeten vlogen van de trappers. Een fractie van een seconde hing ze gewichtloos boven de fiets, klaar om als een mislukte circusact op het pad te belanden. En toen, op de een of andere manier, kwam ze weer keurig op haar zadel terecht. Anna haalde diep adem, haar hart bonsde in haar borst. Ze had zich behoorlijk pijn gedaan en geschrokken zei ze: "Ik heb geen idee… maar volgens mij heeft Christoffel, net een carrièreswitch gemaakt naar stuntcoördinator." Fred knikte semi-serieus. "Dus die pelgrimszegen heeft blijkbaar naast anti-lekband ook een anti-valfunctie?" Anna grinnikte en slikte haar tranen weg terwijl ze haar stuur weer stevig vastpakte. "Nou, laten we het niet nog een keer testen." Voorzichtig trapten ze verder, met een hernieuwd respect voor boomwortels en misschien toch een beetje extra vertrouwen in hun heilige beschermengel. Alsof één bijna-lanceermoment nog niet genoeg was, bracht de dag nog een verrassing. Een van de beruchte ‘route barrées’ stuurde hen een kant op waar nauwelijks omleidingen stonden aangegeven. Zuchtend volgden ze het pad, hopend op een fatsoenlijke doorgang. En toen... een trap. Anna staarde naar de betonnen treden voor hen. “Serieus? Een trap? Op een officiële fietsroute?” Fred schudde zijn hoofd. "België: waar fietsroutes stiekem hindernisparcoursen zijn." Het eerste deel was nog te doen, maar verderop ging het steil naar beneden. Anna keek twijfelend naar Fred. “We kunnen dit niet zelf. Hoe dan?” En toen gebeurde er iets vreemds. Ineens kwam er iemand aanlopen. Een meisje. Jong, slank, glimlachend, uit het niets opgedoken als een engel in de mist. "Zal ik helpen?" vroeg ze vriendelijk. Anna keek verrast om zich heen. “Waar kwam zij vandaan?” Fred grinnikte. “Uit de hemel gevallen, denk ik.” Het meisje pakte de voorkant van de fiets, en na snel het aanhangertje los te koppelen, werd de hele boel in een paar tellen naar beneden gemanoeuvreerd alsof het de normaalste zaak van de wereld was. “Zo, klaar,” zei ze met een brede glimlach. “Jullie moeten dáárheen, dan komen jullie zo bij het hotel.” Anna voelde een golf van dankbaarheid en haalde een klein cadeautje uit haar tas. “Voor jou. Want jij bent duidelijk een engel.” Het meisje lachte, pakte het aan en verdween weer… in de mist. Anna en Fred keken haar na. Fred haalde diep adem. “Nou, ik begin langzaam te geloven dat er iemand boven ons meefietst.” Anna grijnsde en ze draaide de fiets de goede richting uit en ze gingen voor het laatste stukje. In het hotel ging het riedeltje van slepen en installeren weer van start. De fiets die in een speciale afgesloten ruimte moest bleek daar niet te passen dus staat hij nu zielig alleen op een eigen autoplek in de grote garage. Wat natuurlijk eerst goedgekeurd moest worden door allerlei lagen van het management. En dan... eindelijk een moment van pure verwennerij. Jolanda, een lieve volger uit Nederland, had hen een traktatie aangeboden: koffie/thee en échte Belgische chocolade. Een simpel gebaar, maar na dagen van kou, inspanning en improviseren voelde het als pure luxe. Anna liet zich met een zucht in haar stoel zakken. "Weet je hoe lang het geleden is dat we gewoon even rustig ergens zijn gaan zitten, zonder gedoe?" Fred nam een slok van zijn koffie en knikte. "Ja. Veel te lang. Dit voelt bijna decadent." Anna duwde met haar lepeltje het kleine omhulseltje open en zag de chocolade naar buiten lopen, nam een hap en sloot even haar ogen. "Ooooh... dit. Hier had ik niet eens van durven dromen." Fred grijnsde en nam ook een hapje. "We zouden dit eigenlijk vaker moeten doen." Anna keek hem aan en grinnikte. "Precies. Maar dat doen we niet, en daarom smaakt het nu extra goed." ‘Thank you’ staat op de schuim van de koffie. “Dit lijkt wel speciaal voor Jolanda erop gezet” zei Fred… “Wie weet” zei Anna. “Al die toevalligheden, je gaat het bijna denken.” Anna keek naar Fred, die met een tevreden blik uit het raam staarde. Zijn gezicht was vermoeid, wat magerder maar er zat een glinstering in zijn ogen die ze herkende. "Waar denk je aan?" vroeg ze zacht. Fred haalde diep adem en glimlachte. "Aan hoe gek het eigenlijk is. We zijn op een pelgrimstocht, maar het zijn juist deze kleine momenten die het meest blijven hangen. Dit. Gewoon even zitten, een warme koffie in mijn handen, jij tegenover me. Dat is misschien wel net zo belangrijk als waar we naartoe gaan." Anna knikte. "Misschien ís dit het wel, is het niet alleen de eindbestemming, maar juist de weg ernaartoe." Buiten werd het langzaam donkerder. Ze gingen naar hun kamer, het grote bed wachtte op hun vermoeide lichamen. De volgende kilometers wachtten, de reis ging door. Maar voor nu, op dit ene moment, waren ze precies waar ze moesten zijn. Hoofdstuk 35. Rustdag in een andere wereld… Het was na middernacht. De vrijdag was begonnen. De dag dat ze weer een grens over gaan… Frankrijk... Fred lag te slapen, zijn ademhaling rustig en diep. Anna lag wakker, haar gedachten als een rivier die maar niet wilde ophouden met stromen. De rustdag was voorbij, maar rust had ze nauwelijks gevoeld. Het was een rare dag geweest. Naast een fijn museumbezoek waren er ook regeldingen, frustraties, kleine dingen die normaal niet veel zouden betekenen, maar nu als een mokerslag binnenkwamen. Boekingen die niet goed gingen, dubbele betalingen die pas over twaalf werkdagen teruggestort zouden worden. Twaalf werkdagen... Alsof tijd nog een eindeloos iets was. Alsof ze de luxe hadden om te wachten. De mensen aan de andere kant van de telefoon hadden geen idee. Geen idee wat het met je doet als alles wat je probeert te regelen tegen lijkt te zitten. Geen idee hoe het voelt als elke kleine hobbel in de weg voelt als een ‘route barrée’ waar je geen energie meer voor hebt. Geen idee dat iets simpels als een fout in een reservering een kettingreactie aan stress, verdriet en onmacht kon veroorzaken. Het waren wereldse zaken, dingen waar een gezond mens zijn schouders over zou ophalen. Maar als je leeft in een situatie waarin alles wankelt, wordt zelfs het kleinste probleem iets groots, iets overweldigends. Anna was de dingen voor morgen gaan regelen en daar het water hier overwegend uit chloor bestond, was ze beneden even snel flesjes water uit een automaat gaan halen. Even snel op blote voeten, In de lift zag ze mensen terugkomen in feestkleding, lachend, dansend. Ze stond erbij en keek ernaar… Ze zaten in een andere wereld. Een wereld waarin mensen uit eten gingen, plannen maakten voor volgend jaar, lachten zonder een schaduw in hun ogen. Een wereld waar zij en Fred steeds verder van weggleden. Het voelde alsof ze niet meer meededen. Alsof hun leven parallel liep aan de rest, maar zonder de vanzelfsprekendheid van toekomst, zonder de luchtigheid van ‘gewoon’ dingen doen. Op de fiets was het anders. Op de fiets waren ze in het moment. Geen moeilijke gesprekken, geen administratieve ellende, geen telefoontjes met mensen die geen idee hadden van hun realiteit. Alleen de weg voor hen, de wind in hun gezicht, het ritme van de trappers. Je kon elkaar niet altijd verstaan door de wind, en dat was soms juist fijn. Geen woorden nodig, geen gedoe, alleen samen gaan. Maar op rustdagen kwamen de gevoelens naar boven. De dingen die ze tijdens het fietsen even konden vergeten, kwamen op deze dagen dubbel zo hard terug. En dan, als er ook nog praktische dingen misgingen, werd het te veel. Soms moest je iets doen om dat gevoel te doorbreken. Dit keer moesten ze gewoon maar eens iets geks doen…roomservice… Bij een luxe bed hoorde een roomservice, vond Anna. Een meneer in een strak pak met een karretje aan de deur die op je deur klopt en “roomservice” roept… Het voelde even als een scène uit een ander leven. Alsof ze voor even weer deel uitmaakten van een wereld waarin je zomaar luxe kon laten bezorgen en daar zorgeloos van kon genieten. Het eten was heerlijk. ‘Shared tapas’… Delen van een maaltijd, maar eigenlijk ook delen van alles. Hun reis. Hun zorgen. Hun angsten. Hun hoop. Het voelde bijna symbolisch, hoe ze samen op het grote bed zaten. Alles wat ze deden, deden ze samen. De weg die ze aflegden, de kilometers onder hun banden, de gesprekken, soms vol woorden, soms alleen in stilte. Alles werd gedeeld. Nu het nog kon… Het deed hen goed. Anna keek naar Fred, die zich in zijn slaap even omdraaide en hoeste. Misschien was dat weer een stukje van het geheim. Niet proberen alles te relativeren. Niet altijd de sterke, verstandige zijn. Maar gewoon accepteren dat sommige dagen zwaar zijn. En sommige dagen licht. En dat soms, heel soms, roomservice precies was wat ze nodig hadden.
18 januari 2025
Hoofdstuk 19: SPULLEN…. De dagen vlogen voorbij, gevuld met voorbereidingen. De tafel in de woonkamer was een georganiseerde chaos van spullen: warme sokken, mutsen, handschoenen, handbeschermers, en meer lagen thermokleding dan ze ooit eerder hadden gedragen. Het leek alsof ze zich voorbereidden op een expeditie naar de Noordpool, niet op een fietstocht naar Lourdes. Elke keer als Anna dacht dat ze alles hadden, kwam Fred met een nieuwe toevoeging. “Hebben we al fietslampjes voor op de kar?” vroeg hij, terwijl hij een knipperend lichtje omhoog hield. “Hebben we de reservebandjes al ergens ingepakt? En heb je mijn credential gezien, dat boekje voor alle stempels? Want ik wil wel graag weer ‘tampons’ verzamelen van de mooie kerken in Frankrijk.” “Ja,” antwoordde Anna, “maar als we nog meer spullen verzamelen, hebben we straks 2 aanhangers nodig.” Ze keek bedenkelijk naar alle plastic bakken waar alle kleding en verzorgspullen in zaten… “Wat heb je nu eigenlijk echt nodig onderweg Heb ik mijn mooie jurkjes nodig? Of is het alleen maar thermospullen?” zuchte Anna Fred keek op van zijn checklist en grijnsde. “Jurkjes, echt?” Anna lachte. “Nou, ik wil niet overal als een wandelende slaapzak aankomen.” Ze hield een dikke thermobroek omhoog en trok een gezicht. “En dit is toch ook geen fashion statement?” Fred haalde zijn schouders op. “Niemand die het ziet als je jezelf in laag nummer zes hebt ingepakt.” Ze schoten allebei in de lach, maar het inpakken was serieus lastig. Alles moest functioneel zijn, maar ook comfortabel. Elke gram telde, zeker omdat ze niet wisten wat ze onderweg allemaal tegen zouden komen. Door de zon fietsen is toch echt anders dan midden in de winter. “Misschien moeten we gewoon een regel maken,” stelde Fred voor. “Als jouw spullen niet in één fietstas passen, blijft het thuis.” Anna rolde met haar ogen en keek weer naar de stapel kleding. “Oké, maar hoe zit het met schoenen? Alleen fietsschoenen? Of toch een paar nette schoenen voor als we ergens binnen willen zitten zonder eruit te zien als twee ontsnapte eskimo’s?” En zo ploeterden ze verder, de lijstjes en stapels spullen steeds groter. Wat je echt nodig hebt voor een reis naar Lourdes, bleek vooral een flinke portie humor en heel veel warme sokken te zijn. Maar niet alleen de bagage was een uitdaging, ook de routeplanning bleek een puzzel. “Mark komt van 14 tot 21 februari,” zei Anna, terwijl ze een notitie maakte. “Chris neemt het daarna over tot Lourdes. En Maartje... als zij kan, gaat ze een poosje mee als verzorgende. Dat zou zo fijn zijn.” Fred knikte langzaam. “Mooi team. Ik hoop dat het allemaal gaat zoals we het nu in ons hoofd hebben. Maar het blijft spannend. We zijn allemaal mensen met onze eigen gewoontes en eigenaardigheden. Dat kan prachtig samenvallen, maar ook... nou ja, een verrassende wending krijgen.” Naast de spullen en routes waren er ook afspraken te regelen. Het kunstproject, inmiddels is er bijna een samenwerking met de gemeente en ProRail, vergde meer tijd en energie dan verwacht. Anna en Fred worstelden om alles goed op papier te krijgen, de juiste personen in de kraag te pakken en van iedereen de koppen dezelfde kant uit te krijgen. Na weer een telefonisch overleg met ProRail zat Fred met een frons over zijn notities gebogen. “Kunnen we dit gewoon in Jip-en-Janneketaal opschrijven? Dit voelt als hogere wiskunde.” “Dat zou fijn zijn.” zuchtte Anna. “Maar volgens mij verwachten ze een hele scriptie.” Ze lachten samen, maar het bleef lastig. Het project was belangrijk, en ze wilden het goed doen. De gedachte dat ze iets blijvends zouden achterlaten gaf hen kracht, maar de bureaucratie leek soms ondoordringbaar. Op een avond kroop Anna tegen Fred aan onder hun, bijna versleten, elektrisch dekentje en haar blik werd zachter. “De terugweg...” begon ze. “Weet je wat ik het moeilijkst vind? Terugkomen. Terug van Lourdes, terug naar het leven dat nóg korter is geworden. Hoe lang nog? Hoe leef je verder als de tijd alleen maar lijkt te krimpen?” Fred pakte haar hand en kneep er zachtjes in. “We zien wel hoe het gaat. Misschien wordt het niet makkelijk, maar we fietsen eerst naar Lourdes. Daarna zien we wel verder.” Anna wist dat hij natuurlijk gelijk had, maar toch voelde de terugweg als een grote schaduw over hun plannen. Het idee om terug te keren naar werk, routines en een leven vol zorgen, het leven met kanker, was bijna ondraaglijk. Ze zuchtte en keek naar de tafel vol spullen. “Nou, laten we ons eerst maar zorgen maken over hoe we dit allemaal mee gaan nemen. De terugweg komt later wel.” Fred glimlachte. “Dat klinkt als een plan. Eerst vooruit, dan pas achteruit.” Hoofdstuk 20: MORGEN….. “Ik val en ik struikel. Ik stuntel en ik duikel. Ik haper en ik klooi, maar hé, ik doe het toch maar mooi!” Anna mompelde de woorden voor zichzelf terwijl ze een stapel fietskleding in een tas propte. De laatste week voor hun vertrek had haar hoofd overuren gemaakt. Werken tussendoor, media-aandacht van tv, krant en radio, en ondertussen ook nog inpakken, opruimen en organiseren wat mee moest op de fiets, in de camper en in de aanhanger. Het was alsof ze drie puzzels door elkaar probeerde te maken met maar één hand. “Hoe gaat het daar?” vroeg Fred vanuit zijn stoel, waar hij bezig was met de laatste route-aanpassingen. Anna zuchtte en liet zich op de bank vallen. “Ik weet het niet meer. Moeten de extra thermokleding en de schoenen toch mee op de fiets of toch met Chris mee als hij volgende maand komt met de camper? Of toch met Marcel als hij spullen meeneemt als we in de buurt van Parijs zijn? En hebben we nu echt alles?” Fred keek haar glimlachend aan. “Relax, je weet toch, wat je vergeet, hebben we niet nodig. En wat we meenemen, raken we ook vaak kwijt.” Anna schudde haar hoofd met een glimlach. “Bedankt voor de wijsheid, Confucius op wielen.” Naast alle praktische drukte was er ook nog het kunstproject. Een afspraak met de gemeente was eerder deze week allesbehalve inspirerend geweest. “Zoveel mensen moeten er ‘overheen pissen’,” had Anna gemopperd na de vergadering. “Waarom is het altijd zo moeilijk om iets positiefs voor elkaar te krijgen?” Fred knikte begripvol. “Het zijn gewoon stappen, Ann. Zware, frustrerende stappen. Maar je weet, we hebben een lange adem.” Later in de week was er een grote Teams-afspraak met de gemeente, ProRail, de kunstenaar en de kunstcommissie. De feedback was niet mals: geen toestemming, te weinig zicht, de trapopgang zou niet zichtbaar genoeg zijn. Sommige punten waren terecht, maar het voelde alsof ze opnieuw vanaf nul moesten beginnen. “Toch hebben we een ingang gevonden,” zei Fred later. “Het is niet precies wat we wilden, maar we kunnen verder. Van een uitgewerkt plan gaan we terug naar een verzoek. Onze snelheid kunnen ze gewoon niet aan.” Anna haalde diep adem. “We hebben een lange adem,” herhaalde ze, “maar gelukkig nemen we die mee naar Lourdes.” De avond voor vertrek hing er een spannende stilte in huis. Anna zat op de bank en keek naar de katten, die lui lagen uitgestrekt op hun benen “Hoe ga ik dit nou twee maanden volhouden?” vroeg Anna zacht, terwijl ze een van de katten een aai over zijn kop gaf. Hij rekte zich uit en spinde luid, alsof hij haar wilde geruststellen.”Het voelt... alsof ik ze in de steek laat. Denk je dat ze me missen?” Fred grinnikte. “Jij wordt misschien een week gemist, maar daarna hebben ze alleen nog maar oog voor degene die het eten geeft.” Ze lachte zacht, ondanks de brok in haar keel. De oppas was perfect, liefdevol, betrouwbaar, en hij kende de katten door en door. Maar afscheid nemen bleef moeilijk. Anna boog zich voorover, gaf de kleinste kat een kus op haar koppie en fluisterde: “Ik ben zo weer terug, jongens. Echt.” Later die avond was eindelijk alles ingepakt, gecontroleerd en dubbel gecheckt. De oefenrondjes met volle bepakking waren gedaan. Zelfs de fiets leek er klaar voor. Maar de reis zelf voelde ineens groter dan ooit. Anna keek naar de tafel waar de spullen klaarstonden. “Morgen vertrekken we,” zei ze zacht. Fred knikte, zijn blik naar buiten gericht. “Ja, morgen. Spannend, hè?”Anna knikte. “Heel spannend. Maar we doen het. En het gaat goedkomen, toch?”Fred draaide zich naar haar toe. “We doen het samen. Hoe dan ook.” Ze keken nog één keer naar de georganiseerde chaos om hen heen. De volgende ochtend zouden ze vertrekken, de eerste trappen zetten op een reis vol onzekerheid, maar ook vol hoop en nieuwe herinneringen. Het avontuur begint nu Hoofdstuk 21: VERTREK De ochtend voelde anders. De lucht leek zwaarder, de stilte intenser. Anna en Fred waren vroeg wakker en het voelde vreemd onrustig. Was dit de laatste keer dat ze thuis wakker werden voor een reis als deze? Anna werkte in stilte, haar vingers vakkundig terwijl ze wonden verzorgde en stoma’s opnieuw plakte. Fred lag stil, maar zijn ademhaling verraadde een onderhuidse spanning. Ook bij deze nuchtere Groninger. “Dit is het dan,” zei Anna zacht. Fred knikte. “Ja. De laatste keer spullen aan de fiets hangen. Laatste keer twijfelen of we alles hebben ingepakt. En dan de vele vragen… Zal het echt de allerlaatste lange tocht worden? Zal Fred het kunnen uitrijden? Zal Anna de reis vol kunnen houden? De vragen bleven onbeantwoord in de lucht hangen. Ze zullen alleen beantwoord kunnen worden door de tijd… Toen de fietsen klaarstonden en de tassen waren vastgesjord, was het tijd om echt te vertrekken. Bij de Olle Grieze wachtte een kleine groep uitzwaaiers hen op. Vrienden en familie, met koffie in de hand en woorden van aanmoediging op hun lippen. Ze maakten foto’s, lachten om kleine grapjes, maar Anna voelde hoe haar keel dichtkneep toen ze aan het naderende afscheid dacht. Toen was het tijd om op zoek te gaan naar de Sint Jozefkathedraal, waar ze een afspraak hadden met Victor Maagd. Bij de voordeur van de kerk had zich een kleine groep mensen verzameld, die nieuwsgierig uit elkaar ging toen de pastoor in zijn gewaad naar buiten kwam. Hij las een kort stuk voor over het op weg gaan van pelgrims en de steun die hen zou begeleiden op hun reis. De pastoor prevelde zijn zegen en zwaaide met een zwarte, harige borstel de zegendruppels zachtjes over Fred, Anna en hun fiets. Het was een moment van stilte en betekenis, een gevoel dat ze nu echt op weg werden gestuurd. Fred keek naar Anna en grijnsde lichtjes. “Met Christoffel aan onze fiets, toch?” Anna glimlachte. “Ja. En een flinke portie hoop in onze zakken.” Ze vertrokken samen met Mark, hun eerste meefietser, de mistige ochtend in. De wereld om hen heen leek verdwenen, opgeslokt door een grijze waas. Het was alsof ze fietsten door een wereld die nog niet helemaal gevormd was. “Zie jij iets?” vroeg Anna, terwijl ze naar de vage contouren van het pad keek. Fred zuchtte, zijn adem zichtbaar in de kou. “Alleen mijn eigen adem. Misschien is dit wel onze reis: de weg naar wat je niet ziet.” De stilte om hen heen was bijna tastbaar, en toch voelde het niet leeg. Zelfs de reeën die onverwacht over de weg staken, leken verstild, hun bewegingen traag en bedachtzaam door de kou. Bij aankomst in Assen voelde de warmte van het hotel bijna surrealistisch. Ze werden vriendelijk ontvangen, en na een kop koffie nam Mark afscheid. Anna en Fred fietsten naar de verste kamer van het terrein – voor hen perfect, want de fiets kon recht voor de deur staan. “Morgenochtend fietsen we naar het ontbijt,” zei Fred, zijn stem vermoeid maar luchtig. Ze nestelden zich in de kamer, eindelijk een moment van rust. De spanning van de dag gleed langzaam van hen af. Berichtjes werden gelezen, de dag werd besproken, en een zachte stilte viel over hen heen. “Morgen weer verder,” zei Anna, terwijl ze haar hoofd tegen Freds schouder legde. Fred knikte. “Verder naar... alles wat nog komt.” Hoofdstuk 22: BERMUDADRIEHOEK IN ACTIE... De nacht was allesbehalve rustig. De kussens waren te hard, of juist te zacht. Het dekbed was of te warm, of te koud. Anna had te lang op haar telefoon gezeten, met al die kleine regeldingen die ineens ‘s nachts dringend leken. Maar vooral waren het de zorgen die haar wakker hielden. Zorgen over Fred, hoe lang zou hij dit volhouden? Zorgen of zij het zelf wel aankon, fysiek, emotioneel, alles. En dan waren er nog de zorgen over thuis. Haar vader was tenslotte al 87, zou hij zich niet al te eenzaam voelen? Geen muizenissen, dacht Anna, maar grote muizen die de stilte van de nacht in stukken beten. Toen de wekker ging, voelde Anna zich allesbehalve uitgerust. “Slecht geslapen?” vroeg Fred terwijl hij haar een slaperige blik toewierp. Anna knikte en haalde diep adem. “Ja, het was alsof mijn hoofd een stormbaan was. Maar goed, nieuwe dag.” Deze begon met een onverwachte wending. Om half acht werd Anna gebeld door 100% NL, een nationale radiozender. Ze mocht vertellen over hun tocht en waarom ze dit deden. Nog half slapend gaf ze antwoord op de vragen en vertelde ze hun verhaal nog een keer, terwijl Fred zich lachend aankleedde op de achtergrond. Alweer hetzelfde verhaal vertellen… “Het is een spelletje,” fluisterde ze naar Fred terwijl ze haar hand over haar telefoon legde. “Ze willen dat luisteraars raden wat waar is.” Fred grijnsde. “Nou, vertel ze dat je met een Michelinpoppetje door de kou fietst. Kijken of iemand dat gelooft.” Na het ontbijt en een kop koffie met een oude vriend was het tijd om op pad te gaan. Maar het leek alsof deze dag een spelletje met hen speelde. Dingen raakten continu kwijt. Handschoenen die ineens in een rugzak waren gekropen, de belangrijke fietssleutel die zomaar verdwenen leek maar later nog in de fiets zat en zelfs een sleutelkaartje die Fred niet meer terug kon vinden. “Waar zijn nou weer mijn oordopjes?” riep Anna gefrustreerd, terwijl ze in haar tas graaide.Fred zuchtte. “Misschien zijn al onze spullen met elkaar gaan samenspannen. Dit is gewoon sabotage.” Het was vermoeiend, en de frustratie begon op te lopen. Maar uiteindelijk kwam alles weer boven water. Het was er wel, alleen ergens anders. “In de bermudadriehoek die met ons meereist” zei Anna schaterend. De route van vandaag was 51 kilometer, lang genoeg, zeker omdat het na drie uur in de middag rap kouder werd. Het landschap was adembenemend, vol rijp dat alles een sprookjesachtige glans gaf. Ze fietsten langs een veld met kerstbomen, bedekt met een witte laag, en stopten even om het uitzicht in zich op te nemen. “Het lijkt wel een kerstkaart,” zei Fred zacht. “Winterwonderland” zei Anna. Die middag hadden ze ook iets nieuws ontdekt: ze waren ineens bekende mensen. In een café tijdens de lunch werden ze aangesproken door een vrouw die hen had herkend van de krant. “Jullie zijn dat stel dat naar Lourdes fietst, toch?” vroeg ze enthousiast. Anna knikte, een beetje verbaasd. “Ja, dat klopt.” De vrouw begon te vertellen hoe bijzonder ze het vond, hoeveel moed het vergde en hoe ze het verhaal aan haar vrienden had verteld. Het gesprek was warm en vrolijk, een onverwacht moment van verbinding. Later die middag, op een landweggetje, wenkte een man die met zijn vrouw wandelde. “Ik heb jullie op tv gezien! Jullie zijn geweldig bezig!” riep hij, met een brede glimlach. Fred grijnsde naar Anna terwijl ze verder fietsten. “Zie je wel? We zijn beroemd. Misschien vragen ze straks handtekeningen.” Anna lachte. “Prima. Maar dan wel in ruil voor een overnachting". Het waren deze kleine momenten die de zwaarte van de dag verlichtten. Mensen herkenden hen, spraken hen aan, moedigden hen aan. Het gaf een gevoel van verbondenheid, alsof hun tocht niet alleen van henzelf was, maar ook een beetje van iedereen die hen volgde. Bij aankomst in het hotel bracht een oude, schokkende lift hen naar hun kamer. Fred was zichtbaar moe. “Die lift beweegt net zo stroef als ik me voel,” mompelde hij terwijl hij moeizaam naar de kamer liep. De dag had zijn tol geëist. Freds stomaplakken hadden een slechte dag, de huid was rood en pijnlijk, en zijn darmen werkten te goed. “Bijtend,” zoals Fred het beschreef. Anna hielp hem met geduld en zorg, maar de spanning was voelbaar. Dit was geen vakantie. Dit was hard werken, fysiek en emotioneel. In het hotel was er geen uitgebreid diner, maar een soepje in de waterkoker en met een tosti bleek dat precies wat ze nodig hadden. “Ik zeg… gelukt,” zei Anna met een glimlach. “Dat kan dus ook.” Fred glimlachte flauw. “En het voordeel: we hoeven nu geen berg groente mee te slepen.” Anna lachte. “Morgen maar weer op vitaminejacht. Voor vandaag is dit prima.” Die avond, terwijl de spullen langzaam een plek kregen en ze eindelijk hun zware kleren uittrokken, voelde Anna pas de zwaarte van de dag. De kou, de vermoeidheid, de eindeloze kleine dingen die fout leken te gaan, alles zat in haar lichaam. Dit was niet zomaar een reis. Het was spannend, vermoeiend, en vol onzekerheden. Haar gedachten flitsten van het ene naar het andere: Freds gezondheid, hun einddoel, de vraag hoe lang ze dit konden volhouden. Fred zat op het bed en trok langzaam zijn sokken uit. Zijn gezicht zag er vermoeid uit, maar er zat een glinstering in zijn ogen. “We hebben het gered,” zei hij zacht, alsof hij haar gedachten had gelezen. Anna keek op en glimlachte flauwtjes. “Ja, maar het is zwaar.” Ze leunde achterover tegen de muur en sloot even haar ogen. “Hoe ver komen we, Fred? Echt?” Fred bleef even stil en keek naar haar. Toen pakte hij haar hand en kneep er zachtjes in. “Ver genoeg,” zei hij uiteindelijk. “Ver genoeg om alles mee te maken wat we nog willen.” Anna opende haar ogen en keek naar hem. Er was iets in zijn stem, een vastberadenheid die sterker was dan de twijfels in haar hoofd. Ze zuchtte diep, niet alleen van vermoeidheid, maar ook van een klein beetje opluchting. Morgen zou er weer een dag zijn. De route lag klaar, de spullen stonden deels nog gepakt, en de kou wachtte op hen. Maar voor nu, in dit kleine, eenvoudige hotelkamertje, was er rust. En het spotten van 3 wolven in de verte in de mist maakte de dag toch onvergetelijk.. Hoofdstuk 23: Eesveen naar Zwolle, 3de dag De dag begon verrassend rustig. Het leek alsof de Bermudadriehoek, die normaal al hun spullen opslokte, even op vakantie was. Alles lag op de plek waar het hoorde, en dat alleen al gaf een goed gevoel. Bij het ontbijt keek Fred vanaf zijn stoel naar de buffettafel. “Ik voel me net een koning,” zei hij met een grijns. “Jij haalt alles voor me, en ik hoef alleen maar te kiezen.” Anna rolde met haar ogen terwijl ze opstond. “Een koning, hè? Oké, wat mag ik deze keer brengen, majesteit?” Fred leunde achterover en keek naar de tafel. “koffie, sapje, spek en ei, kwark en iets lekkers voor erbij. Maar niet té gezond, hoor.” zei hij met een knipoog. Anna lachte. “Dus eigenlijk alles wat los en vast zit. Komt voor elkaar.” Terwijl ze bij het buffet stond, keek ze af en toe om naar Fred, die vrolijk naar haar zwaaide. Toen ze terugkwam met een goedgevuld bord, boog ze zich naar hem toe. “Alstublieft meneer. Maar als je meer wilt, mag je zelf gaan.” “Wat wil je vanavond eten?” vroeg Anna terwijl ze een slok thee nam. Fred dacht even na en leunde achterover. “Iets makkelijks. Groente in een wrap? Iets wat niet teveel gedoe is.” Anna pakte haar telefoon en begon te typen. “groente, wrap, salade... Oh, en we hebben nog beleg nodig.” Fred grijnsde. “En chocola. Dat is een eerste levensbehoefte, toch?” Anna rolde met haar ogen. “Natuurlijk. Chocola is onmisbaar. Iets anders?” Ze lachten samen, en met een halfvolle kop koffie en een volgeschreven lijstje waren ze klaar om de supermarkt in Zwolle aan te vallen, efficiënt en zonder teveel gedoe want supermarktwinkelen is nou niet echt een hobby van Anna. Pas om 11 uur verlieten ze het hotel. Het optuigen van de fiets blijft een uitdaging. Het heen en weer slepen van tassen en spullen voelde soms als een eindeloze herhaling. Anna’s schouders protesteerden luid, maar ze besloot dat ze vanavond alle kussens mocht claimen als beloning. De weg was opnieuw gehuld in een grijze waas. Mistig, dauwig, heiig, het leek alsof de wereld zelf nog niet helemaal wakker was. Fred vond de lange rechte wegen eentonig, en Anna knikte instemmend, al was ze meer bezig met de wind. “Volgens jou waait het niet,” zei ze terwijl ze zich schrap zette tegen een vlaag. “Maar ik zit hoger op de fiets en ik waaide bijna van mijn zadel!” Fred grijnsde. “Dan ben ik benieuwd wat je zegt als het écht gaat waaien.” Ze fietsten verder, omringd door stilte en het zachte geluid van banden op het asfalt. Het was droog, op de druppels smeltend ijs na die vanaf de bomen op hun hoofden vielen. Maar zelfs dat kon de magie van de tocht niet verstoren. De mist gaf een dromerig gevoel, alsof de wereld kleiner was en alles om hen heen even werd uitgefilterd. “Het is gek,” zei Anna, “maar in de mist klinken mijn muizenissen anders. Het is alsof de wind ze uit elkaar trekt en ze minder zwaar maakt.” Fred knikte. “Dat is het mooie van fietsen. Het ruisen in je oren overstemt de chaos in je hoofd.” De aandacht voor hun tocht bleef groeien. Onderweg bleven mensen hun aanhouden en begonnen praatjes. Super leuk. Vanmiddag hadden ze een interview op NPO 5, en er was zelfs contact met een nationale tv-zender. “Het is grappig,” zei Anna terwijl ze een slok water nam tijdens een pauze. “Nu is het nog leuk. Hopelijk blijft het zo en krijgen we niet opeens camera’s in ons gezicht terwijl we net met een lekke band staan als we al mopperend en scheldend elkaar in de haren vliegen” Maar de aandacht voelde wonderlijk genoeg goed, alsof mensen echt begrepen wat hun reis betekende. Het gaf een gevoel van verbinding, van iets groters. Ze bereikten hun bestemming met vermoeide benen maar opgeladen hoofden. De mist had de muizenissen een andere klank gegeven, de wind had ze weggeblazen, en de kleine overwinningen van de dag, van media-aandacht tot lieve berichtjes van thuis, hadden de tocht weer bijzonder gemaakt. Toen ze de nieuwe slaapplek binnenstapten, leek het alsof ze een oase betraden. Het hotel zag er modern uit, en de kamer was meer dan ze hadden durven hopen. Een hoog bed dat perfect was voor Freds verzorging, een ruime inloopdouche, een koffiecorner en zelfs een koelkast. “Dit is bijna te luxe,” zei Anna met een grijns terwijl ze vermoeid op het bed plofte. “Als dit zo doorgaat, nemen we nooit meer een tent mee.” Fred schoot in de lach. “Ik denk dat het concept ‘tent’ sowieso afvalt bij -3 graden, helaas, maar dit... dit is wel echt even fijn.” Hij draaide zich om naar de koffiecorner. “En koffie. Echte koffie. Geen thermoskannetjes meer. We zijn gered.” Fred leunde achterover op het bed en sloot even zijn ogen. “Weet je wat het mooiste is? Dat hoge bed. Jij hoeft niet meer te bukken, en ik hoef niet meer te horen hoe je zucht als je weer omhoog komt.” Anna gaf hem een speelse tik op zijn been. “Dank je wel voor die subtiele opmerking. Maar je hebt gelijk. Dit is echt beter.” De beslissing om hier twee dagen te blijven, voelde als een zegen. Het optuigen en afbreken van de fiets, het heen en weer slepen van spullen, het hoefde even niet. Ze zaten samen op het bed. Anna nam een slok thee en keek naar Fred. “Hoe voel jij je eigenlijk vandaag? Beetje opgeladen?” Fred dacht even na. “Ja, eigenlijk wel. Dit is goed. En jij? Kun je het allemaal een beetje loslaten?” Anna haalde haar schouders op. “Loslaten blijft moeilijk. Vooral ‘s nachts, als de zorgen op je af komen. Maar nu, hier... het voelt even rustig. Alsof alles een paar passen achter ons blijft.” De kamer bood hen niet alleen rust, maar ook ruimte om vooruit te kijken. Er stond geen druk op hun schouders, behalve die van een goede planning voor de komende dagen. “Wist je dat ik hier best aan kan wennen?” zei Fred, terwijl hij een nieuwe koffiemok vulde. Anna grinnikte. Ze zei niks maar hoopte dat t nog heeeeeel lang zou duren. Zo zaten ze daar, met hun voeten omhoog en een rustige kamer om hen heen. De rustdag was geen luxe, maar een noodzaak. En het was precies wat ze nodig hadden. Ze lachten samen en keken tv, en even leek de wereld licht, helder en vol oneindige mogelijkheden. Hoofdstuk 24: Rustdag en Zwolle naar Vierhouten De rustdag kwam als geroepen. De kou vrat energie, en Freds gezondheid bleef een uitdaging. Een dag zonder kilometers op de fiets was geen luxe, maar pure noodzaak. Gelukkig waren de mensen in het hotel ontzettend lief en behulpzaam. Hoewel, het gesleep met de spullen bleef een dingetje. De fiets moest naar de stalling, de tassen op een bagagekar, alles heen en weer. Anna’s schouders protesteerden luid, maar ze mopperde er niet teveel over. “Ik heb nu een claim op alle kussens,” zei ze grinnikend tegen Fred. De vrije dag werd goed benut met een bezoek aan een museum in Zwolle. Bij de entree werden ze begroet door hartelijke supposten. “Wat een fijne mensen,” zei Anna, terwijl ze een praatje maakten. De expositie van Werefkin, een expressionistische kunstenares uit Rusland, was een schot in de roos. “Die kleuren!” zei Anna, terwijl ze bijna in de schilderijen leek te verdwijnen. Fred keek glimlachend toe. “Dan weet ik weer waarom ik dat ene shirt met al die felle strepen zo leuk vind. Misschien ben ik stiekem ook een beetje expressionistisch.” Anna lachte en gaf hem een speelse duw. “Expressionistisch, jij? Alleen als het betekent dat je kleren schreeuwen wat je denkt.” Fred trok een bedenkelijke blik. “Nou, dat is toch best logisch? Mijn oranje sokken zeggen ‘ik ben vrolijk’, mijn groene broek zegt ‘ik ben avontuurlijk’, en mijn blauwe trui... die is gewoon warm.” Anna schudde haar hoofd lachend. “En wat zegt die ene veel te felle reflecterende jas van je? Dat je in het donker niet wil verdwalen?” Fred grijnsde. “Nee, die zegt: ‘Kijk, hier ben ik!’ Ik ben tenslotte een levend kunstwerk.” Het Herman Brood Museum was helaas gesloten. “Misschien maar goed ook,” zei Fred. “Twee musea op één dag? Jij zou overprikkeld raken, en ik duizelig van al die drukte.” Anna knikte. “Klopt. Dit is wel genoeg. Maar wat fijn dat het goed ging. Geen dizzy Fred vandaag!” Na een stop bij de supermarkt reden ze terug naar het hotel, waar ontspanning op het programma stond. Fred lag veel, en Anna haalde haar kleurpotloden tevoorschijn. Zelfs in hun overvolle bagage was er een plekje gereserveerd voor haar creatieve uitspattingen. Driftig zat ze aan tafel te tekenen terwijl Fred naar het plafond keek. “Wat teken je nu?” vroeg hij. “De bermudadriehoek, met al onze spullen erin,” antwoordde Anna met een lach. Fred knikte. “Lijkt me een bestseller.” Na een avondje televisiekijken en een goede nachtrust voelde het duo zich weer opgeladen. Hoewel de ochtend begon met regen, ging de zon aan, net op tijd voor Anna om de fiets weer op te tuigen. De route ging richting Vierhouten, en omdat supermarkten schaars waren, maakten ze vroeg een stop om eten te halen. Fred zat op de fiets buiten te wachten, dik ingepakt tegen de kou. Zijn adem maakte kleine wolkjes in de lucht terwijl hij naar de supermarktdeur keek. Anna was al tien minuten binnen. Hij kon haar bijna horen mopperen terwijl ze door de schappen dwaalde. Na nog eens vijf minuten kwam Anna naar buiten met een volle tas in haar handen en een licht geïrriteerde blik. “Waarom liggen komkommers in de ene winkel links en in de andere helemaal achterin bij de melk? Het lijkt wel alsof ze het expres doen om mij gek te maken.” Fred grijnsde. “Misschien is het een test. Supermarkt-survival voor gevorderden.” Anna pakte de boodschappen in het aanhangwagentje en trok haar handschoenen aan. “Nou, ik geef ze een zes min. Alles ligt op plekken waar het niet hoort, en ze hebben niet eens de zoete aardappel die ik wilde.” Fred keek haar quasi-serieus aan. “En wie gaat dit allemaal eten? Wij of jouw innerlijke perfectionist?” Anna zuchtte, maar schoot uiteindelijk in de lach. “Ik. En mijn innerlijke perfectionist. Maar jij mag straks helpen koken. Deal?” “Deal,” zei Fred met een brede glimlach. "Ik geef die zoete aardappel wel wat extra liefde.” Onderweg kwamen ze door een bos waar zware geluiden klonken, bommen en schoten, oefening van defensie. Wegen waren afgesloten, dus er moest flink omgereden worden. “Dit maakt het spannend,” grapte Fred. De kosmos had dus een dikke vinger in de pap, en zo kwamen ze bij een bankje terecht om een broodje te eten terwijl er er twee vrouwen langs kwamen. “Wat een mooie fiets,” zei een van hen, terwijl ze bleef staan kijken. Fred glimlachte. “Ja, het is een bijzondere fiets. We fietsen ermee naar Lourdes.” “Lourdes? Wauw, wat een avontuur,” zei de ander, zichtbaar onder de indruk. Ze maakten een praatje, en het bleek dat de vrouwen schrijvers waren. Anna schoot rechtop. “Schrijvers? Wat leuk! Wat voor boeken schrijven jullie?” Na het opzoeken van de titels sprong Anna op. “Wacht, die ken ik! Ik heb dat boek gelezen!” Ze lachte verbaasd. “Wat bijzonder dat ik jullie nu hier tegenkom!” Toen ze weer verder fietsten, keek Anna naar Fred. “Zie je wel, dat krijg je alleen als je zo’n bijzondere fiets hebt. Die kosmos moeten we te vriend houden.” Fred grijnsde. “Of misschien moeten we gewoon vaker verdwalen. Je weet nooit wie je tegenkomt.” Bij een gezellig restaurantje, de Ossenstal, maakten ze een pitstop. Dat was eigenlijk niet de bedoeling maar vandaag leken de kilometers langer dan anders. Het was er warm en de bediening was vriendelijk en zorgzaam, wat een fijne onderbreking van de dag was. Bij aankomst in het hotel wachtte opnieuw het bekende riedeltje: inchecken, uitpakken en alles een plek geven. Het bagagekarretje, compleet onder de modder door de omwegen, werd direct grondig gereinigd door een hotelmedewerker. “Wat een service,” zei Anna met bewondering. “Zullen we de fiets er ook even bijzetten?” voegde Fred grijnzend eraan toe. De kamer bleek heerlijk, met een bed dat zo fijn was dat ze allebei een zucht van opluchting slaakten. “Het lijkt wel alsof de bedden steeds beter worden,” zei Anna terwijl ze zich uitstrekte. Fred glimlachte. “Misschien is dat de truc. Hoe vermoeider je bent, hoe fijner het bed voelt.” Anna glimlachte zachtjes en keek naar Fred, die ontspannen tegen de kussens leunde. “Misschien is het gewoon een beetje geluk,” zei ze. “En dat is precies wat we nodig hebben.” Ondanks alles, de ziekte, de kou, en de reden van hun reis, voelden ze zich gelukkig. Het was fijn om samen op stap te zijn, te ontsnappen aan de dagelijkse sleur, en even alleen maar te leven in het nu. Ze voelden zich rustig, berustend, en tegelijkertijd vol leven. De dag eindigde in stilte, met het warme besef dat dit moment van samenzijn alles was wat telde. Morgen lag klaar, met nieuwe wegen en nieuwe avonturen, maar voor nu genoten ze volop van het hier en nu. Hoofdstuk 25: Van Vierhouten naar Ede DOOR DE WIND, DOOR DE REGEN, DWARS DOOR ALLES HEEN... De ochtend begon uitgerust. Het bed had opnieuw heerlijk geslapen, alsof het speciaal voor hen gemaakt was. Maar toen begon het bekende ritueel: spullen bij elkaar rapen, inpakken, naar beneden slepen, de fiets ophalen en optuigen. Anna voelde de inspanning al in haar schouders terwijl ze laag na laag kleding aantrok. Kleding over kleding, alles om de kou te trotseren. En toch brak het zweet haar uit, niet van de warmte, maar van het gevecht met al het plastic om het droog te houden. Eindelijk zaten ze dan op de fiets. Het was wat spetterend droog maar de verwachtingen waren niet zo gunstig. Maar voor nu kon Anna even lekker afkoelen in de wind. Het duurde maar even en daar kwam de regen als een sluier naar beneden, eerst zachtjes, bijna vriendelijk, maar al snel voelde het als honderden kleine naalden die hun gezicht prikten. Het water kroop langs haar kraag naar binnen, ijskoud en genadeloos. Wat een weer he?! Toch wel heel anders dan de kou aan het begin van onze monstertocht riep Anna tegen de wind in. Fred keek achterom en glimlachte . “Het is wel... expressionistisch, nietwaar? Jij met je felle blauwe regenjas en die grijze lucht. Je lijkt wel een schilderij… Zo fietsten ze expressief en kleurrijk richting Ede, de bestemming van vandaag. Het fietsen leek na verloop van tijd bijna meditatief. Praten met elkaar lukte bijna niet door het vervliegen van de stemmen, dus ze zaten elk in hun eigen bubbeltje. Het fietsen dwingt je in het moment, dacht ze. Geen ruimte voor afleidingen, geen plek voor chaos. Alleen trappen, ademen, doorgaan. Ineens was het niet alleen water wat over Anna’s gezicht naar beneden drupte. De regen vermengde zich met tranen, niet uit verdriet, maar uit iets groters. Iets wat niet in woorden te vangen was. Misschien was het de zwaarte van alles, hun reis, hun situatie, hun toekomst maar misschien was het ook de eenvoud van het moment. Regen op haar gezicht, wind in haar oren, en Fred, daar voor haar. Samen, zonder woorden, op weg naar wat nog komt. En toch, terwijl ze trapte, voelde ze ook iets anders. Een soort opluchting, alsof de regen haar hielp om los te laten wat ze niet meer vast kon houden en met elke druppel leek haar hoofd een stukje lichter te worden De Veluwe liet zijn bewoners vandaag niet zien, alsof de dieren besloten hadden dat het weer te guur was om zich te vertonen. Alleen een brutaal eekhoorntje waagde zich even op het pad, staarde hen onderzoekend aan, en verdween toen snel weer tussen de bomen. “De zwijntjes liggen vast diep weggedoken in hun ketels,” zei Fred, terwijl zijn ogen over het landschap gleden. “En de herten? Die liggen waarschijnlijk uit de wind, verstopt tussen de struiken en bosschages.” Anna blies de druppels van haar gezicht. “En de wolven? Die blijven ook binnen, stijf tegen elkaar aan, tenzij ze écht honger hebben. Wat eerlijk gezegd slim is. Ik snap ze wel.” “Ja” zei Fred “maar zij hoeven ook niet naar Lourdes.” Ze trapten verder, omgeven door de schoonheid van het landschap, maar het voelde een beetje leeg zonder het leven dat normaal zo dicht onder de oppervlakte lag. “Het is zo jammer,” zei Anna zacht. “Dit is zo’n bijzonder stukje Nederland. Het is alsof je het mist als je het wild niet ziet.” “Maar ze kijken vast stiekem naar ons, vanuit de struiken. Misschien denken ze: wat een rare, kleurrijke vogels zijn dát! En daar hebben ze ook gelijk in.” Anna lachte, maar het gemis bleef. Hoeveel keer zouden ze dit prachtige gebied nog kunnen doorkruisen? Ze hoopte dat ze, op een helderdere dag, alsnog oog in oog zouden staan met de bewoners van deze bijzondere plek. Voor nu moesten ze het doen met de wetenschap dat ze er wél waren, verborgen en veilig in hun eigen Veluwse schuilhoeken. De regen en wind bleven om hun oren gieren terwijl ze verder fietsten, met het vooruitzicht van een warm huisje dat op hen wachtte. Of dat dachten ze tenminste. Bij aankomst stapte Anna, druipend als een verzopen kat, de receptie binnen. Een kleine plas water vormde zich rond haar voeten terwijl de receptioniste opkeek. “Het regent” zei Anna met een lach. “Ik heb geen goed nieuws. Uw boeking is niet goed doorgekomen,” zei het meisje met een beleefde glimlach en we kunnen u niet in het huisje laten. Anna slikte een stevige mopper in, trok een geforceerde glimlach en zei cynisch, “Oh, natuurlijk niet. Dat zou te makkelijk zijn.” Fred zat buiten in de stromende regen op de fiets. Toen Anna hem naar het restaurant bracht om te zien wat ze konden regelen, liet hij daar zijn eigen kleine regenplas achter op de vloer. “Ze kunnen me beter een dweil geven,” mompelde hij terwijl hij ging zitten. Anna keerde terug naar de receptie, vastbesloten aardig te blijven. “Misschien kunt u toch even iets regelen? Ik heb een zieke meneer in het restaurant zitten die inmiddels verdacht veel op een waterkanon begint te lijken als we nog langer moeten wachten.” Uiteindelijk kwam er een oplossing, en terwijl ze eindelijk naar hun huisje fietsten, was de lucht in hun hoofden weer een beetje opgeklaard. Nu nog buiten… Hoofdstuk 26: Ede naar Winssen PLAKKEN IN DE VERGADERZAAL De vrije dag van gisteren had niet echt gebracht waar Anna op hoopten. Rust was schaars, want er was altijd wel iets te doen, te regelen of opnieuw in te pakken. En rust staat nou eenmaal niet in haar woordenboek. Maar vandaag, met het karretje even achterwege gelaten, voelde het alsof ze vleugels hadden. De route naar Winssen ging als een speer. Het zonnetje piepte af en toe door de wolken en verwarmde hun gezichten, en de natuur leek even vriendelijker dan de dagen ervoor. Het was bijna alsof de wereld hen een kleine pauze gunde. “Zonder dat karretje voelt het ineens alsof we op een racefiets zitten,” zei Fred met een grijns, terwijl hij zijn tempo opvoerde. Anna lachte. “Geniet ervan, want morgen zitten we weer met de halve inboedel achter ons!” Fred mopperde ineens vanaf de voorstoel. “Fiets maar door, hoor. We hebben lekkage. Weer die stomazooi overal. "Alles zit eronder, pfff… wat een ellende.” Anna remde af en zuchtte diep. “Serieus? Kunnen we dit niet één dag overslaan? Ik kan er soms zo moedeloos van raken” “Blijkbaar niet,” bromde Fred. “Mijn darmen hebben daar andere ideeën over.” Ze reden snel door tot het restaurant, gelukkig was dat niet al te ver meer, en Fred vroeg vriendelijk aan de bediening of ze een plekje konden gebruiken om te plakken. Ze werden naar een vergaderzaal gebracht, een keurige ruimte met een lange tafel en leren stoelen. Fred keek naar de ruimte en trok een wenkbrauw op. “Chique plek om jezelf opnieuw in elkaar te zetten,” zei hij droog. Anna had haar handen al vol met plakkers en doekjes. “Nou, je ligt tenminste lekker ruim,” grapte ze terwijl ze hem op de tafel installeerde. Fred lag daar, zijn stomazaken overal verspreid, terwijl Anna geconcentreerd aan het werk ging. “Het lijkt hier wel een operatiekamer,” zei Fred met een scheve glimlach. Anna giechelde terwijl ze de plakkers stevig aandrukte. Fred schoot in de lach, ondanks de situatie. “Ik hoop dat je die vergadering die hier straks begint wel even waarschuwt dat ze mijn geur niet als nieuwe luchtverfrisser moeten zien.” Toen alles weer schoon en geplakt was, ruimden ze de tafel netjes op en liepen ze samen de zaal uit naar beneden want daar stond een lunch gepland met kennissen, en het werd een warm en gezellig samenzijn. Er werd gelachen en Anna en Fred merkten hoe fijn het was om even de focus van de reis te verleggen naar simpelweg genieten van elkaar en anderen. Na de lunch kwam Chris Fred en Anna weer ophalen en bracht hen terug naar het huisje. Eenmaal daar nam hij het voortouw in de keuken en kookte een 5 sterren diner. Het was heerlijke pasta met gorgonzola, precies wat ze nodig hadden. Samen zaten ze aan tafel, lachend, pratend en genoten van het eten. “Dit is zó lekker,” zei Anna, terwijl ze een grote hap nam. Maar ineens trok ze een pijnlijk gezicht en legde haar vork neer. “Au, ik beet op mijn tong!” Fred keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Dat moet wel héél lekker zijn als je jezelf erbij op wilt eten.” Anna grinnikte ondanks de pijn en stak haar bloederige tong naar buiten. “Nou, nu kan ik niks meer eten. Ik bewaar maar wat voor morgenvroeg. Fred schoof haar bord iets dichter naar zich toe, met een quasi-onschuldige blik. “Ik weet niet of het eten dat overleeft tot morgenvroeg. Maar ik zal mijn best doen.” Anna rolde met haar ogen. "Als je dat maar laat. Maar het is ondanks mn tong toch jammer dat we onze kok weer moeten laten gaan. Ik zou wel willen blijven in dit huisje met verzorging” Chris keek op van zijn bord. “Geen zorgen, ik stuur jullie morgen gewoon weer de kou in.” Fred schoot in de lach. “Dat is echte liefde, jongen.” Na het eten was het tijd om orde op zaken te stellen. Spullen die ze niet meer nodig hadden, werden uitgezocht en ingepakt om terug naar huis te gaan. Het was een lastig gevoel om afscheid te nemen van dingen die je heeeel misschien nog nodig zou kunnen hebben, maar ze lieten een stukje ballast achter en het gaf ook meer ruimte in het aanhangertje. “Het voelt lichter zo,” zei Anna, terwijl ze de laatste tas dichtknoopte. Fred knikte. “Lichter is goed. Dat betekent dat we morgen weer wat harder kunnen gaan.” Ze lachten samen, wetend dat de reis nog lang niet voorbij was, maar elke stap, of trap, vooruit voelde als een overwinning. Hoofdstuk 27: Wind, Modder en Suikerdip... WINSSEN NAAR UDEN De ochtend begon vroeg, want het was verhuisdag. Chris en zijn hond waren de afgelopen dagen gezellig bij hen gebleven in het huisje, een welkome afleiding en praktische hulpbron. Maar nu zouden hun wegen weer scheiden. Na een gezamenlijk ontbijt en een laatste knuffel met de hond, bracht Chris hen terug naar de plek waar ze de dag ervoor waren geëindigd. Het begon zoals altijd als je verderop begint: spullen in de bus, rijden, spullen uit de bus, spullen op de fiets, spullen weer verplaatsen omdat het toch niet past zoals je dacht. Fred zat ondertussen vrolijk op de fiets, terwijl Anna mopperend de tassen opnieuw inpakte. “Als ik dit nog één keer moet doen, ga ik gillen,” gromde ze. Het blijft een zwaar en vervelend werkje. Toen alles eindelijk zat waar het hoorde en Fred zijn zakjes had geleegd, konden ze vertrekken. De wind begroette hen meteen, stevig en ongenadig, alsof hij al wist dat ze “naar beneden” fietsten op de kaart en daarom besloot recht in hun gezicht te blazen en de fiets tegen te houden.. hoho... niet te snel... De route was prachtig, dat wel. Zonlicht scheen onverwacht tussen de bomen door, en het landschap leek bijna magisch. Het was een aangename afwisseling van de grijze dagen. “Zo ziet de wereld er dus uit in kleur,” zei Anna, terwijl ze even stopte om adem te halen. Fred keek haar aan en knikte. “Kleur. Wie had gedacht dat we dat nog zouden zien? Maar vergeet niet te genieten, straks is het weer weg.” Het genieten werd echter regelmatig onderbroken door de modderpaden en omleidingen die hen dwongen door nog meer blubber te ploegen. “Dit is geen fietsen,” mopperde Fred. “Dit is veldrijden zonder training.” Ondertussen begon de omgeving steeds meer signalen van carnaval te geven. Mensen liepen voorbij met gekke hoeden en bontgekleurde jassen. En overal bordjes met andere stadsnamen. “Carnavalsland,” zei Anna hoofdschuddend. “Ze leven hier blijkbaar een poosje in een compleet andere wereld.” Fred lachte. “Misschien moeten wij ook maar een gekke hoed opzetten in plaats van een warme muts. Dan past het in ieder geval bij de rest.” Bij de dagelijkse stop voor boodschappen bleef Fred op de fiets wachten bij de winkel, trouw de wacht houdend. “Het lijkt wel of jij je tijd bewust neemt daarbinnen,” riep hij naar Anna toen ze naar buiten kwam. “Moet je zo lang zoeken?” “Ja, elke winkel heeft z’n eigen logica,” antwoordde Anna met een diepe zucht. “Als ik eindelijk weet waar de komkommers liggen, veranderen ze het weer.” Fred gebruikte de wachttijd nuttig: hij deelde visitekaartjes uit en vertelde nieuwsgierige voorbijgangers over hun reis. “Het is net alsof ik een ambassadeur ben,” zei hij trots toen Anna terugkwam met een tas vol groenten en natuurlijk chocola. “Mooi,” zei Anna droog. “Misschien kun je de volgende keer een subsidie regelen. De boodschappen worden steeds duurder." De dag eindigde met een uitdaging. Net toen ze bijna bij het hotel waren, gaf de accu van de fiets er de brui aan. “Natuurlijk,” mompelde Anna. “Waarom niet, op dit moment, vlak voor het einde?” Fred sleepte zich uit zijn voorstoeltje en boog zich over de kar. “Ik pak de andere wel." En al graaiend tussen zakjes, doosjes, thermobroeken, regenjassen en een flesje bier, vond hield hij triomfantelijk de reserve accu omhoog. Is een poep en een scheet was t gefixt. Anna zuchtte: “Dat ik daar nou zo’n probleem van maakte. Ik ben gewoon moe denk ik”. Na aankomt in het hotel begon weer het bekende riedeltje : uitladen, in een veel te kleine lift alles op en neer brengen, de fiets in de schuur verderop zetten. Tegen de tijd dat Anna op hun kamer was, was de laatste energiemolecuul op. “Dit bed is het mooiste dat ik vandaag heb gezien,” zei Anna, terwijl ze met een zucht neerplofte. Fred schoof een sinaasappel, chocola en een kokosmakroon naar haar toe. “Hier, suikerdipmomentje,” zei hij. Anna nam een hap en zuchtte tevreden. Binnen twintig minuten waren ze allebei in een diepe dommel verzonken. Die avond kookten ze, zoals altijd, zelf. Creativiteit met groente in een badkamer: het blijft een kunst. “Het is bijna campingstijl,” zei Fred terwijl hij een ui schilde boven de wastafel. Op de dag terugkijkend bij het schrijven van hun dagelijkse verhaaltjes zijn het juist de kleinste overwinningen die een dag bijzonder maken. Ondanks de wind, de modder en het gemopper, sloot deze dag af met een fijn moment van rust en voldoening. Een dag vol uitdagingen werd een herinnering om te koesteren, een dag die hen dichter bij het einde bracht, de eindbestemming van hun reis, maar ook het einde dat onvermijdelijk boven hen hing ookal hadden ze t daar gewoon niet meer over. Het was een dag waarop ze niet alleen vooruitgingen, maar ook stil stonden bij wat écht telt: samen herinneringen maken, juist nu. Hoofdstuk 28: Van Uden naar Nuenen op de van Goghroute De dag begon met een beetje spanning. Fred voelde zich allesbehalve fit. De huid rond zijn stoma’s was knalrood en heet, de irritatie trok door tot op zijn rug, en tot overmaat van ramp had hij een harde, gevoelige plek in zijn been. Hij had slecht geslapen en voelde zich uitgeput. Zijn stem was ook weer grotendeels verdwenen, wat de communicatie er niet makkelijker op maakte. Anna daarentegen had heerlijk geslapen in het fijne hotelbed, iets waar ze zich bijna schuldig over voelde toen ze naar Fred keek. Toch was er geen tijd voor te lang stilstaan bij hun zorgen, de ochtend vroeg om actie .Samen liepen ze naar het ontbijt, Fred stevig vasthoudend aan Anna’s arm. Het voelde als een halve maraton, want de ontbijtruimte bevond zich helemaal aan de andere kant van het hotel. “De avondvierdaagse is er niks bij,” mompelde Anna, terwijl ze Fred ondersteunde .Fred gaf een flauwe glimlach. “Misschien halen we hier wel een medaille voor. ”Na het ontbijt begon het bekende riedeltje weer: spullen inpakken, alles de lift in krijgen, een bagagekar opsporen in het doolhof van het hotel, en vervolgens de fiets optuigen. Anna sjouwde en sjouwde, terwijl Fred vanaf zijn stoel probeerde aanwijzingen te geven .“Dit voelt alsof we al halverwege de dag zijn,” zei Anna hijgend toen alles eindelijk op z’n plek zat .Fred knikte. “Maar we hebben het gedaan. Kom op, standje ‘hoog’ en gaan. ”Het fietsen ging verrassend goed. De motor stond op standje turbo, en de frisse lucht leek hen beiden op te peppen .Onderweg stuitten ze onverwachts op een kleine verrassing: een namaak-Lourdesgrot in Mariahout. Anna moest lachen toen Fred abrupt remde en riep: “Kijk, we zijn er al! We kunnen weer naar huis! ”Anna stapte af en bekeek de grot, een charmant eerbetoon aan het echte Lourdes. “Best handig,” grapte Fred. “Hoef ik geen honderden kilometers meer te fietsen. Dit scheelt veel geld en tijd. ”Anna schudde lachend haar hoofd. “Zó werkt het niet, jongetje. Zo makkelijk kom je er niet van af. Maar we kunnen wel alvast een kaarsje aansteken. ”Anna stak een kaars aan, haar handen even stil terwijl de vlam begon te branden. “Voor een goede reis naar het echte Lourdes,” zei Anna zacht en keek naar de kleine, flakkerende vlam. “En voor alles wat daarna nog komt. ”Ze stapten weer op de fiets, met een glimlach en een klein beetje extra hoop in hun hart. De echte Lourdes wachtte nog, maar dit voelde al als een voorproefje van wat komen ging .Voor ze het wisten, stonden ze in Nuenen, het dorp van Van Gogh. Ze bekeken enkele plekken die aan hem herinnerden en brachten een bezoek aan het Van Gogh-museum .“Wat een leuk museum,” zei Anna enthousiast, terwijl ze door een interactieve expositie liep. “Ze hebben zelfs aanraakschilderijen! ”Fred lachte zachtjes. “Dat is precies iets voor jou. Jij kunt nergens vanaf blijven. ”Anna stak haar tong naar hem uit. “Dat heet betrokkenheid. Misschien moet jij het ook eens proberen. En weet je dat ze alles hier in stijl hebben? Zelfs de koffiekopjes hebben maar 1 oortje. ”Fred lachte voluit nadat het kwartje viel .Na het museum gingen ze naar de supermarkt om boodschappen te doen. Anna verdween naar binnen terwijl Fred als trouwe wacht bij de fiets bleef. Tien minuten later kwam ze eruit gestormd, met een blik die boekdelen sprak .“Ik doe dit nooit meer!” riep ze. “Ik word gek in die supermarkten. Alles ligt altijd ergens anders, ik zoek me rot, en ik dan maken ze het hier ook nog zo dat het bijna een escaperoom lijkt. Als je bij de kassa bent en je wil toch nog iets hebben dan moet je werkelijk de hele winkel weer teruglopen… grrrr. ”Fred keek haar aan en onderdrukte een lach. “Moet ik morgen boodschappen doen? ”“Ja, als je dat zou kunnen,” antwoordde Anna gefrustreerd. Maar al snel, met de wind in hun gezichten, verwaaiden haar moppers, en tegen de tijd dat ze bijna bij hun slaapadres aankwamen, was de stemming weer opgewekt .Ineens ging Freds telefoon. Het was het UMCG. Na wat uitleg kreeg hij het advies om zo snel mogelijk met antibiotica te beginnen vanwege de infectie rond de stoma’s. “Oké,” zei Fred terwijl hij ophing. “Dat wordt morgen een stop bij de apotheek. ”“Pffff”, zei Anna, “Fietsend naar de hemel via de apotheek”.. .Hun slaapadres bleek een manege te zijn, een gezellige, rustige plek met veel paarden en een lieve host. Wat ze niet hadden verwacht, was dat hun kamer zich op de bovenverdieping bevond. Alles moest naar boven: fietstassen, spullen uit het aanhangertje, losse spullen. Anna’s knieën protesteerden luid .“Dit is echt een aanslag op mijn gewrichten,” mompelde ze, terwijl ze zuchtend nog een tas omhoog sjouwde. Het huilen stond haar nader dan het lachen .Fred, die eigenlijk niet mocht tillen, kon het niet aanzien en begon stiekem spullen naar boven te dragen. “Zeg niets tegen de dokter,” zei hij met een grijns, terwijl hij een tas neerzette .“Zolang je het overleeft,” antwoordde Anna. “Ik hou je vandaag niet tegen. ”Uiteindelijk was alles boven, uitgeput maar tevreden dat alles op z’n plek stond. Na een simpele maaltijd van salade ploften ze op bed. “Ik hoop dat mijn knie mij dit morgen vergeeft,” zuchtte Anna .Fred keek haar aan. “En ik hoop dat mijn rug geen wraak neemt. ”Ze vielen allebei stil, moe van de dag maar ook tevreden. Morgen zouden er vast weer nieuwe uitdagingen zijn .Reizen is ook leven in het nu, bedacht Anna terwijl ze naar Fred keek, die met gesloten ogen op bed lag, zijn ademhaling gelukkig rustig en gelijkmatig. En geen koorts of misselijkheid. Elke dag bracht nieuwe uitdagingen, nieuwe plannen en onverwachte wendingen. Maar hier, in dit moment, was er alleen rust .Het was de kunst om niet te veel vooruit te kijken, om niet te blijven hangen in wat achter hen lag, maar gewoon in het nu te zijn. Reizen dwong hen daartoe, omdat elke dag vol zat met wat nú belangrijk was: de wind trotseren, de fiets optuigen, de weg vinden, en vooral elkaar .Anna sloot ook haar ogen en liet de gedachten wegdrijven. Morgen zou er weer een andere dag zijn. Maar voor nu, precies op dit moment, was alles goed zoals het was. En dat was meer dan genoeg. Hoofdstuk 29: Dilemma… De ochtend begon vreemd. Anna werd wakker met een onrustig gevoel, nog half gevangen in de vermoeidheid van de nacht. Fred had haar midden in de nacht wakker gemaakt met ondraaglijke pijn in zijn enkel. Hij had zich de vorige dag een beetje verstapt, niets zorgwekkends leek het toen, maar gedurende de nacht was het verergerd tot iets onhoudbaars. Samen hadden ze nog geprobeerd een oplossing te vinden, extra kussens, een andere houding, natte doeken, maar niets hielp. Uiteindelijk besloten ze de dokterspost te bellen. De boodschap was duidelijk: zware pijnstillers nemen, want paracetamol doet helemaal niets. Maar terwijl de nacht en vroege ochtend vorderde, werd het al snel duidelijk dat het niet bij een pijntje bleef. Fred kon niet meer lopen. Zelfs opstaan was een marteling. Een afspraak bij de lokale huisarts werd gemaakt, en na wat aandringen mochten ze gelukkig al om 11 uur komen. Fietsen was onmogelijk, dus werd er een taxi geregeld. Over de grond kruipend naar de trap en op de kont naar beneden zaten ze te wachten op wat ging komen. Een beetje ontgoogeld. De taxichauffeur bleek gelukkig een vriendelijke man, eentje die direct doorhad dat Fred niet zomaar de auto in kon. Hij ondersteunde hem voorzichtig terwijl ze hem naar de taxi hielpen. “Geen zorgen, we krijgen je er wel,” zei hij geruststellend. Bij de huisarts werden ze verrast. Geen standaard, afstandelijke arts, maar iemand met humor en een losse, fijne manier van doen. “Tja,” zei hij na onderzoek, “dit moet even goed bekeken worden in het ziekenhuis. Ik ga een verwijzing regelen.En de medicatie kan alcast gehaald worden hier bij de apotheek.” En zo belandden ze weer in de taxi bij hun inmiddels vertrouwde chauffeur, die van de gelegenheid gebruik maakte om hen een spontane rondleiding door Helmond te geven. Terwijl Fred zijn enkel angstvallig stil probeerde te houden, luisterden ze naar verhalen over de stad, zijn jeugd, en alles wat hij onderweg tegenkwam. In het ziekenhuis ging alles opvallend soepel. De sfeer was ontspannen en de mensen waren vriendelijk. Zelfs de man bij de receptie en de mevrouw van de planning straalden een soort Brabantse gezelligheid uit. “We plannen jullie er even tussendoor,” zei de baliemedewerkster met een knipoog. Anna keek Fred aan. “Zie je? Misschien is dit gewoon een klein uitstapje naar een andere vorm van zorgtoerisme.” Fred zuchtte en probeerde te glimlachen. “Hopelijk met minder souvenirs.” De röntgenfoto werd gemaakt terwijl de laborante rustig met hen bleef praten, alsof ze gewoon even op de koffie waren. Toen de uitslag binnen was, bleek het geen breuk, maar een flinke ontsteking. Dat betekende nóg meer medicijnen, nóg meer rust en nóg minder mobiliteit. “Dat is toch niet helemaal wat we van onze fietstocht, verwacht hadden” mompelde Fred terwijl hij weer in de taxi werd geholpen. “ Met van alles rekening gehouden maar dit? Zo onvoorspelbaar is het leven, geen controle mogelijk…” De chauffeur, inmiddels hun persoonlijke gids, bracht hen terug, opnieuw met een vleugje sightseeing en een hoop verhalen. Eenmaal terug in de B&B was de realiteit onontkoombaar. Fred kon de trap alleen nog maar op zijn kont naar boven. Hij kreunde van de pijn, en Anna kon niet anders dan machteloos toekijken. Ze legde hem voorzichtig in bed, maakte koffie en een tosti, iets vertrouwds, iets eenvoudigs, en hoopte dat het hem wat goed zou doen. Maar voor ze het wist, waren ze allebei in slaap gevallen, uitgeput door de dag. Pas tegen etenstijd schrokken ze wakker. Er was niets in huis om te koken. De supermarkt was nu echt geen optie meer. Dus werd er pizza besteld. “Eindelijk iets wat wél makkelijk gaat vandaag,” mompelde Anna terwijl ze de doos op tafel zette. Maar toen ze een hap nam, voelde ze een knoop in haar maag. Het eten bleef steken. De spanning, de uitputting, ze kreeg het gewoon niet door haar keel. En toen begon Fred met overgeven. Een cocktail van zware medicijnen, pijn en vermoeidheid maakte hem misselijk en instabiel. Lopen ging nauwelijks. Zelfs douchen werd een worsteling. De stoma’s vervangen voelde als een uitputtingsslag. Met twee stoelen en de steun van deurposten wist hij zich nog net te verplaatsen, maar hij was minder aanspreekbaar, alsof de medicatie hem in een waas had gehuld. Anna keek naar hem en voelde een zware vraag in haar borst bonken. Is dit nog wel verantwoord? Morgen stond er een tv-opname gepland. Moest die doorgaan? Moesten ze überhaupt nog doorgaan met de reis? Of was dit het moment om een moeilijke beslissing te maken? Overleg hierover met Fred was lastig. Door de medicijnen was hij niet in staat om een goede afweging te maken. Ze wist best wel wat het thuisfront zou adviseren. Maar begrepen zij echt wat dit voor hun zou betekenen? De stilte hing zwaar in de kamer. Fred lag uitgeteld in bed, zijn ademhaling onregelmatig, zijn gezicht bleek. Anna zat aan de rand, haar handen om een kop lauwe thee gevouwen, starend naar de muur zonder iets echt te zien. Alles voelde ineens anders. De reis, die begon als een avontuur, een tocht vol herinneringen en symboliek, leek nu meer op een strijd. Niet tegen de kilometers, niet tegen de wind, maar tegen de grenzen van wat nog haalbaar was. Ze keek naar Fred, zag hoe hij probeerde te vechten tegen zijn lichaam dat steeds minder meewerkte. Haar eigen lichaam voelde zwaar, moe van het tillen, zorgen, regelen. Dit was niet hoe het moest gaan. Dit was niet wat ze voor zich zagen toen ze vertrokken. Anna haalde diep adem en keek naar de slapende Fred. Was dit nog verantwoord? Was het tijd om de reis los te laten? Of hielden ze vast aan iets dat eigenlijk al niet meer kon? Ze wist het niet. Nog niet. Hoofdstuk 30: Heer, weet dat ik u bemin Ik heb honger en ik begin Eet smakelijk Anna had haar ogen nog niet open of er zat al een knoop in haar maag. Haar eerste gedachte was helder en onontkoombaar: Kunnen we vandaag wel fietsen? De afgelopen dagen waren ze langer op dezelfde plek gebleven dan gepland. Freds gezondheid had hen gedwongen om pas op de plaats te maken. Het vermoeden groeide dat hij wondroos had, zijn enkel was pijnlijk en opgezwollen, zijn lichaam verzwakt. Gisteren hadden ze een extra rustdag ingelast, hopend dat het beter zou gaan. Vanmorgen toch maar weer contact met de huisarts. Het advies was duidelijk: rust nemen, medicatie trouw slikken. Maar rust nemen terwijl je op reis bent, voelde als stilstaan in meer dan alleen kilometers. Anna keek naar Fred, die stil op bed zat, zijn gezicht vermoeid maar vastberaden. “Dus... fietsen?” vroeg ze voorzichtig. Fred knikte langzaam. “Ja. Ik wil door.” Ze beet op haar lip. “Weet je het zeker? Het kan dingen verergeren.” Hij haalde zijn schouders op. “We hebben geen haast. Jij fietst, ik zit stil voorop. Ik laat me gewoon meevoeren.” Anna fronste. “Maar kun je in deze toestand wel zulke beslissingen nemen? De medicatie maakt je wazig, en je voelt niet eens goed hoe erg het is.” Fred keek haar met een scheve glimlach aan. “Misschien. Maar als ik nog langer blijf liggen, voelt het alsof ik helemaal stop.” Ze zuchtte diep. Wat een dilemma... Dit is onze reis, herinnerde ze zichzelf. Zijn laatste grote tocht, maar ook mijn laatste met hem. Ze wilde hem laten bepalen hoe hij hem maakte, maar tegelijkertijd wist ze dat zij ook degene was die de grenzen moest bewaken. Toch gingen ze weer. Samen besloten zoals altijd. Ookal was Fred dan in zijn wazige fase Het inmiddels vertrouwde ritueel begon opnieuw: alles inpakken, tassen bij elkaar zoeken, bagage naar beneden zeulen. Anna kreeg hulp van de b&b eigenaresse wat erg fijn was, terwijl Fred zoveel mogelijk probeerde in te pakken wat er op zn bed werd gegooid door Anna. Toen alles eindelijk op en aan de fiets zat, haalde ze diep adem. “Okee, we gaan.” Fred keek haar aan en grijnsde flauwtjes. “jij bent vandaag de motor.” Ze lachte, al voelde haar maag nog steeds zwaar. Dit kon goed gaan… of heel erg fout. Maar er was maar één manier om erachter te komen. Trappen. Het weer zat mee. Eindelijk. Na dagen van regen en kou had de zon besloten hen vandaag te vergezellen. De lucht was fris, de plassen op de weg glinsterden in het licht, en de wereld leek even vriendelijker. “Zon!” riep Anna opgelucht. “Ik was al bijna vergeten hoe dat eruitzag.” Fred glimlachte flauwtjes vanaf zijn plekje voorop. “Misschien is het een teken. Of gewoon mazzel.” Anna haalde haar schouders op en trapte rustig door. De fiets stond op de hoogste stand, geen haast, geen stress. Alleen vooruit. Langs de weg doemt plotseling een indrukwekkend gebouw op. Een grote basiliek, midden in Lierop. Anna aarzelde geen seconde en remde af. “Even stoppen,” zei ze. Fred keek haar vragend aan. “Voor een kaarsje?” Anna knikte. “Ja. Maar dit keer niet voor anderen. Voor ons.” Ze stapte af en liep naar binnen, waar de rust haar onmiddellijk omhulde. De hoge gewelven, de geur van kaarsvet en hout, het zachte gefluister van een paar bezoekers. Ze stak een kaarsje aan, keek even naar de vlam en sloot haar ogen. Voor onze tocht. Onze strijd. Onze weg. Toen ze zich omdraaide, zag ze op een klein tafeltje een kaartje liggen. Een gebed voor een pelgrim. Ze slikte even. Dit was bijzonder. Alsof de kerk, de stilte, en het kaarsje haar even herinnerden aan iets essentieels: je bent onderweg. En dat is genoeg. Buiten kneep Fred zijn ogen tot spleetjes tegen de zon. “Je ziet eruit alsof er iets van je afgevallen is,” merkte hij op. Anna glimlachte en haalde diep adem. De knoop in haar maag was verdwenen. “Misschien was het het kaarsje,” zei ze zacht. Fred knikte. “Of gewoon mazzel.” Hoe verder ze fietsten, hoe mooier de omgeving werd. Het platteland veranderde langzaam in een schilderachtig natuurgebied. Waterplassen weerspiegelden de kale bomen, een buizerd cirkelde hoog in de lucht, en overal klonk het vrolijke gekwetter van vogels die de lente al voelden aankomen. “Het lijkt wel alsof de wereld ons kadootjes geeft,” zei Anna dromerig. Fred knikte en keek om zich heen. “Kleine geschenken. Misschien moeten we ze gewoon blijven verzamelen.” En zo reden ze verder, door de stilte, door het landschap dat zoveel gaf zonder iets terug te vragen. De weg leidde hen verder, tot ze Valkenswaard en later Dommelen, bereikten, de woonplaats van de neef van Anna en zijn vrouw, waar ze zouden lunchen. Toen ze hun fiets parkeerden en de voordeur openging, wist Anna het zeker: dit was een goede dag. Misschien zelfs een hele goede dag. Het was heerlijk in Dommelen. Een pauze in hun reis, een moment van thuis voelen, ook al waren ze ver van huis. Fred werd direct op de bank gestationeerd, been omhoog, een kop koffie in zijn handen gedrukt. “Niet bewegen, jij,” zei Anna resoluut. “Jij bent vandaag decoratief meubilair.” Ze lachte en plofte neer op de andere bank waar taart en thee en later ook nog een heerlijke lunch klaarstond. Maar het eten was slechts bijzaak, de gesprekken maakten het pas echt bijzonder. Kunst, schilderen, figuurzagen, reizen… onderwerpen die niets te maken hadden met kanker, pijn of afscheid. De tijd vloog voorbij en voor ze het wisten, was het alweer tijd om verder te gaan. Na een warm afscheid stapten ze weer op de fiets, nog 15 kilometer te gaan naar hun volgende overnachtingsadres. “Dit was fijn,” zei Anna op een gegeven moment zachtjes tegen Fred, die tevreden achterover leunde in zijn stoeltje voorop. “Even andere gesprekken. Even niet ‘hoe gaat het met je?’ en ‘wat zegt de dokter?’” Fred knikte. “Ja. Dit is gewoon normaal. En normaal is zeldzaam geworden.” Onderweg werd het al snel kouder en ze waren blij uiteindelijk bij hun Vrienden op de Fiets-adres aan te komen en werden begroet alsof ze oude bekenden waren. Er was meteen een klik, ondanks dat ze uit totaal verschillende hoeken van het land kwamen en het dialect soms voor een klein taalraadsel zorgde. “Het voelt alsof we elkaar al jaren kennen,” fluisterde Anna, terwijl ze hun tassen binnen zette. In de serre van het huis stond, tot hun verbazing, een beeld van Bernadette van Lourdes. Niet zomaar een beeld, maar eentje dat gerestaureerd werd door de gastvrouw zelf. Anna keek er met grote ogen naar. “Dit meen je niet… We zijn nog niet eens in Lourdes en Bernadette is hier al.” Fred grinnikte. “Dat bespaart weer een paar duizend kilometer.” Voorzichtig raakte Anna het beeld aan. De verf was deels afgebladderd, de restauratie nog in volle gang. “Wat een toeval,” zei ze. “Of… misschien is het helemaal geen toeval.” De gastvrouw glimlachte. “Misschien wilde ze jullie gewoon even begroeten voordat jullie verdergaan.” Fred knikte. “Nou, dan gaan we morgen met haar zegen verder.” En zo voegde Bernadette zich onverwachts bij hun reis, nog voor ze haar eigen stad bereikt hadden. Die avond werd er zacht op de deur geklopt. “Het eten is klaar,” klonk het vriendelijk vanuit de gang. Toen ze naar de eetkamer liepen, werden ze verrast door een prachtig gedekte tafel. Een geborduurd tafelkleedje lag netjes uitgespreid, de lichtjes branden en de geur van een huisgemaakte maaltijd vulde de ruimte. “Nou,” zei Anna hardop “dit is een restaurant met Michelin-potentie.” Fred glimlachte. “Minstens drie sterren. En eentje extra voor de gastvrouw.” Het werd een warme, gezellige avond. Geen haast, geen verplichtingen, alleen genieten van goed eten en fijne gesprekken. Een compleet driegangenmenu, alsof ze even niet op reis waren maar gewoon bij vrienden aan tafel schoven. Maar de vermoeidheid sloop erin. Fred probeerde zich staande te houden, maar zijn lichaam had andere plannen. Hij mompelde een excuus en trok zich terug in de kamer. Anna volgde even later en vond hem al half onder de dekens. Zijn gezicht grauw van vermoeidheid en nog voordat ze de deken goed over hem heen sloeg, sliep hij al. Ze keek even naar hem en hoopte maar één ding: dat deze slaap zou genezen, herstellen, kracht teruggeven. Zacht trok ze de deur achter zich dicht. Zij ging ook maar vroeg slapen. Morgen weer een nieuwe dag. Maar voor nu mocht de wereld even wachten.
9 januari 2025
Fred, Anna en de bloeddorstige pinguins... Fred zat in zijn eeuwige ‘afritsbroek met pijpen’ in zijn grote stoel bij het raam. Een halflege kop Senseo-koffie stond naast hem op de vensterbank, inmiddels koud en met een droog, korrelig schuimrandje langs de bovenkant. Zijn telefoon hield hij in zijn hand, het blauwe licht van het scherm weerspiegelde in zijn wijd opengesperde ogen. Anna zat tegenover hem op de bank, haar haar in een chaotisch kapsel dat er al minstens twee dagen zo uitzag en een verfveeg over haar neus. Ze keek hem met een vragende blik aan. “Wat is er aan de hand?” Fred draaide langzaam zijn hoofd naar haar toe. "Ik geloof dat ik een medisch probleempje heb..." Het kwam er onhandig en wrang uit, alsof hij hoopte dat het minder ernstig klonk met een verkleinwoordje. Hij overhandigde haar zijn telefoon, en met één snelle blik op de woordenstroom op het scherm begreep ze het meteen: kanker… pffff. Anna trok haar wenkbrauwen nog hoger, wat bijna een prestatie op zich was. “Dus dat knobbeltje in je lies was het verstopplekje voor foute cellen die zich hebben gehergroepeerd en nu ineens ‘surprise’ roepen?” Fred grinnikte, maar het klonk meer als een rare, omgekeerde hik. Hij leunde achterover in zijn stoel en wreef met zijn handen over zijn gezicht. "Het is toch niet normaal," mompelde hij achter zijn vingers. "Een mailtje, serieus? Alsof ze me net even melden dat ik een vitaminetekort heb of zo." Anna boog zich naar voren en gaf hem een zachte por in zijn schouder. "Het ziekenhuis denkt vast dat jij de meest nonchalante patiënt ooit bent. 'Oh, Fred heeft kanker? Stuur maar een mailtje, die regelt dat wel.'" "Nou, dat doen ze inderdaad," zei Fred. "Alsof ik de CEO ben van mijn eigen gezondheid." Hij deed zijn wanhopig handen uit elkaar. "En nu? Het is al na half vijf, dus het ziekenhuis is natuurlijk onbereikbaar. Artsen werken blijkbaar ook keurig binnen kantooruren. En de huisarts kan ik pas morgenochtend bellen." Anna haalde haar schouders op en nam een slok van haar thee, die net zo koud was als Freds koffie. Ze trok een grimas. "We hebben internet. Misschien vinden we daar iets dat ons geruststelt. Of iets dat zegt dat er binnen een week een kolonie bloeddorstige pinguïns je lymfeknopen klieren." Fred trok zijn wenkbrauwen samen en keek haar aan. "Oh, geweldig. Dat klinkt als iets dat we zeker moeten opzoeken." Maar er was een glinstering in zijn ogen, eentje die alleen mensen zoals Anna konden zien. Een glinstering die balanceerde tussen angst en het absurde. Een glinstering die zei: Laten we lachen, want anders ga ik gillen. Anna glimlachte naar hem en sloot de laptop die hij inmiddels had gepakt. "Kom op. Voor we ons verliezen in de horrorverhalen van Dr. Google, is het misschien beter om iets te eten. Wat dacht je van pizza met álle slechte, lekkere dingen erop? Als we dan toch door een emotionele achtbaan moeten, kunnen we ons net zo goed onderdompelen in lekkerheid." Fred zuchtte, maar voelde hoe de spanning in zijn borst iets minder werd. "Pizza, hè? Prima. Misschien is dat wel hét wondermiddel dat het ziekenhuis vergeten is te vermelden." Ze stonden samen op, met dat wankele gevoel van zekerheid dat alleen het moment kon bieden. Misschien was de wereld ineens vol medische brij en onbeantwoorde vragen, in ieder geval hadden ze elkaar. En pizza! HOOFDSTUK 2.. EUH…. De ochtend na de diagnose voelde vreemd leeg, alsof iemand een handvol belangrijke dingen uit de lucht had geplukt en achter zich had gegooid. Fred had zich vastgeklampt aan routines die hem normaal gesproken houvast boden: een verse kop Senseo-koffie, een bak yoghurt met muesli, een poging om op zijn telefoon niet de diagnose in te toetsen voor dr Google… Het is nog even wachten totdat de huisarts zal bellen. Anna loopt wat met haar ziel onder haar arm om hem heen te drentelen, niet goed wetende wat te doen en wat te voelen. Wat gek eigenlijk dat je voor een ander precies denkt te weten hoe het zou moeten voelen terwijl dit in het eggie heel anders is… alle standaardzinnen klinken leeg en zijn woorden waar je geen flikker aan hebt. Het enige wat enigszins de spanning breekt is doodgewone humor. Dus de macabere grappen vullen de kamer… En dan eindelijk….Fred’s telefoon trilde in zijn hand. Hij keek naar het scherm en slikte. De huisarts. Hij nam op, zijn stem even stevig als hij kon maken. "Met Fred," zei hij. "Fred, euh… goedemorgen," klonk de zachte stem van zijn huisarts. Het soort stem dat je normaal gesproken gerust moest stellen, maar nu alleen zijn hart sneller deed kloppen. "Euh, Ik wilde even checken hoe het met je gaat, na euh... ja, na dat euh mailtje van het ziekenhuis." Er viel een korte, ongemakkelijke stilte. "Wat... euh, wat heb je precies uit die euh, informatie gehaald?" Fred keek naar Anna, die in de keuken gespannen meeluisterde. Zelfs nu, in deze rare, grimmige situatie, voelde hij hoe mensen, zelfs professionals, onwennig en voorzichtig werden. Alsof ze om een groot, onzichtbaar beest heen dansten, bang om het wakker te maken. "Nou," begon hij, zijn stem breekbaar maar vastbesloten. "Het klinkt alsof ik... kanker heb. Een behoorlijk serieuze vorm?." De huisarts zweeg een moment, en Fred stelde zich voor dat ze daar zat, met een blik vol medeleven. "Euh…Ja," zei ze toen, haar stem heel zacht. "Ik begrijp dat dat heftig is om euh dit zo te horen. En euh.. het spijt me zo dat het op deze manier is gegaan. Wat verschrikkelijk onpersoonlijk. "Euh, ik heb contact opgenomen met het ziekenhuis, en euh ze hebben inderdaad een afspraak voor je ingepland. Iemand van het ziekenhuis zal je vandaag bellen om de praktische zaken door te nemen." Fred probeerde de knoop in zijn maag te ontwarren. "Maar het blijft een bizarre manier om nieuws als dit te krijgen." "Euh… het is niet de manier waarop het zou moeten gaan," gaf de huisarts toe. Ze sprak met een soort mededogen dat hem op de een of andere manier zowel troostte als frustreerde. "Wat het ook is," zei ze, "Ik ben er voor je. Euh…Je kunt me altijd bellen, en euh... we gaan hier samen doorheen." Fred mompelde een bedankje, maar zijn gedachten bleven zich vastklampen aan de woorden: samen doorheen. Het klonk mooi, maar uiteindelijk was hij degene die ermee moest leven, letterlijk en figuurlijk. Samen met Anna… Hij beëindigde het gesprek en staarde naar zijn telefoon, de wereld buiten voelde nog steeds absurd en onwerkelijk. Anna had tijdens het gesprek haar adem ingehouden en keek hem nu voorzichtig aan. "En?" vroeg ze zachtjes. "Ze waren... voorzichtig," antwoordde Fred, met een flauwe glimlach die niet echt aankwam. "Heel lief en omzichtig, alsof ik een kwetsbaar antiek vaasje ben." Hij zuchtte en schudde zijn hoofd. "Het blijft absurd. Zelfs professionals lopen op eieren." Anna knikte langzaam, een mengeling van bezorgdheid en begrip in haar blik. "Dan euh, dus euh... maar gewoon doorgaan? De 'euh's' benadrukkend van de huisarts. Dus gewoon vanmiddag jouw geplande museumbezoek met Marja? Kunst, en een flinke dosis bestaanscrisis erbij?" Fred grinnikte, een lach die hem even lucht gaf. "Ja. Laten we het museum met een nieuwe blik bekijken. Wie weet is mijn bestaan straks het onderwerp van de volgende grote expositie: ‘Man wacht op nieuws en observeert zijn eigen sterfelijkheid.’" Anna lachte, deze keer oprecht. "Nou, dat is een kunstproject dat ik graag zou overslaan. Maaaaaar, wel goed idee eigenlijk." Fred zag dat haar radertjes alweer op volle snelheid begonnen te ratelen… wie weet… Marja kwam een uur later en samen met Fred vertrokken ze naar Groningen. De wereld denderde door, en de vraag: Ga ik dood? bleef in de lucht hangen, onuitgesproken maar aanwezig. En terwijl de weg zich voor hen uitstrekte, probeerden ze hun eigen soort humor en zwarte grappen te gebruiken om de stilte te vullen. Onderweg gaf zijn telefoon een seintje en met een gevoel van tegenzin nam hij op. "Met Fred," zei hij, zijn stem kalmer dan hij zich voelde. De stem aan de andere kant klonk jong, haast te jong voor zo’n gesprek. "Dag meneer, ik ben de AIO van de afdeling oncologie," zei de stem. "Uw huisarts heeft ons gevraagd om contact met u op te nemen." Er viel een ongemakkelijke stilte. "Helaas kunnen we op dit moment alleen bevestigen dat we een afspraak voor u hebben ingepland, over acht dagen." Fred knikte, alsof de AIO hem kon zien. Acht dagen. Alsof hij een afspraak had gemaakt voor een kleine onderhoudsbeurt, niet voor iets dat zijn hele bestaan op de helling zette. "Dank u," zei hij, met een stem die verbazend kalm bleef. "Acht dagen wachten." De AIO klonk opgelucht dat het gesprek snel voorbij was. "Goed, we zien u dan." Met een korte klik was de lijn dood. "Ze kunnen niets zeggen," antwoordde Fred. "Behalve dat ik acht dagen moet wachten." Hij probeerde te lachen, maar het klonk meer als een geforceerde zucht. "Acht dagen vol spanning. De auto reed verder, de wereld denderde door, en de vraag Ga ik dood? bleef in de lucht hangen, onuitgesproken maar aanwezig. Anna, nu alleen in het grote huis, liep wat met haar ziel onder haar arm, drentelend van de keuken naar de woonkamer en weer terug, alsof ze ergens verwachtte een antwoord te vinden. Ze wist niet goed wat ze moest doen, wat ze moest denken, wat ze moest voelen. Wat doe je als het leven plotseling van koers verandert en je samen op een wankel vlot drijft in een zee van onzekerheid? Gelukkig kwam haar vriendin Suus langs, gewapend met vuilniszakken en een vastberaden blik alsof ze een realityshow over opruimen gingen winnen. "Kom op," zei ze, "laten we die kasten leegtrekken en de rommel eruit mieteren. Een beetje chaos is precies wat je nodig hebt." En zo begonnen ze, al snel verdwijnend in een berg oude kleding, hoeden en mysterieuze apparaten die niemand ooit gebruikt had. Als dat de gedachten niet zou verzetten, dan wist Anna het ook niet meer… HOOFDSTUK 3. The River Styx... Nog zes dagen tot het gesprek in het ziekenhuis. Zes dagen die zich eindeloos lijken uit te strekken. Maar vandaag leek het verrassend normaal, of in ieder geval zo normaal als het kon zijn met dat klote-oorwurmpje wat steeds bleef rondzingen… kanker, kanker, kanker… Het is mooi weer, een soort dag waarop de zon je naar buiten trekt ondanks dat de wind best fris was, en dus besloten ze te fietsen. Hun mooie nieuwe blauwe gevaar, de trike-tandem, wordt uit z’n pyjama gepeld. Fred zit voorop, Anna achter hem, en samen trappen ze stevig door het landschap. De fietspaden waren vandaag ineens te smal en het was er gewoon geen dag voor steeds maar uit te wijken voor tegenliggers. Dit keer gaan ze in volle vaart over de plek waar de auto’s rijden. Lekker snel… De wind waait alles even uit hun hoofd, en het voelt bijna alsof de spanning van de afgelopen dagen niet bestaat. Bijna. “Misschien moeten we een nieuwe slogan bedenken voor de stichting,” riep Fred terwijl hij zich naar Anna omdraaide, zijn ogen glinsterend van de wind en de inspanning. “Onbeperkt op de Fiets: omdat piekeren veel moeilijker is met tegenwind.” Anna schoot in de lach, haar stem vrolijker dan de laatste dagen. “Daar zeg je wat,” riep ze terug. “Misschien kunnen we dat als therapie aanbieden: tegenwind voor een leeg hoofd". Ze hebben net een lekker tempo te pakken toen ze bij het pontje aankwamen waar ze over wilden. Een groot bord kondigt aan: Pontje gesloten van oktober tot april. Ze remmen af en staarden even naar het water, dat er kalm en onaangedaan bij ligt. Fred zucht en wijst naar het water terwijl zijn mondhoek omhoog kruipt in een scheve grijns. “Nou, dat is toch wat,” zegt hij, met een dramatisch gebaar naar het water. “Het lijkt wel de River Styx”, de mythologische dodenrivier. Ach, ik had gehoopt op een gratis overtocht, maar ja, de veerman van de Styx heeft blijkbaar ook zijn winterstop.” Anna schoot in de lach. “Mafkees” zei ze, haar lach half verstikt door het absurde van de situatie. “Nou ja, misschien is dat juist een goed teken. Blijkbaar mag je nog even blijven rondhangen bij de levenden.” Fred schudde zijn hoofd, zijn ogen glinsterend van het morbide grapje. Ze draaien de trike om en trappen terug, hun lach nog steeds in de lucht hangend, als een buffer tegen de zwaarte van de dag. Terug thuis deden ze wat mensen doen op een zaterdag: ‘gewoon’ tv kijken, alsof dat hen kon afleiden, ‘gewoon’ eten maken, ook al smaakte het nergens naar, ‘gewoon’ koolhydraatarme taart uitproberen omdat het leven gevierd moet worden en liters koffie en thee. Eigenlijk was het een bijna gewone dag, met dat ene extra ‘dingetje’ dat rondzoemt als een vervelende mug. Maar die gesloten pont en Freds zwarte humor hadden in elk geval voor wat lucht gezorgd. En soms was dat alles wat je nodig had. HOOFDSTUK 4... ELEKTRISCH OPWARMEN Nog drie nachtjes slapen, herhaalde Anna in haar hoofd, terwijl ze voor de zoveelste keer met haar vaatdoek over het aanrecht ging. Het was alsof die zin zich in haar hersenen had ingegraven en nu, elk moment van stilte opvulde. Nog drie nachtjes slapen. Ze vroeg zich af of iemand ooit een boek zou schrijven met die titel, een zenuwslopende thriller over mensen die wachten op slecht nieuws. En misschien zou zij dan de hoofdpersoon zijn: Anna, de vrouw die probeerde normaal te doen terwijl haar hoofd overal en nergens was. De dagen waren een aaneenschakeling van gewone dingen die op mysterieuze wijze misgingen. Zoals vanavond toen ze avondeten maakte en zo veel water in de butterchicken gooide dat het veranderde in een dikke pompoensoep. Fred had haar met een mengeling van verbazing en bewondering aangekeken. “Wauw,” zei hij, “je hebt zojuist een nieuwe culinaire uitvinding gedaan: ‘buttersoep à la paniek’.” Anna had haar hand in een overdreven gebaar tegen haar voorhoofd gedrukt. “Ach, een meesterchef ben ik niet,” zei ze, “maar een dramaqueen, dat lukt me wel.” Ze hadden gelachen, en het voelde goed, al was het maar voor een paar minuten. Ze had zich vaak afgevraagd hoe ze zich in zo’n situatie zou voelen, hoe ze zou reageren als het leven plotseling niet meer vanzelfsprekend was. Het bleek dat ze vooral... drentelde. Doelloos, zoekend naar manieren om nuttig te zijn, om iets te fixen dat niet te repareren was. Ze liep rond met haar ziel onder haar arm, zoals haar moeder het altijd zo mooi zei, en probeerde de zorgen uit haar hoofd te houden door zichzelf te dwingen de meest alledaagse dingen te doen, veel opruimen en die eeuwige volle eettafel leeg te maken. Het elektrische dekentje op de bank werd haar toevluchtsoord. Elke avond kroop ze er samen met Fred en de katten onder, alsof die warmte de zorgen even kon wegsmelten. Het liefst wilde ze iets zeggen, iets troostends, iets dat de spanning in de lucht kon breken. Maar wat zeg je als je zelf ook niet weet hoe je je moet voelen? Ze wilde sterk zijn, geruststellend, een anker in de storm, maar de realiteit was dat ze zelf ook overspoeld werd door onzekerheid. Ze voelde zich verloren, alsof ze midden in een doolhof stond zonder kaart of plan. Nog drie nachtjes slapen. Het zoemde door haar hoofd, ongrijpbaar en vervelend, net als die mug die je maar niet te pakken krijgt. Anna deed haar best om het normale vast te houden, maar wist dat het ‘gewone’ nooit meer echt hetzelfde zou zijn. Niet totdat ze antwoorden hadden. En zelfs dan... Maar vandaag zou ze blijven ronddrentelen, blijven grinniken om soep die ooit als saus bedoeld was, en zich blijven nestelen onder dat elektrische dekentje, gewoon om even te doen alsof alles normaal was. HOOFDSTUK 5: LET IT BE… Nog twee nachtjes slapen. Fred voelt hoe die woorden steeds zwaarder beginnen te wegen, alsof elk uur dat voorbij gaat nog een steen op zijn borst legt. Hij is moe, heel moe, alsof de artsen tijdens de punctie het gaatje niet dicht hadden gemaakt en alle energie langzaam uit hem loopt. De lymfeklieren in zijn lies, zijn nieuwe onaangename huisgenoten, klierden vrolijk verder. Ze worden dikker, onrustiger, alsof ze hun eigen agenda hebben. De ene dag voelt hij zich iets beter, de volgende dag lijkt alles ineens zwaarder en moeizamer. Het is alsof zijn lichaam niet weet of het wil vechten of zich overgeven. ‘Let it be’ hoorde hij Anna vanmorgen zingen in de keuken. Dat lijkt een goed advies… Het weekend is voorbij en Anna is weer gewoon aan het werk, dus hij brengt meer tijd alleen door. In het begin vond hij dat wel prima, die rust. Maar hoe meer de tijd verstrijkt, hoe vreemder de stilte voelt. Vaak voelt het alsof de klok ook hapert en het maar niet later wordt. Gelaten en wachtend op vrijdag, wachten op de specialist die misschien antwoorden zal hebben. Of misschien nog meer vragen. Het is vreemd hoe zijn gedachten niet verder willen dan die afspraak. Hij probeert niet na te denken over wat er daarna zal komen, hoe de diagnose en de behandelingen eruit zullen zien. Dat voelt te vroeg, alsof hij het verhaal al verder schrijft terwijl hij het begin nog niet eens helemaal begrijpt. ’s Avonds, als Anna weer uit de praktijk tevoorschijn komt, probeert hij haar te helpen met kleine dingen. Groente snijden, of de tafel dekken, of gewoon haar gezelschap houden terwijl ze moppert over rommel, het weer of op de mat pissende kat met blaasontsteking. Daarna nestelen ze zich samen onder hun elektrische dekentje, hun beschermende warmte schild tegen de buitenwereld. Ze kijken stomme programma’s op tv, hersenloze dingen waar je je verstand lekker bij uit kan zetten. Een paar dagen geleden hebben ze zelfs een Videoland-abonnement genomen, een impulsieve beslissing die voelt als een soort overlevingsmechanisme. Ze zijn begonnen met Gooische Vrouwen 😁, en hebben daarna een nieuwe serie opgezet over ene Lotte. Fred kan zich nauwelijks voorstellen dat er 245 afleveringen van zijn, maar het vooruitzicht van zoveel afleiding is geruststellend. Ze kunnen zich verliezen in het oneindige drama van iemand anders, een leven dat niet van hen is. Binnenkort zal het ook weer tijd zijn voor kerstfilms, vreselijke, overdreven, en prachtig simpele films waar je bij weg kunt dromen. “Verstand op nul,” had Anna gezegd, terwijl ze haar thee vasthoudt en naar de feestelijke trailer van een kerstfilm kijkt. “Dat is wat we nodig hebben.” Fred had alleen maar geknikt, zijn glimlach vermengd met de gelatenheid die hij niet helemaal van zich af kon schudden. Hij heeft geen idee wat de toekomst zal brengen, maar voor nu is het oké. Zolang hij samen met Anna onder dat dekentje kan zitten, met de veilige afleiding van slechte tv en het idee dat er altijd meer afleveringen van Lotte zullen zijn, kan hij het nog wel even verdragen. Het is geen echte rust, maar het was rust genoeg. Let it be… HOOFDSTUK 6: MORGEN… Nog één nachtje slapen. Morgen zouden ze eindelijk de uitslag krijgen, horen of er nog een behandeling mogelijk was. Of er een toekomst was, een kerst, een voorjaar, misschien zelfs een zomer met de geplande fietstocht naar Rome of Zweden, iets waar ze over hadden gefantaseerd. De oppas was al geregeld en verschillende namen van begeleiders al door hun hoofd gegaan.. Er waren veel mensen langs geweest de afgelopen dagen, vrienden, buren, en familie, allemaal met hun eigen manier van omgaan met het nieuws. Sommigen kwamen binnen met een blik alsof ze op een begrafenis waren, terwijl anderen juist overdreven vrolijk en hard lachend de kamer binnenstapten, alsof de bloeddorstige pinguins misschien zouden verdwijnen door er maar genoeg lawaai tegen te maken. De grappigste bezoekster was een kennis, iemand die ze al een poosje niet hadden gezien. Ze stapte binnen met een mand vol biologische kruiden, een kleurige verzameling bladeren en takjes die voor een halve boswandeling door konden gaan. "Kruiden die je gezondheid bevorderen, puur natuur," had ze gezegd, haar ogen stralend van overtuiging. En allemaal artikelen uit tijdschriften en kranten om te laten zien hoe je op een andere manier kunt genezen en gezond worden. Anna had de mand aangenomen en geprobeerd haar gezicht in de plooi te houden, terwijl Fred de kruidenmand aanstaarde alsof het een vreemd offer was van een verloren indianenstam. Na het vertrek van de vrouw hadden ze beiden in de keuken krom gelegen om die mand vol wondertakjes. “Wat is dit, een heksenritueel?” had Anna gezegd. “Straks moet je nog dansend om die mand heen, Fred.” “Wie weet, misschien helpt het wel,” had Fred gezegd, zijn ogen rollend. “Maar als we dan toch rituelen gaan doen, kunnen we dan die dans overslaan?” Toch fijn al die mensen die op de een of andere manier een steuntje in de rug geven. Elk op zijn of haar eigen manier. Fred glimlachte “Tja, er is natuurlijk ook geen handleiding voor ‘Hoe om te gaan met je zieke vriend’. Die middag pakten Fred en Anna alvast de bus in, klaar voor hun vertrek naar de Veluwe na het ziekenhuisbezoek morgen. Ze gaan naar "Hoge Heide”, hun geliefde maar veel te duur gehuurde jachthuisje op de heide voor een weekendje, hun eigen stukje rust en vrijheid. Voor deze keer moet het kunnen. Anna hield de nachtverrekijker omhoog die ze speciaal hadden gehuurd. “Denk je dat we de wolf gaan zien?” vroeg ze met een grijns. Fred lachte zacht. “Absoluut. Zo’n mooi plekkie kan de wolf vast niet weerstaan.” Het vooruitzicht om te vluchten, waar niemand vragen zou stellen of moeilijke antwoorden nodig waren, gaf hen de rust die ze nodig hadden. Morgen zouden ze zich verliezen in de bossen en de heide en misschien, heel misschien, zelfs de wolf in de nacht zien. Toen het al vroeg weer donker werd zaten ze, zoals de laatste week, onder hun vertrouwde elektrische dekentje, een beetje stil, maar met het vaste voornemen om er het beste van te maken. Ze hadden net een nieuwe kerstfilm opgezet die zo zoet was dat het glazuur bijna spontaan van je kiezen sprong. Fred rolde met zijn ogen bij de zoveelste scène waarin de hoofdrolspeler kerstkoekjes stond te bakken met een perfect glimlachend gezin. “Misschien moeten we dit jaar ook maar kerstkoekjes bakken,” zei Anna lachend. “Wie weet is dat wel de oplossing voor alles: meer koekjes.” “En meer kerstversiering,” grinnikte Fred. “Misschien moeten we Rome maar omruilen voor een huis vol kerstlichtjes en een leven vol koekjes.” Ze zaten daar, dicht tegen elkaar aan, terwijl de warmte van het dekentje zich als een cocon om hen heen sloot. Op dat moment kwam het besef dat, misschien… misschien wilden ze het eigenlijk helemaal niet weten, morgen. Misschien was dit genoeg. Samen onder dat dekentje, grinnikend om slechte kerstfilms en pratend over een toekomst die net zo goed een fantasie kon blijven. Hier, in deze warme bubbel, voelden ze zich heel even veilig, alsof ze het antwoord op de vragen gewoon konden laten bestaan zonder het ooit te hoeven horen. HOOFDSTUK 7: eindelijk ‘morgen’ En toen was het dan ‘morgen’. Vrijdag. Vervroegde Black Friday?. Ze waren vroeg wakker, nog voor de wekker afging, en het huis voelde vreemd stil en zelfs de katten jammerden niet om hun eten. Terwijl Anna door het huis liep, keek ze naar de laatste spulletjes die ze klaar had gelegd om mee te nemen naar de Veluwe. Ze moest ook nog alles opruimen in huis, want de oppas zou komen logeren om voor de dieren te zorgen. Drukke morgen dus… Ze zette koffie, bakte een ei en smeerde brood voor Fred. De stilte werd alleen doorbroken door het zachte tikken van nagels op de vloer van de kat die naar Fred liep en op schoot sprong. Altijd behulpzaam om te troosten… Ze probeerden wat te eten, maar het smaakte naar karton en bleef half onaangeroerd op de borden liggen. Anna legde haar bestek neer en zuchtte. "Nou, goed ontbijt voor de vogels dan maar," zei ze, en met een flauwe glimlach pakte ze het laatste stukje appeltaart uit de koelkast en spoot er een grote klodder slagroom op. Drukte er 2 vorkjes in zette het tussen hun in.. "Zo… dit zal beter smaken..” Toen het tijd was, pakten ze de rolstoelfiets, deden de rugzak om en trokken hun dikke jassen, mutsen en handschoenen aan. Het was koud… net zo koud als zij zich voelden op dat moment. Buiten sneed de kou in hun gezicht terwijl ze zwijgend op de fiets stapten en de vrolijke wijsjes die normaliter gefloten werden vanaf achterlinie bleven uit vandaag. De stilte tussen hen was geladen, maar ook vertrouwd, alsof ze samen een onuitgesproken afspraak hadden gemaakt: ze zouden dit samen doorstaan, zonder te veel woorden. Zoals altijd reden ze gewoon met de fiets het ziekenhuis binnen. De weg naar de Poortweg 8 leek langer dan normaal. In de spreekkamer ging de specialist gelijk van start. Hij wond er geen doekjes om en dat was eigenlijk toch fijn. Al dat ontwijkende gedoe hadden ze ook geen zin in. De woorden “ongeneeslijk” en “agressief” hingen zwaar in de lucht, echo’s die de ruimte vulden. Dan ineens is het echt. Ook Üal hadden ze het zelf al aangevoeld, misschien, maar het hardop horen maakte het zo echt, zo koud. ‘Hoe lang nog’ spookte door hun hoofd maar om het te vragen ging weer net te ver… er is gewoon altijd te weinig tijd. Na het ziekenhuisbezoek was er niet veel te zeggen. Ze gingen naar huis, pakten de laatste spullen in, en reden meteen door naar de Veluwe. De zoon van Anna en zijn hond ging met hen mee, een geruststellende aanwezigheid zonder woorden. Het voelde als een vlucht, een ontsnapping, weg van het ziekenhuis, weg van die dreigende woorden die nu als een wolk boven hen hingen. Het gehuurde huisje op de heide, Hooge Heide, stond stil en onveranderd op hen te wachten. Het was oud, vol verhalen, en gaf hun een warmte die nu zo welkom was. Ze stapten binnen, voelden de rust. Het was als een warme jas die past, een plek geeft aan iedereen die daar ooit was. Anna en haar zoon gingen snel nog even op pad met de hond om de nachtcamera nog voor het donker op te hangen. “Misschien filmen we vanavond wel een wolf,” zei ze tegen Chris met een knipoog. “Die heeft natuurlijk allang gehoord dat wij hier zijn.” “Ja” zei Chris, “die gekke hond blaft alles bij elkaar. Hij is zo blij dat hij hier niet aan de lijn hoeft en in alle bultjes bladeren mag duiken. Wat is het toch een blij ei”. Terwijl Anna en Chris in de schemering over de heide liepen, bleef Fred achter in het huisje. Hij haalde diep adem en liet de stilte op zich inwerken. Het idee dat dit misschien de laatste keer was, had zich als een vastgeroeste gedachte in zijn hoofd genesteld. Hij wil niet verder denken dan nu, niet verder dan dit weekend op de Veluwe, niet verder dan… ja wat? Zware vragen waar hij over een poosje een antwoord op moet geven zweven door de lucht. Maar nu niet… Na het eten, toen het helemaal donker was, zaten ze weer onder hun vertrouwde elektrische dekentje, een warmtecamera in de aanslag om af en toe de grote stille heide af te struinen. Hier is geen televisie en Lotte en de kerstfilms lijken iets uit een andere dimensie. Fred voelde de leegte, het gewicht van de dag, maar ook een vreemd soort rust. Hij keek opzij naar Anna, haar blik op haar schermpje gericht een verhaaltje typend. Voor een moment voelde het alsof woorden overbodig waren, alsof alles wat er te zeggen was allang gezegd was in die stilte tussen hen. Anna pakte zijn hand en gaf er een zacht kneepje in. Zonder te kijken fluisterde ze: “Samen, gaat 't lukken?” Fred knikte, zijn blik nog steeds op het zachte schemerlicht in de kamer. Hij kneep terug en zei zacht, bijna onhoorbaar: “Ja. Samen.” Na een moment keek Fred haar aan, een klein glimlachje om zijn mond. “Maar luister, als dit ‘samen’ betekent dat ik elke dag die mislukte butterchicken-soep moet eten, dan wordt het nog een uitdaging, hoor.” Anna grijnsde en trok haar hand terug, zogenaamd beledigd. “Nou ja zeg, onuitstaanbare patiënt!” Ze schudde haar hoofd lachend en liet haar hand weer in de zijne vallen. Ze zaten zo samen, lachend om de flauwigheid en de stilte die volgde, een beetje opgelucht dat het nu gevuld was met iets lichts en voelden ze zich voor heel even sterk genoeg voor wat komen zou. Hoofdstuk 8: ROODKAPJE Het eerste licht van de ochtend gleed zachtjes door het raam en viel op het bed. Fred werd wakker en bleef nog even liggen, terwijl hij naar het uitzicht keek. De Veluwe lag er sprookjesachtig bij, de heide bedekt met een dunne laag mist die over de velden zweefde. Het zag eruit alsof de wereld voor een moment verstild was, gevangen in een droom. En toch voelde het ook anders, een tikkeltje grauwer, alsof zelfs het landschap iets met hem meedeelde. De mist lag als een zachte waas over de bomen en de velden, net zo troebel als zijn gedachten op dat moment. Naast hem voelde hij Anna zich uitrekken, nog niet helemaal wakker. Vannacht waren “de nachtelijke plaksessies” weer het gebruikelijk kleverig ritueel en ook verstoring van de broodnodige rust. Dus een beetje uitslapen in het oude huis met zijn vele verborgen verhalen en zijn helende koestering is fijn. Niemand wacht, geen deuren openen voor de verzorging om 8 uur s morgens en geen vroege koffiedrinkersbezoek. Chris is al vroeg met zijn hond op ‘wolvenjacht’ gegaan. Er is nu alleen stilte… Fred haalde diep adem en keek weer naar het uitzicht. Het was mooi, maar anders. En op de een of andere manier precies wat hij nodig had om deze dag te beginnen. Na een tijdje besloot Fred zich los te trekken uit zijn gedachten. Het was ochtend, en met dat landschap voor hem kon hij moeilijk volhouden dat alles alleen maar somber en zwaar was. Hij draaide zich naar Anna, die bezig was koffie te zetten, haar schouders recht, haar blik vastberaden. Het was alsof ze allebei tegelijk hadden besloten: Nu is het maar eens klaar met dat sombere gedoe. Toen Chris met de hond moe en hongerig terug kwamen van hun lange wandeling, zonder iets wolvigs te hebben gezien, namen ze plaats voor het ontbijt. Anna smeerde een cracker en keek opzij naar Fred. “Kijk,” zei ze met een schuin lachje, “het enige dat nu anders is, is dat we het weten. Verder is er niks veranderd. Niets anders dan gisteren, of vorige week.” Fred knikte langzaam, haar woorden door zich heen laten gaan. Hij staarde even in zijn koffiekop, alsof hij het antwoord daar kon vinden. Wanneer ben je eigenlijk ziek? Hij vroeg het zich hardop af. “Ben je pas ziek als je het weet? Of als je pijn hebt? Of als een scan je vertelt dat je ziek bent?” Anna haalde haar schouders op en glimlachte, een beetje uitdagend. “Misschien ben je pas ziek als je je ernaar gaat gedragen. Tot die tijd… zijn we gewoon onszelf.” Dat idee liet hem niet los. Misschien hoefde hij zich niet te laten definiëren door een diagnose. Misschien was hij alleen ziek als hij zich zo voelde. En vandaag? Vandaag zat hij aan de ontbijttafel, met een kop hete koffie en een broodje ham. Hij had geen pijn en dat was voor nu genoeg. Het voelde bevrijdend, bijna luchtig, alsof hij weer een beetje grip kreeg op zichzelf. Fred keek naar buiten, waar de ochtendmist langzaam optrok en vastberaden draaide hij zich naar Anna om en zei: “Laten we gaan fietsen. Dat geeft altijd energie en maakt je hoofd lekker leeg. En laten we eerlijk zijn, dat kunnen we wel gebruiken.” Anna knikte instemmend, maar wierp een blik op de ingrediënten die ze voor de soep had klaargelegd. “Eerst soep maken,” zei ze, terwijl ze de groenten begon te snijden. “De staafmixer is niet mee, dus alles moet in kleine stukjes. Zie het als mijn dagelijkse meditatie.” Fred grinnikte. Hij keek naar de berg groenten die steeds kleiner werd onder haar mes. “Misschien moet ik je vaker zonder staafmixer laten koken, dan blijft het tenminste spannend of we een soep of een salade krijgen.” Met een brede grijns riep Anna over haar schouder: “Pas maar op, voor je het weet is het soep met extra stukjes.” Niet lang daarna zaten ze op de fiets, de koude lucht sneed door hun jassen, maar de frisse energie voelde goed. Ze trapten stevig door richting Epe voor een paar boodschapjes, dwars door het bos, omringd door de kleuren van de herfst. Het gebied was prachtig, en even voelden ze zich helemaal los van alles wat hen bezig had gehouden. “Als het uitzicht mooier wordt dan mijn conditie aankan,” hijgde Fred lachend, “dan wil ik misschien toch die scootmobiel gaan overwegen.” Anna schoot in de lach. “Mooi niet, je hebt een fiets én een soep met extra stukjes, wat wil je nog meer?” Ze fietsten verder, lachend en genietend van de rust om hen heen. Fris en fruitig kwamen ze weer bij het huisje binnenrollen waar Chris de bank voor het raam had geschoven en in alle rust naar buiten keek op zoek naar het wild wat maar niet langs wilde komen. Zelfs de energieke hond was moegespeeld in de bladeren en van het springen door het heideveld en was in een ver dromenland. Maar al snel moesten ze toch weer naar buiten, de wildcamera moest opnieuw opgehangen worden. Chris trok zijn jas aan en gaf Anna een veelbetekenende blik. “Denk je dat het ons lukt om dit keer iets anders dan onze eigen schaduwen te filmen?” Anna grinnikte en knikte. “Wie weet hebben we deze keer geluk. Misschien trekt dat gekke huilen van jouw hond de hele roedel wolven wel aan”. Ze liepen door de schemering naar de rand van het bos om de camera een nieuwe plek te geven. De bomen stonden stil en donker om hen heen, hun schaduwen strekten zich uit over het pad alsof ze deel waren van een eeuwenoud sprookje. “Kijk,” fluisterde ze met een knipoog, “misschien zijn wij wel het wild dat hier gespot wordt.” Chris grijnsde breed en knikte richting de donkere bosrand. “Die wolf daar denkt nu vast: kijk, een hond met twee humans erbij... net als in Roodkapje. Wat een feestmaal.” Anna lachte en gaf hem een speelse duw. “Ja, hoor, en wij lopen zeker ook al van het pad af, hè? Jij en je Roodkapje-verhalen.” Chris haalde zijn schouders op, alsof hij zich niets beters kon voorstellen. “Als we maar geen mandje met koekjes bij ons hebben, komt het goed,” zei hij droog. Thuisgekomen hadden ze een eenvoudige beslissing genomen: het avondeten zou bestaan uit kaasfondue. “Als we toch een beetje vakantie houden,” zei Anna met een grijns, “dan kan een flinke pan gesmolten kaas er ook nog wel bij.” Fred deed zijn best om er serieus bij te kijken, maar de glinstering in zijn ogen verraadde zijn enthousiasme. “Een avondje vol overgave aan kaas? Nu ben ik gelukkig,” zei hij, terwijl hij zijn stokbrood in de dampende fondue doopte. Met dat beeld gingen ze de avond weer in, vol tevredenheid en een vleugje humor, genietend van de eenvoudige momenten die hun wereld weer even licht en warm maakten. HOOFDSTUK 9: GENIETEN De avond viel zacht over de Veluwe, en Fred en Anna zaten samen op de bank, gehuld in de warmte van het elektrische dekentje. Ze hadden een wisselende dag achter de rug, eentje waarin de kleine dingen centraal stonden. Ze waren begin van de middag op de fiets gestapt voor een tocht door de bossen, langs de heide die, ondanks dat al het paars veranderd was in bruin, een geweldig uitzicht bood. De wolven zouden in de buurt van een graf van Buys Ballot zijn en dat moesten ze natuurlijk zelf zien… dus kriskras door het veld, langs te smalle offroad paadjes en hobbelende blubber weggetjes zijn ze weer flink hun fiets gaan testen. Alleen een lupus canis familiaris gespot en ook nog van steen… De tocht was prachtig, maar voor Fred ook vermoeiend; eenmaal thuis was hij op de bank in slaap gevallen, terwijl Anna in haar eigen wereld was gedoken met klei en verf, haar gedachten omzettend in vormen en kleuren. Chris en Anna waren later op de middag met de fiets op pad gegaan, op zoek naar de “Big Five” van de Veluwe. Gewapend met verrekijker en warmtecamera waren ze door het bos gesjeest, maar na een 2 uur hadden ze alleen een enkele vogel gespot. De tocht was fantastisch. Aan het eind bijna pikkedonker en het was zoo stil in het bos. De stilte was stiller dan stil. Ze waren lachend teruggekomen, Anna licht teleurgesteld dat hun safari maar weinig had opgeleverd. Toen ze vanuit het tuinhuis met de warmtecamera keken, zat hun ‘eigen hert’ wel weer op zijn vaste stekkie in het veld. Toch nog iets van wild. De afgelopen nacht hadden ze de wildcamera opnieuw opgehangen, hopend op mooie beelden maar ook daar stond niets op. Voor vannacht heeft Chris een plekje gezocht achterin het veld. Vlakbij het ‘huishert’. Nu zaten Fred en Anna samen in de stilte, en de berichten en wensen van vrienden en familie gingen door hun hoofd. Iedereen leek het ze op het hart te drukken: Geniet! "Als iemand dat nog een keer zegt ga ik gillen" zei Anna. “Ze zeggen steeds dat we moeten genieten,” zei Fred, terwijl hij met een glimlach zijn schouders ophaalde. “Maar wat bedoelen ze daar eigenlijk mee? Wat is ‘veel genieten’? Of nog gekker: 'flink genieten'? Anna keek hem aan en knikte langzaam. “Ja, alsof genieten iets is wat je gewoon in een overdosis kunt doen,” zei ze. “Ik bedoel, er is geen knop die ik kan omzetten voor ‘extra veel genieten’. En eerlijk, moet ik dan nu dubbel zo hard van een kop koffie of een boswandeling genieten?” Fred grijnsde. “Precies! Alsof ik mijn zintuigen moet aanscherpen en alles bewust moet ervaren – ruiken, proeven, voelen. Straks moet ik nog een dagboek bijhouden: ‘Vandaag heb ik precies 37% extra genoten van de zonsopgang.’” Anna schoot in de lach. “Of een checklist afwerken: boswandeling – genoten, kop koffie – genoten, zonsondergang – dubbel genoten. Alsof genieten iets is wat je kunt afvinken.” Ze zaten even stil, de woorden overdenkend. Anna haalde diep adem. “Misschien is het meer… rust vinden in wat er is,” zei ze zacht. “Genieten is niet altijd dat groots en meeslepends, maar gewoon even dit… samen zijn, zonder dat er iets moet.” Fred glimlachte en kneep zachtjes in haar hand. “Ja,” zei hij, “misschien moeten we gewoon elke dag iets kleins opmerken en dat genoeg laten zijn. Het hoeft geen evenement te worden. “Nou, laten we dan maar eens genieten van het feit dat we niet hoeven te ‘genieten’,” zei Fred met een glimlach. HOOFDSTUK 10: ANNA Weer thuis, een paar dagen na het weekend op de Veluwe, voelde alles net iets te stil. Het gewone leven ging verder, met werken, opruimen, schoonmaken, en al die kleine dingen die de dagen vullen. Maar voor Anna was deze week zwaarder dan ze had verwacht. De spanning leek zich nu ook fysiek te vertalen: pijntjes in haar spieren, verkrampingen in haar maag, en een zeurende hoofdpijn die zich maar moeilijk liet negeren. Ze wist dat het waarschijnlijk het gevolg was van alles wat er gebeurde, maar dat maakte het niet minder frustrerend. Fred probeerde haar op te vrolijken, maar zelfs hij zag dat het de laatste dagen moeilijker voor haar was. Toch vond hij een manier om haar te laten glimlachen, zoals altijd. Toen ze een stapel kaartjes en appjes aan het lezen waren, steunbetuigingen die als warme woorden binnenkwamen, had Fred droog opgemerkt: “Nou, dat is dan tenminste één voordeel. Als het leven nog niet zo lullig is om je à la minute de nek om te draaien, krijg je tenminste nog de tijd om al die lieve dingen over jezelf te horen.” Anna had hem met een flauwe grijns aangekeken. “Je weet dat je dat alleen kunt zeggen omdat ik te moe ben om je een trap onder de tafel te geven, hè?” Maar ze moest toch lachen, zelfs door haar hoofdpijn. Gelukkig waren er ook andere lichtpuntjes. Haar vriendinnen… wat moest ze zonder hun… Nina, een van haar oudste vriendinnen, kwam langs met een luisterend oor. “Ik weet niet wat ik moet zeggen,” zei ze, “maar ik wilde gewoon dat je weet dat ik er ben.” Die simpele woorden, samen met hun gegrinnik om Fred's droge opmerkingen over de situatie en de komische beschrijving van het tegenwoordige leventje van haarzelf maakten dat het allemaal wat luchtiger werd. Later die week had Anna een thee- en chocoladeavond met Lisa. Een tafel vol theekopjes, bergen chocolade, en Lisa’s schitterende verhalen over kunst en creativiteit maakten dat Anna zich even helemaal op iets anders kon richten. “Thee en chocola, dat is mijn therapie,” had Lisa gezegd, en Anna kon niet anders dan haar gelijk geven. Het waren zulke momenten die het verschil maakten, hoe klein ze ook leken. Ondertussen stroomden de afspraken binnen. Brieven met datum en tijdstip voor bloedonderzoeken en hét gesprek met de oncoloog. Het voelde alsof het leven opnieuw in schema’s werd gedrukt, alsof een onzichtbare hand hun agenda overnam. Het zwaard van Damocles hing opnieuw dreigend boven hen, en hoewel ze wisten dat het eraan zat te komen, voelde het toch weer alsof ze opnieuw in een draaikolk werden gegooid. “Misschien moeten we ook gewoon een agenda voor leuke dingen maken,” zei Anna, terwijl ze de zoveelste afspraak in haar volle agenda noteerde. “Iets om die stomme afspraken mee te compenseren.” Fred knikte en trok een denkbeeldige lijst in de lucht. “Agenda voor leuke dingen: fietsen, samen kunst maken, musea, lekker eten, soep maken zonder staafmixer, kerstfilms en jou overhalen om eindelijk mee te doen aan mijn professionele niksdoenplan." Anna schudde lachend haar hoofd. “Als dat mijn toekomst is, dan weet ik niet of ik wel wil genieten,” grapte ze terug. De dagen kabbelden verder, met drukke momenten die de leegte doorbraken en stiltes die hen telkens weer inhaalden. Ondanks alles vonden ze samen een balans in de chaos. Fred bleef zijn grapjes maken, en Anna deed haar best om de fysieke en emotionele zwaarte van de week een plek te geven. Het was zwaar, maar samen vonden ze steeds weer een manier om door te gaan, soms met een lach, soms met een traan, maar altijd samen en met hulp van de mensen om hen heen… HOOFDSTUK 11: NIEMANDSLAND… Fred zat bij het raam, zijn blik gericht op de wereld buiten. De regen tikte zachtjes tegen het glas, een eindeloze stroom van koude druppels die in natte sneeuw overgingen zodra ze de grond raakten. Het gras was verzadigd, donkere plassen vormden zich op de kale plekken in de tuin, en de kersenboom en pereboom stonden als stille, drassige wachters in de grijze lucht. De kou leek door alles heen te sijpelen, tot in het huis, tot in zijn botten. Hij voelde zich leeg. Niet het soort leegte dat je krijgt na een lange dag, maar een diepe, zware leegte die zich niet laat vullen. Zelfs zijn grapjes, zijn trouwe metgezellen, hebben hem verlaten. Hij veegde met een hand langs zijn gezicht, maar de tranen waren onvermijdelijk. Ze kwamen stil, zonder drama, maar ze bleven komen, diep binnenin hem, alsof de regen buiten een echo in hem had gevonden. Het was alsof hij vastzat in een soort niemandsland. Tussen vorige week vrijdag, met de harde woorden van de specialist, en morgen, de afspraak bij de oncoloog. Hij weet niet wat morgen zal brengen, maar het wachten is als een eindeloze rotonde. Er is niets anders te doen dan zitten en proberen het uit te houden. Op de achtergrond staat de tv aan, Videoland speelt onafgebroken ‘Lotte’ af. Fred kan de stemmen inmiddels dromen, het eindeloze liefdesgedoe en drama dat dag na dag voorbij flitst. Hij had al meer afleveringen van Lotte gezien dan hij ooit had gedacht te kunnen verdragen, maar vreemd genoeg hielp het. Het leven van een ander, met andermans problemen, trok hem heel even uit zijn eigen hoofd. Het is net luchtig genoeg om te kunnen blijven hangen en net dramatisch genoeg om af te leiden. “Als je er over nadenkt, heeft die Lotte ook best een ellendig leven,” mompelde hij een keer tegen Anna. “Maar ja, als zij uit de set stapt is het weer over. Zou bij ons ook fijn zijn.” Anna, die op dat moment door de keuken schuifelde met een kop thee, glimlachte zwakjes. “Nou, als we de complete serie hebben afgekeken voor sinterklaas, dan weten we in elk geval genoeg van vreselijkheid en intriges om ons boek te verfilmen.” Anna liep door het huis, maar Fred zag aan haar dat ze ook niet lekker ging. Ze had het altijd druk met iets, alsof ze zichzelf wilde afleiden, maar haar ogen verraadden de spanning. Haar schouders hingen lager dan normaal, en ze zuchtte vaker dan anders. Toch keek ze af en toe naar hem, haar blik zacht, alsof ze hem probeerde te vertellen dat ze het begreep zonder woorden. “Het is morgen pas,” zei ze uiteindelijk, terwijl ze bij hem kwam zitten. Haar stem was zacht, maar ook moe. “We moeten nog een nacht door.” Fred knikte zwijgend, zijn blik nog steeds naar buiten gericht. Het landschap voelde net zo onbeweeglijk als hijzelf. Alles wachtte, alles was stil, behalve de regen, af en toe hagelstenen en de perikelen van Lotte op de achtergrond. Ze zaten naast elkaar, zwijgend, en keken naar de wereld achter het raam. Het wachten was zwaar, maar het was alles wat ze konden doen. ‘Doodvermoeiend’ zegt Fred, een poging toch nog een grapje te maken… Hoofdstuk 12: FONTEINSTRAAT 20 De ochtend begon anders. Toen Fred en Anna wakker werden, keken ze uit het raam en zagen een witte wereld. Een dikke laag sneeuw had alles bedekt en het was stil, alsof zelfs de wereld even zijn adem inhield, alsof de natuur had besloten iets van schoonheid te leggen over een dag die zo zwaar voelde. “Mooi,” zei Anna zacht, terwijl ze naar buiten staarde. De gebruikelijke ochtendrituelen lieten de tijd voorbij gaan en voordat ze het wisten was het tijd te gaan. Ze pakten de rolstoelfiets en gingen op weg, dik aangekleed compleet met pinopak, als eskimo’s tegen de kou, natte sneeuw die onderweg op hen neerdwarrelde. De rit naar het ziekenhuis was ijzig koud, met alleen het spetterende en glijdende kraken van de banden over de besneeuwde fietspaden als achtergrondgeluid. Ze spraken nauwelijks, allebei verloren in hun gedachten. Bij aankomst fietsten ze zo weer met fiets en al naar binnen door de draaideur. "Nou," zei Fred droog, "linksaf en nummer 20… dat is dan de laatste Fonteinstraat die we nog niet hebben bezocht. Compleet album.” Binnen op de afdeling oncologie hing een warme sfeer die haaks stond op de koude buitenwereld. De zitplekken waren comfortabel, de sfeerlampen verspreidden een zacht, troostend licht, en een vriendelijke vrijwilliger kwam met thee, koffie en koekjes. Fred en Anna zaten samen in een hoekje, hun handen om de warme mokken geklemd, terwijl ze in stilte wachtten. Toen kwam hun nummer op het schermpje FB nogwat, en samen liepen ze naar kamertje 7. Daar stond een jonge arts op hen te wachten, zijn glimlach beleefd, zijn stem kalm. Anna keek naar hem terwijl hij begon te praten. Zijn mond bewoog, woorden kwamen eruit, maar het leek alsof ze de betekenis niet meteen oppikte. Het voelde alsof ze naar een slecht afgestemde radio luisterde. In plaats daarvan dwaalden haar gedachten af. Wat een vrouwenhanden heeft hij, dacht ze. Geen tuinman in elk geval. “Anna?” Freds stem haalde haar terug naar het moment. Ze keek naar de arts, die haar nu even aankeek, maar zich daarna weer volledig op Fred richtte. “Niks meer aan te doen. Een paar maanden. Als je nog op reis wil, dan liever morgen. Bestraling bij pijn. Palliatieve zorg. Advies. Bellen volgende week nog wel even. Bla bla bla bla bla…” De woorden kwamen hard binnen. Anna’s keel werd droog. Wat zei hij nou eigenlijk? Een paar maanden? Dit was geen normale zin. Dit was geen normaal gesprek. Ineens was Anna bezig de fiets weer om te keren en reden ze nummer 20 weer uit… WTF was dit…Het klonk alsof iemand een deadline op Fred's leven had gezet, een klok die was gaan tikken zonder dat hij daar om had gevraagd. Na het gesprek gingen ze naar het restaurant in het ziekenhuis. Ze waren moe, koud en vooral leeg. Fred bestelde een kom soep en een broodje gezond… “Zou het helpen?” vroeg hij zacht, terwijl hij in de soep roerde. De eerste appjes gingen de ether in, naar familie en vrienden. De zakelijke kant van slechte nieuws werd op de automatische piloot afgehandeld. Lang leve de app. Gewoon berichtje kopiëren en iedereen die er toe doet is op de hoogte. Geen lange gesprekken en zielige blikken. Toen ze het restaurant en het ziekenhuis weer door de grote draaideur verlieten was de natte sneeuw over gegaan in stevige regen, het leek niets te weten van wat er in dat kamertje was gebeurd. Op de terugweg stopten ze bij de supermarkt en Anna rende even snel naar binnen voor noodzakelijke boodschappen voor moeilijke tijden: ze vulde snel een mandje met chocola, heel veel chocola, een liter chocolademelk en een bus slagroom. “Dat móet wel helpen.” dacht Anna bij de kassa. Thuis, met het elektrische dekentje aan en de chocolademelk dampend in hun mokken, kropen de poezen weer op schoot. Dit was een beetje troost. De warmte deed goed, de dag was zwaar geweest. Toch voelde het alsof ze voor een moment weer adem konden halen. Misschien was dat voorlopig alles wat ze konden doen. HOoFDSTUK 13: Fred zat in zijn vertrouwde stoel voor het raam, een halflege kop koffie naast zich op de vensterbank. Buiten was het stil en grijs, de bomen bewogen nauwelijks in de koude wind. Hij wachtte. De telefoon lag op de armleuning, klaar voor de afspraak met de oncoloog. Tijd kroop voorbij, alsof de minuten zich met tegenzin lieten meetellen. Weer een belangrijke stap, weer een moment dat hem dichter bracht bij het einde. Anna liep stil door het huis, af en toe een blik op hem werpend. Ze wist hoe zwaar dit wachten hem viel, hoe elke afspraak, elke beslissing hem confronteerde met wat kwam. Niet alleen de oncoloog stond op de agenda, maar ook gesprekken met de begrafenisondernemer en de huisarts over euthanasie. Het waren onderwerpen die in hun leven leken te horen, maar ze voelden zo onwerkelijk, alsof ze in een vreemde film waren beland. De telefoon ging. Fred ademde diep in en nam op en zette de telefoon op de speaker. Anna keek vanuit de keuken toe, haar handen rustend op het aanrecht, alsof ze zich eraan vast moest houden. Fred's stem was laag, rustig, terwijl hij luisterde naar wat de oncoloog zei. De man aan de telefoon draaide zijn praatje af en was al lang blij dat het geen emotionele toestand was. De belangrijke vragen werden gesteld en na de vraag of er nog vragen waren hing hij op met de woorden ‘sterkte’... Fred legde zijn telefoon langzaam op de leuning neer, zuchtte diep, starend naar het raam. “Hij draagt alles over aan de huisarts,” zei hij uiteindelijk, zonder zich om te draaien. Zijn stem klonk vlak. “Het is nu officieel. Alles wat er nog is, gaat via de huisarts. Hij zei het echt… dit wordt mijn laatste kerst.” Anna kwam bij hem zitten, haar hand zachtjes op zijn arm. Ze slikte, haar keel droog. “Het is veel, hè,” zei ze zacht. Fred draaide zich eindelijk naar haar om, een kleine glimlach om zijn mond. “Nou ja,” zei hij met een schuin lachje, “dan zorg ik wel dat ik dit keer níét hoef te doen alsof ik die kerstliedjes leuk vind. En al die verplichte eetfestijnen? Die slaan we ook over! Ik mag dit jaar gewoon helemaal zelf bepalen hoe het gaat.” Anna grijnsde, ondanks de tranen in haar ogen. “O ja? Dus stamppot met een kaarsje erbij? Of patat op een kerstbordje? Alles in joggingbroek, met ongekamde haren en kerstsokken aan?” Fred grinnikte. “En als toetje chocolademousse uit een plastic bakje. Dit jaar ga ik écht voor stijl.” Anna lachte hardop en schudde haar hoofd. “En jij noemt dat kerst? Weet je wat? Dan trekken we het dekentje erbij en doen we kerst aan op bank. Ik zing hooguit Stille Nacht als ik zie dat je weer in slaap valt.” Fred leunde achterover en grijnsde breed. “Deal. Het klinkt als de beste kerst ooit.” Die middag zaten ze samen op de bank, dicht tegen elkaar aan onder hun vertrouwde elektrische dekentje. Anna staarde naar buiten, terwijl Fred met zijn vingers speelde met de rand van het dekentje. “Dus,” begon hij, “wat gaan we nog fietsen? Rome, Parijs?” Anna knikte, haar stem serieus maar zacht. “Als je echt maar een paar maanden hebt, moet het wel haalbaar zijn. Misschien… misschien is samen fietsen gewoon genoeg. Het hoeft geen groot avontuur te worden.” Maar haar ogen begonnen weer te glimmen terwijl ze de woorden uitsprak. “Maar stel je voor, Fred... toch die Romeplannen. Nog één keer een geweldige tocht maken. Eerst Rome zien, dan sterven… dat klinkt toch als een soort Hollywoodfilm.” Fred trok een wenkbrauw op en keek haar met een schuine glimlach aan. “Ja, maar in mijn versie overleeft de held wél. Misschien moeten we Rome overslaan, gewoon voor de zekerheid.” Anna schoot in de lach. “Oké, laten we de titel aanpassen: Eerst Parijs zien, dan nog heel lang leven. Klinkt dat beter?” Fred knikte bedachtzaam. “Minder dramatisch, maar ik zie de voordelen. Of wat dacht je van de kustroute? Eerst de zee zien, dan weer heel veel chocola eten. Dat klinkt pas echt haalbaar.” “Of we blijven thuis en kijken hoe ver we komen op de hometrainer,” grapte Anna, terwijl ze een kussen naar hem gooide. Ze lachte en leunde achterover op de bank. “Misschien is dat het: geen grootse avonturen, gewoon samen fietsen, chocola, en wie weet, een pizza onder een elektrisch dekentje” Fred grijnsde. “Deal. En wat er ook gebeurt, ik beloof dat ik niet sterf in Rome. Of Parijs. Of bij de kust. Dat zou het hele plan verpesten.” Ze keken elkaar aan en lachten, met dat typische soort humor dat hen altijd weer even terugbracht naar het nu, een plek waar alles lichter voelde. Anna grinnikte nog na, maar haar gezicht werd serieuzer. “Fred… als je echt maar een paar maanden hebt, wat staat er dan op jouw bucketlist? Echte dingen, niet flauwekul.” Fred dacht even na. “Nou, ik ga niet bungeejumpen en ik hoef ook niet per se aan een parachute te hangen. Maar musea, gekke films kijken en in de natuur zijn… dat wil ik nog wel. Samen op pad. Waar dan ook heen.” “Meer niet?” vroeg Anna, haar stem zacht. Fred haalde zijn schouders op. “Liefst rust en tijd met jou. Wat we nu doen, hier op de bank, dat is eigenlijk al genoeg.” Ze zaten nog even zo, luisterend naar de regen die zachtjes tegen het raam tikte. Het leven voelde anders, alsof ze in een andere dimensie leefden, een wereld waar alles tegelijk belangrijk en betekenisloos leek. Elke week lijkt een eeuwigheid en toch vliegt de tijd voorbij Maar ze wisten één ding zeker: wat er ook zou komen, samen fietsen, ergens naartoe, zou altijd op de lijst staan. Hoofdstuk 14: AMARYLISSEN EN KUNST De dagen rijgen zich aaneen. Alles gaat door, maar niets voelt hetzelfde. Zelfs de gewone dingen zoals werken, opruimen, bezoekjes, hebben een andere lading gekregen. Ze doen alles bewuster, alsof ze bang zijn iets over het hoofd te zien. De tijd drukt harder, maar voelt ook zachter. Hun woorden, hun aanrakingen, zelfs het stofzuigen, alles heeft een soort betekenis die het daarvoor niet had. En toch zijn er momenten waarop het hen ineens overvalt. Anna had het deze week zwaar. De spanning in haar lijf liet zich voelen: verkrampte spieren, een knoop in haar maag die niet los wilde laten, en een vermoeidheid die ze niet kende. Op een ochtend, toen ze voor de zoveelste keer een paracetamol pakte, besloot ze de huisarts te bellen. “Ik moet gewoon even sparren,” zei ze tegen Fred. “Laten we hopen dat hij een toverstokje heeft voor mij zodat ik in elk geval stevig op de been blijf. Ik kan zijn advies wel gebruiken.” Na haar afspraak kwam Anna thuis met een iets opgeluchtere blik. “Hij zei dat ik mezelf moet toestaan om moe te zijn,” vertelde ze, terwijl ze haar schoenen uitschopte en haar jas aan de kapstok hing. “Maar ik weet niet of ik dat kan. ADHD, PTSS en nu een TAT…” Fred keek op van zijn stoel. “Een wat?” “Een TAT,” zei Anna met een dramatische zucht. “Tekort Aan Tijd. Heel beperkend, hoor!” Fred grijnsde breed. “Moe zijn is makkelijk, joh. Ik ben er al jaren goed in. Moet ik je even laten zien hoe het werkt?” Nog geen tien minuten later lagen ze samen onder hun elektrische dekentje, hun vaste schuilplaats deze dagen. Op de tv speelde weer een mierzoete kerstfilm, het soort dat steevast eindigt met een sneeuwballengevecht en een voorspelbare zoen. “Happy end gegarandeerd,” mompelde Fred, terwijl hij naar het scherm knikte. “Ze maken die dingen echt voor ons.” Anna glimlachte, haar hoofd tegen zijn schouder. Buiten was het koud en donker, maar binnen brandden de lampjes van de lange rij huisjes van de Postcodeloterij gezellig op de vensterbank. Het was donker, ja, maar het licht was er ook. Samen wisten ze dat wel te vinden. Ondertussen probeerde Anna ondanks alles iets van de Sinterklaastijd te maken. Ze regelde een baardlichtjes-Piet die onverwacht bij Fred aan de deur stond met een cadeau. Fred keek verbaasd op toen hij achterom binnen liep, zijn blik gleed langs de flikkerende baardlampjes. “Nou, wat kom jij nou weer doen?” vroeg hij met een grijns, terwijl hij zijn favoriete bezorger herkende. “Special delivery,” zei de Piet met een overdreven knik, terwijl hij een pakje overhandigde. “En ik heb ook nog een jute zak vol pillen, mocht u daar interesse in hebben.” Fred schoot in de lach. “Nou, stop die maar lekker in je …. schoen.” Anna, die vanuit de keuken toekeek, glimlachte breed. Het was maar een klein gebaar, maar precies genoeg om een vleugje Sinterklaasvreugde terug te brengen in hun huis. Ondertussen hielden praktische zaken hen bezig. Fred en Anna besloten dat het tijd was om alles rond te maken voor de toekomst. “Laten we alles afhandelen voordat we verdergaan,” zei Fred, terwijl hij zijn agenda opensloeg. “Dan ligt alles vast, en hoeven we daarna niet meer te piekeren.” De huisarts kwam langs om over euthanasie te praten. Het was een serieus gesprek, maar Fred kon het niet laten om af en toe een grapje te maken. “Dus,” begon hij met een schuine glimlach, “als ik straks zeg dat ik het niet meer trek, mag ik dan eerst nog een toetje? Of is dat geen onderdeel van het protocol?” De huisarts schoot in de lach en schudde haar hoofd. “Nou, officieel niet,” zei ze, “maar ik zal kijken wat ik voor je kan regelen. Moet het chocolademousse zijn?” Fred grijnsde breed. “Absoluut. Liefst met slagroom, anders voelt het niet officieel.” Anna rolde met haar ogen, maar er zat een glimlach op haar gezicht. De huisarts keek hen even beiden aan, haar blik warm en begripvol. “Ik ben blij dat jullie zo open kunnen praten,” zei ze. “Dat maakt alles wat makkelijker, voor ons allemaal. Hopelijk duurt het nog een hele tijd, maar weet dat we er voor je zijn wanneer het nodig is.” Fred knikte, zijn gezicht weer serieus. “Het is fijn om te weten dat ik die keuze heb. Maar euh, die chocolademousse... die kan ik al eerder inzetten, toch?” De drie lachten samen, en hoewel het allemaal zwaar was, voelde het gesprek toch lichter door de humor die de kamer vulde. Maar niet alles was serieus en zwaar. De plannen voor een fietstocht begonnen vorm te krijgen. “Wat dacht je van Parijs via de Van Gogh-route?” stelde Anna voor. “Dan kunnen we daarna verder naar het zuiden afzakken, als het allemaal lukt. Het is daar in elk geval warmer. Over de Alpen naar Rome lijkt me in de winter een slecht plan. Tenzij je van ijskoud afzien houdt.” Fred grinnikte. “Nee, bedankt. Ik wil mijn tenen wel meenemen naar Rome. En Parijs klinkt goed. We zijn allebei gek op kunst, toch?” “Als ze maar chocolademousse hebben,” zei Anna met een grijns. “Dat is jouw enige echte kunstvorm.” Het gesprek nam een andere wending toen Fred ineens zei: “Ik wil iets van kunst achterlaten op deze wereld.” Anna keek op, haar hoofd een beetje schuin. “Kunst? Wat voor kunst?” “Een muurschildering,” zei Fred, alsof het al een uitgemaakte zaak was. Anna’s radertjes begonnen te draaien en ze was niet meer te stoppen. In de tijd dat Fred weer even moest bijkomen van alle dagelijkse beslommeringen en de duizeligheid die de laatste tijd meer de kop op steekt gaat Anna aan de slag… Binnen een dag waren de plannen ontploft in hun hoofden. De gemeente was betrokken, een kunstenares werd gebeld, en voor ze het wisten ontstond er iets fantastisch. Het voelde alsof ze per ongeluk een creatief veld hadden aangeprikt dat al op springen stond. “Dit wordt geweldig,” zei Anna, haar ogen glinsterend. “Een blijvende herinnering. Maar ook een stukje positiviteit voor iedereen. Wat een mooi idee”. Ondertussen stapelden de amaryllissen zich letterlijk op. Iedereen leek er een mee te nemen, alsof de bloemen de zwaarte van hun situatie wat lichter moeten maken. Fred grinnikte elke keer als er een nieuwe bij kwam. “Als dit zo doorgaat, moeten we ze in rijen van drie opstellen. We kunnen hier straks een bloementuin beginnen.” De bloemen, de muurschildering, de fietstocht, het waren allemaal dingen die hen hielpen om de zwaarte van dit moment aan te kunnen. Kleine lichtpuntjes die het donker wat minder donker maakten. En dat, wisten ze, was alles wat ze nodig hadden. Hoofdstuk 14: AMARYLISSEN EN KUNST De dagen rijgen zich aaneen. Alles gaat door, maar niets voelt hetzelfde. Zelfs de gewone dingen zoals werken, opruimen, bezoekjes, hebben een andere lading gekregen. Ze doen alles bewuster, alsof ze bang zijn iets over het hoofd te zien. De tijd drukt harder, maar voelt ook zachter. Hun woorden, hun aanrakingen, zelfs het stofzuigen, alles heeft een soort betekenis die het daarvoor niet had. En toch zijn er momenten waarop het hen ineens overvalt. Anna had het deze week zwaar. De spanning in haar lijf liet zich voelen: verkrampte spieren, een knoop in haar maag die niet los wilde laten, en een vermoeidheid die ze niet kende. Op een ochtend, toen ze voor de zoveelste keer een paracetamol pakte, besloot ze de huisarts te bellen. “Ik moet gewoon even sparren,” zei ze tegen Fred. “Laten we hopen dat hij een toverstokje heeft voor mij zodat ik in elk geval stevig op de been blijf. Ik kan zijn advies wel gebruiken.” Na haar afspraak kwam Anna thuis met een iets opgeluchtere blik. “Hij zei dat ik mezelf moet toestaan om moe te zijn,” vertelde ze, terwijl ze haar schoenen uitschopte en haar jas aan de kapstok hing. “Maar ik weet niet of ik dat kan. ADHD, PTSS en nu een TAT…” Fred keek op van zijn stoel. “Een wat?” “Een TAT,” zei Anna met een dramatische zucht. “Tekort Aan Tijd. Heel beperkend, hoor!” Fred grijnsde breed. “Moe zijn is makkelijk, joh. Ik ben er al jaren goed in. Moet ik je even laten zien hoe het werkt?” Nog geen tien minuten later lagen ze samen onder hun elektrische dekentje, hun vaste schuilplaats deze dagen. Op de tv speelde weer een mierzoete kerstfilm, het soort dat steevast eindigt met een sneeuwballengevecht en een voorspelbare zoen. “Happy end gegarandeerd,” mompelde Fred, terwijl hij naar het scherm knikte. “Ze maken die dingen echt voor ons.” Anna glimlachte, haar hoofd tegen zijn schouder. Buiten was het koud en donker, maar binnen brandden de lampjes van de lange rij huisjes van de Postcodeloterij gezellig op de vensterbank. Het was donker, ja, maar het licht was er ook. Samen wisten ze dat wel te vinden. Ondertussen probeerde Anna ondanks alles iets van de Sinterklaastijd te maken. Ze regelde een baardlichtjes-Piet die onverwacht bij Fred aan de deur stond met een cadeau. Fred keek verbaasd op toen hij achterom binnen liep, zijn blik gleed langs de flikkerende baardlampjes. “Nou, wat kom jij nou weer doen?” vroeg hij met een grijns, terwijl hij zijn favoriete bezorger herkende. “Special delivery,” zei de Piet met een overdreven knik, terwijl hij een pakje overhandigde. “En ik heb ook nog een jute zak vol pillen, mocht u daar interesse in hebben.” Fred schoot in de lach. “Nou, stop die maar lekker in je …. schoen.” Anna, die vanuit de keuken toekeek, glimlachte breed. Het was maar een klein gebaar, maar precies genoeg om een vleugje Sinterklaasvreugde terug te brengen in hun huis. Ondertussen hielden praktische zaken hen bezig. Fred en Anna besloten dat het tijd was om alles rond te maken voor de toekomst. “Laten we alles afhandelen voordat we verdergaan,” zei Fred, terwijl hij zijn agenda opensloeg. “Dan ligt alles vast, en hoeven we daarna niet meer te piekeren.” De huisarts kwam langs om over euthanasie te praten. Het was een serieus gesprek, maar Fred kon het niet laten om af en toe een grapje te maken. “Dus,” begon hij met een schuine glimlach, “als ik straks zeg dat ik het niet meer trek, mag ik dan eerst nog een toetje? Of is dat geen onderdeel van het protocol?” De huisarts schoot in de lach en schudde haar hoofd. “Nou, officieel niet,” zei ze, “maar ik zal kijken wat ik voor je kan regelen. Moet het chocolademousse zijn?” Fred grijnsde breed. “Absoluut. Liefst met slagroom, anders voelt het niet officieel.” Anna rolde met haar ogen, maar er zat een glimlach op haar gezicht. De huisarts keek hen even beiden aan, haar blik warm en begripvol. “Ik ben blij dat jullie zo open kunnen praten,” zei ze. “Dat maakt alles wat makkelijker, voor ons allemaal. Hopelijk duurt het nog een hele tijd, maar weet dat we er voor je zijn wanneer het nodig is.” Fred knikte, zijn gezicht weer serieus. “Het is fijn om te weten dat ik die keuze heb. Maar euh, die chocolademousse... die kan ik al eerder inzetten, toch?” De drie lachten samen, en hoewel het allemaal zwaar was, voelde het gesprek toch lichter door de humor die de kamer vulde. Maar niet alles was serieus en zwaar. De plannen voor een fietstocht begonnen vorm te krijgen. “Wat dacht je van Parijs via de Van Gogh-route?” stelde Anna voor. “Dan kunnen we daarna verder naar het zuiden afzakken, als het allemaal lukt. Het is daar in elk geval warmer. Over de Alpen naar Rome lijkt me in de winter een slecht plan. Tenzij je van ijskoud afzien houdt.” Fred grinnikte. “Nee, bedankt. Ik wil mijn tenen wel meenemen naar Rome. En Parijs klinkt goed. We zijn allebei gek op kunst, toch?” “Als ze maar chocolademousse hebben,” zei Anna met een grijns. “Dat is jouw enige echte kunstvorm.” Het gesprek nam een andere wending toen Fred ineens zei: “Ik wil iets van kunst achterlaten op deze wereld.” Anna keek op, haar hoofd een beetje schuin. “Kunst? Wat voor kunst?” “Een muurschildering,” zei Fred, alsof het al een uitgemaakte zaak was. Anna’s radertjes begonnen te draaien en ze was niet meer te stoppen. In de tijd dat Fred weer even moest bijkomen van alle dagelijkse beslommeringen en de duizeligheid die de laatste tijd meer de kop op steekt gaat Anna aan de slag… Binnen een dag waren de plannen ontploft in hun hoofden. De gemeente was betrokken, een kunstenares werd gebeld, en voor ze het wisten ontstond er iets fantastisch. Het voelde alsof ze per ongeluk een creatief veld hadden aangeprikt dat al op springen stond. “Dit wordt geweldig,” zei Anna, haar ogen glinsterend. “Een blijvende herinnering. Maar ook een stukje positiviteit voor iedereen. Wat een mooi idee”. Ondertussen stapelden de amaryllissen zich letterlijk op. Iedereen leek er een mee te nemen, alsof de bloemen de zwaarte van hun situatie wat lichter moeten maken. Fred grinnikte elke keer als er een nieuwe bij kwam. “Als dit zo doorgaat, moeten we ze in rijen van drie opstellen. We kunnen hier straks een bloementuin beginnen.” De bloemen, de muurschildering, de fietstocht, het waren allemaal dingen die hen hielpen om de zwaarte van dit moment aan te kunnen. Kleine lichtpuntjes die het donker wat minder donker maakten. En dat, wisten ze, was alles wat ze nodig hadden Hoofdstuk 15 VAN KERSTBOOM VIA UITVAART NAAR LOURDES Dr. Tinus was uitgekeken. Letterlijk. Ze hadden de serie tot de laatste aflevering uitgemolken, verdwenen in het leven van de autistische dokter. Maar nu was de serie voorbij, en met de leegte op het scherm kwam ook een nieuwe vraag: wat nu? Even wat series bekeken maar nog niks gevonden. Niets was verdovend genoeg voor de ziel. “Losse kerstfilms dan maar?” stelde Anna voor, terwijl ze de afstandsbediening van tafel pakte. Het waren weer de voorspelbare verhalen, maar juist dat was precies wat ze nodig hadden. Even geen verrassingen, alleen zekerheid dat alles goed zou komen, al was het maar op het scherm. Ondertussen kreeg het huis ook langzaam een kerstmake-over. Ze hadden een boom gehaald, een grote groene reus, met kluit, die ze bijna niet door de voordeur kregen. “Als hij blijft hangen, knippen we de deur eruit,” grapte Fred. Boven op zolder werden oude dozen met kerstspullen van onder een dikke laag stof gehaald. Slingers, lichtjes, een vergeeld kerstengeltje, alles kwam naar beneden. Veel herinneringen kwamen voorbij bij het uitpakken. Herinneringen aan voorgaande zorgeloze kerstdagen. Anna streek met haar vingers langs een van de oude kerstvogeltjes die ze uit een stoffige doos had gehaald. Het was een klein, broos ding, met verbleekte veertjes en een klemmetje dat nauwelijks meer werkte. Ze zette het voorzichtig in de boom, naast een paar andere vogels. “Die zijn voor mij en de jongens,” zei ze zacht, meer tegen zichzelf dan tegen Fred. “ ik hou van deze vogeltjes. Elk jaar moesten ze in de boom, anders was het geen kerst. Net als het hartje bovenop de top, liefde over de wereld” Fred keek op van de lichtjes die hij probeerde te ontwarren. “Ik heb ook een favoriet, weet je.” Hij pakte een bal met een patroon van ruitjes en hield die triomfantelijk omhoog. “De Schotse bal. Het enige wat me doet denken aan Schotland… Die bal is al een halve eeuw oud, net als mijn fascinatie.” Ze haalde nog een ornament uit de doos: een kleine glazen hond, met een speelse houding en een glimmend strikje om zijn nek. Ze hield hem even vast, haar blik zacht. “Die is voor Skido,” zei ze uiteindelijk. "Die al jaren niet meer bij mij is". Fred knikte, “mooi” zei hij. “En die andere is voor Djinx” terwijl hij naar een glanzende bal wees met een foto van een jonge hond erop. Anna glimlachte. “Die bal heb ik speciaal laten maken. Onze boom is een halve dierentuin.” “Maar wel een mooie dierentuin,” zei Fred, terwijl hij de bal in een stevige tak hing. De oude versieringen brachten meer dan alleen licht in de boom. Ze brachten verhalen, herinneringen die kleefden aan het glas, het hout en de veertjes. Voor Anna voelde het alsof haar moeder nog steeds een hand had in hoe de boom eruit moest zien, zelfs jaren later. Ze deed een stap achteruit, bekeek het geheel en glimlachte. “Het is geen perfecte boom, maar het is wel ónze boom.” In de afgelopen dagen gingen ook de ideeën rond het kunstproject sky high. Het kunstproject, dat eerst zo’n mooi en eenvoudig idee leek, begon nu meer op een bureaucratisch mijnenveld te lijken. De locatie, nog geheim, bleek misschien wel eigendom te zijn van een bedrijf die het niet zomaar wilde toestaan dat erop geschilderd zou worden. Anna zat aan de keukentafel met de telefoon tegen haar oor en een notitieboekje vol krabbels voor zich. “Ja, ik begrijp het,” zei ze voor de derde keer die middag. “Maar weet u misschien wie ik daarvoor kan bellen?” Fred keek op van zijn tablet. “Als dit zo doorgaat, schilder ik mijn naam wel in grote letters op een viaduct. Dan hebben we in ieder geval iets kunstzinnigs.” Anna grinnikte en legde de telefoon neer. “Laten we proberen het officieel te houden, meneer Graffiti-kunstenaar.” De gemeente had zelfs een alternatieve locatie voorgesteld, maar die voelde niet goed. Ze wisten allebei dat ze het juiste plekje al hadden gevonden. Nu was het wachten op een mail van de juiste persoon om groen licht te krijgen. “Wat een gedoe,” zuchtte Anna. Fred glimlachte. “Maar als… dan maken we er iets fantastisch van.” Verder was het ook een serieuze week. De begrafenisondernemer kwam langs. Het gesprek was zwaar en confronterend, maar de vrouw wist de sfeer te verzachten met haar warme persoonlijkheid en een goed gevoel voor humor. “Als ik iemand mijn eigen begrafenis zou laten regelen, zou ik haar kiezen,” zei Fred met een knipoog toen ze weg was. Ze hadden het gehad over alles wat erbij komt kijken: de kaart, de muziek, zelfs een gedicht voor op de kaart. Het waren woorden die hen allebei emotioneerden. Toen ze klaar waren, keek Fred naar Anna en zei: “Goed. Dat is geregeld. Nu kunnen we ons richten op wat echt belangrijk is. Fietsen.” De plannen voor de tocht werden steeds concreter. Het zou Lourdes worden, maar niet rechtstreeks. Ze zouden vanuit huis vertrekken, of misschien vanaf een mooie locatie in Groningen, hun beider geboorteplaats. De route zou kriskras door Nederland lopen, langs plekken die Fred nog wilde zien. “Misschien een testfase,” zei Anna, terwijl ze een kaart op tafel legde. “We kijken eerst hoe het gaat in de winter, met onze beperkingen en de rolstoelfiets of de tandem-trike. Langzaam richting Maastricht. Als dat goed gaat, kunnen we verder.” Fred knikte. “Maar een tent slaan we over dit keer. We hebben al moeite genoeg om al die dikke winterkleding mee te nemen. Dat wordt dus een karretje erachter”. “Dus,” begon Anna, “kamperen is geen optie. En we hebben een warm onderkomen nodig, iets betaalbaars waar ik je ook een beetje fatsoenlijk kan verzorgen.” Ze zuchtte. “En uit eten zit er ook niet echt in. Of je moet zin hebben in een constant dieet van patat en goedkope pizza.” Fred keek op van zijn telefoon. “Nou, ik hoop dat Gaston of Winston nog even langskomt met een prijsje. Dan gebruiken we dat op de route naar Lourdes.” Hij grijnsde. “Een villa langs de weg, mét jacuzzi, klinkt ineens heel aantrekkelijk en elke dag heerlijk uit eten” Anna schudde lachend haar hoofd. “Gaston brengt geen villa’s. En Winston komt hooguit met een stuk chocola of een theeglas.” Ze prikte met haar pen op de kaart. “Misschien vinden we gewoon goedkope hotelletjes of herbergen waar we op een brandertje een maaltijd in elkaar kunnen flansen. Een soort nomadisch huiskamerleven.” Anna lachte, maar haar blik ontspande toen ze naar de kaart keek. “We maken het gewoon simpel. Warmte, rust, en een plek waar we even samen kunnen zijn. Dat is alles wat we nodig hebben.” Fred knikte. “Dat, en een beetje creativiteit met die brander. Misschien kunnen we pasta koken in een hotelwaterkoker. Wacht maar af, dat wordt een hit op TikTok.” Met dat beeld, een reis vol eenvoudige kamers, improvisaties, en veel gekke maaltijden, voelde de tocht naar Lourdes ineens een stukje dichterbij. Het zou niet perfect zijn, maar dat was het ook niet nodig. De kosmos zal het wel regelen… “Lourdes of niet,” zei Fred zacht, "Het gaat om de reis. En samen.” Wel een btje lang dit keer... 🫣 Hoofdstuk 16 ROLLEND NAAR DE KERST… De dagen kabbelden voort, gevuld met een mix van gewone dingen en grote plannen. Het werk vroeg aandacht, net als de dagelijkse verplichtingen die soms meer energie vroegen dan ze konden geven. Fred en Anna gingen door, zoals ze dat altijd hadden gedaan. Boodschappen werden gehaald, mailtjes beantwoord, afspraken ingepland. En toch, terwijl het leven bijna weer voelde als voorheen, hing er een onzichtbare spanning in de lucht. Een soort achtergrondruis dat zich niet liet wegdraaien. Soms, tijdens een gewone dag, schoot er ineens een gedachte door Anna heen. Als een onverwachte schok, een flits die de adrenaline liet ontploffen in haar lijf. “Is dit de laatste 21 december, de laatste midwinter?" dacht Anna, terwijl ze clientenafspraken in haar agenda invulde. Ze keek op naar Fred, die in zijn stoel zat en naar buiten staarde. “Is dit de laatste kerst?” dacht ze… De vragen kwamen niet met antwoorden, alleen met een zwaar, beklemmend gevoel. De wereld draaide door, alsof er niets aan de hand was. Maar voor hen stond alles stil. Of misschien juist niet. Misschien ging het te snel… Fred zuchtte en legde zijn telefoon aan de kant. “Denk je dat het echt zo is?” vroeg hij, zijn stem zacht. Anna wist meteen wat hij bedoelde. “Dat dit de laatste keer is?” zei ze. Ze haalde haar schouders op en keek naar de boom, die prachtig vol lichtjes stond te stralen. “Ik weet het niet. Maar het voelt alsof we de tijd willen rekken. Alsof we alles willen vastpakken en niet meer loslaten.” Fred knikte langzaam. “Ik heb altijd gedacht dat je het kon veranderen. Dat als je maar hard genoeg probeerde, je het kon rekken. Maar dat is natuurlijk onzin.” Ze vielen even stil. Buiten kleurde de lucht al voorzichtig donkerder al was het nog maar 4 uur. De eerste lampen gingen aan in de straat. Het huis voelde warm, gevuld met het licht van de boom en de gezellige rommel van een leven dat doorging. Maar toch... dat gevoel. Dat gevoel van ‘laatste keren’... Later die avond zaten ze samen op de bank, met hun vertrouwde elektrische dekentje over zich heen. Fred keek naar de kerstboom en glimlachte flauwtjes. “Weet je,” zei hij, “ik heb nooit zoveel gehad met kerst. Maar nu lijkt het toch ineens ‘iets’ te zijn.” Anna knikte. “Het is alsof elke kleine traditie belangrijker wordt. De vogeltjes in de boom, de lichtjes... zelfs die rare Schotse kerstbal van jou.” Ze gaf hem een elleboogstootje maar zuchtte zacht. Fred keek op. “Wat zit je nou zo moeilijk te kijken?” Anna twijfelde even. “Ik vraag me gewoon af… moeten we niet toch iets proberen? Iets buiten het ziekenhuis? Er moet toch iemand zijn op de wereld die je beter kan maken?” Fred grinnikte. “Als ze ergens chocola en slagroom voorschrijven, sta ik morgen op de stoep.” Hij keek haar even aan en werd serieuzer. “Maar echt, wat zou jij doen als je mij was?” Anna haalde haar schouders op. “Waarschijnlijk compleet hysterisch worden. Alles bij elkaar schreeuwen en dan naar elke hocus pocus grijpen die er is.” Ze glimlachte zwak. “Maar jij… jij blijft gewoon ‘gewoon’, gewoon jezelf. Dat is zo stoer. Mijn dappere Dodo, mijn stoere fietsmaatje” Ze zaten daar in de stilte van de avond, terwijl de wereld doorging en de tijd zich niets aantrok van hun gedachten. Het leven ging bijna zoals altijd, maar het voelde alsof ze voortdurend in twee werelden leefden: die van nu en die van straks. Ze waren tegelijk hier en daar… Later die week stond er weer een ziekenhuisbezoek op de planning, deze keer naar de internist, degene die alle uitslagen en degelijke verzamelde en aanspreekpunt was. De sfeer was beladen en toch ook berustend. Anna vroeg zich stilletjes af of dit misschien een soort afscheid was. Afscheid van het ziekenhuis, alle onderzoeken… de kaart is vol, alle nummertjes van het ziekenhuis waren afgestreept… ‘bingo’... De internist nam uitgebreid de tijd. Hij legde alles rustig uit, van de scans tot de onderzoeken, en sprak in heldere maar serieuze bewoordingen. Maar een oplossing had hij niet, ook niet om hen meer tijd te geven, helaas. Toen alles besproken was, keek hij hen even aan en zei: “Als jullie nog willen fietsen, is het verstandig om snel te vertrekken. Januari zou echt het beste zijn. Liever koud en fit dan warmer en ziek ” Anna keek naar Fred, die kort knikte, zijn gezicht kalm, alsof hij het nieuws al had zien aankomen. Die moedige cowboy… Toen ze later samen het ziekenhuis uitfietsten, met oliebol, hing er een stilte tussen hen. Fred keek voor zich uit, en Anna wist dat hij hetzelfde dacht als zij: Pffieuw… het wordt nu echt. Toen ze thuiskwamen, wachtte er onverwacht goed nieuws. Een e-mail van Stichting De Gouden Schakel bracht een juichkreet van Anna uit de keuken die chocolademelk aan het maken was. Ze hadden een mooi bedrag toegekend gekregen om te helpen met de kosten van de reis, iets wat de tocht naar Lourdes ineens een stuk minder onzeker maakte. “Wauw,” zei Fred, terwijl hij aan kwam lopen en over haar schouder meelas. “We zitten in de goede stroom, hè? Alles lijkt ineens samen te vallen, hulp komt van alle kanten. Wat is dat ontzettend gaaf. Je zou bijna weer vertrouwen in de mensheid gaan krijgen… maar laten we het niet te gek maken.” Anna lachte. “Nee, straks verwacht je dat de buren ook nog chocola komen brengen.” Fred knikte ernstig. “Nu je het zegt, dat klinkt niet verkeerd. Misschien moet ik even een hint laten vallen.” Maar het gesprek draaide al snel terug naar de vraag of ze nog iets moesten ondernemen tegen de kanker. “Je bent toch al uitbehandeld,” zei Anna zacht, terwijl ze naar Fred keek. Fred haalde zijn schouders op. “Ja, maar mijn vriendinnen zeggen steeds dat ik die Germaanse geneeskunde moet proberen. Misschien moeten we gewoon een gesprek aanvragen. Anna glimlachte. “En we bestellen dan ook die zuurzakbladeren voor thee. Surinaamse hocus pocus, wie weet helpt het.” Fred grinnikte. “Misschien moet ik het gewoon allemaal proberen. Ik bedoel, alle beetjes helpen. Wat heb ik te verliezen?” “Nou,” zei Anna terwijl ze hem een blik toewierp, “je bent in elk geval fitter door mijn ochtendslowjuicerdrankjes. Ik zweer het je, die wortel-gembermix doet iets.” Fred rolde met zijn ogen, maar er speelde een glimlach om zijn lippen. “Dat geloof ik meteen. Misschien moet ik die Germaanse geneeskunde toch maar een kans geven, al is het maar om te kunnen zeggen dat ik alles heb geprobeerd.” Omdat Anna merkte hoe belangrijk vriendschappen waren, vooral in moeilijke tijden, besloot ze iets te organiseren om samen met een paar dierbare vrouwen te ontspannen, zonder Fred. Hij ging met Robin, zijn trouwe kerstelfje, op pad om bijzondere foto's te gaan maken. Het werd een thee-avond. Een eenvoudige opzet: een tafel vol thee, chocola, en een rustige sfeer. Het was fijn om even te zitten en te praten, over praktische zaken, emoties, en hoe je met het leven omgaat. Maar Anna wilde meer. Ze wilde dat de avond ook iets zou brengen, iets dat hen zou verbinden en een moment van rust bood. “Wat als we gaan tekenen?” stelde Anna voor. “Gewoon iets kleins. Streepjes, rondjes, kleuren. Het hoeft nergens op te lijken, het gaat alleen om het doen.” De andere vrouwen keken haar even aan, en toen begonnen ze te glimlachen. “Waarom niet?” zei iemand. Anna pakte potloden en papier en legde ze op tafel en iedereen kreeg een woord waar ze iets mee konden doen… Aarzelend begonnen ze, maar al snel zaten ze allemaal geconcentreerd te werken. Streepjes en cirkels verschenen op het papier, kleine vormen die zich vulden met kleuren. Het voelde meditatief, bijna kinderlijk in zijn eenvoud, en dat maakte het juist zo fijn. “Dit is eigenlijk heerlijk,” zei een van de vrouwen. “Ik heb dit al jaren niet meer gedaan.” Anna glimlachte terwijl ze haar potlood over het papier liet glijden. Het voelde alsof haar gedachten even stiller werden, alsof ze een beetje ademruimte vond in de chaos van haar dagelijks leven. “Soms is het goed om iets te doen dat nergens op hoeft te lijken. Gewoon om weer even bij jezelf te komen.” Het was maar een klein idee, maar het had een grote impact. Die avond voelde Anna de kracht van vriendschap, creativiteit, en de simpele vreugde van iets maken zonder druk of verwachtingen. Het gaf haar precies wat ze nodig had om door te gaan. De plannen voor januari werden steeds concreter. Ze zouden écht vertrekken, ondanks alle spanning en de beren die ze op de weg zagen. Er waren zoveel dingen die nog geregeld moesten worden. Er waren zoveel meer onzekerheden dan zekerheden… Zou de oppasser voor het huis en de dieren wel kunnen zo snel? En alle medische beperkingen van Fred maar ook die van Anna. Zouden ze het wel aankunnen? Is het niet te koud? Het kunstproject, dat hen zo veel energie had gegeven, bleef vastlopen in bureaucratie. Met de feestdagen voor de deur was er weinig beweging in de zaak. Het wachten is op een mail waarin wordt verklaard van wie de te beschilderen muren zijn… “Tjonge jonge, wat is er nou moeilijk aan om een mail retour te sturen… En iedereen is nu vrij tot 6 januari,” mopperde Anna. “Dus voorlopig is het gewoon wachten.” Fred probeerde de omdenkmethode. “Dat betekent dat wij nu ook tijd hebben om ons op de fietstocht te richten. Nu alleen bezig met het huis opruimen, voorraden voor de dieren aanvullen, warme spullen verzamelen en nadenken over de route en vertrekdatum. Na 6 januari pakken we de rest weer op.” “Okee”, zucht Anna en ze begon maar eens weer haar eet/teken/klei/tafel leeg te ruimen… Een ander hoogtepunt was het bezoek van de ‘krantenman’. Hij was enthousiast over hun verhaal en bood aan te helpen op manieren die ze niet hadden verwacht. “Jullie tocht naar Lourdes en jullie plan voor het kunstwerk is niet alleen inspirerend,” zei hij, “het is ook een boodschap. Mensen hebben dit nodig.” Zijn woorden gaven hen extra kracht, alsof ze niet alleen hun eigen verhaal vertellen, maar ook iets voor anderen kunnen betekenen. Dat was een mooie gedachte en zo rolden ze samen naar de Kerst… Hoofdstuk 17: FIETSEND HET JAAR UIT... De kerstdagen waren weer voorbij. Ze hadden geprobeerd om ze vast te houden, om de klok als het ware te vertragen. Maar tijd is genadeloos, en net als alle andere dagen glipten ook deze tussen hun vingers door. Voor Anna voelde het zwaar. “Is dit de laatste kerst? De laatste keer dat we samen met alle lichtjes en kaarsen aan commentaar leveren op al die heerlijk voorspelbare kerstfilms?” Ze keek naar Fred, die nog steeds onder het elektrische dekentje lag. Hij nam een slokje van zijn koffie en staarde uit het raam. Hoe kan hij zo rustig zijn? vroeg Anna zich af en zei “Is dit het voor jou? Is dit hoe een laatste kerst zou moeten zijn? De laatste kerst, en je blijft gewoon zitten?” Fred keek haar aan, een scheve glimlach om zijn mond. “Wat moet ik doen? De kerstboom knuffelen? De kerstballen in mijn broekzak steken als souvenir?” Anna lachte, ondanks de brok in haar keel. “Nou, ik weet het niet. Misschien iets meer... gevoel? Iets meer... laatste-keer-drama? Hadden we het toch niet anders moeten aanpakken en meer moeten uitpakken?” Fred haalde zijn schouders op. “Lief, het is kerst. En ik ben hier. Dus voor mij is het goed. En trouwens,” hij wees naar de boom, “die Schotse bal van mij overleeft ons allemaal. Dus met die kerstspirit zit het echt wel goed.” Toch bleven de gedachten in Anna’s hoofd hangen. Was het genoeg geweest? Waren de dagen bewust beleefd, echt gevierd? Of waren ze voorbij gegaan in een waas van eten, plannen en dat vreemde gevoel van een klok die niet te stoppen is? Ze wilde het moment vasthouden, elk detail, elke lach, elk stukje van Fred dat ze nog had. Maar hoe langer ze probeerde vast te grijpen, hoe sneller de tijd leek te gaan. De kerstdagen waren begonnen met een onverwacht cadeau: een perfect georganiseerde kerstmaaltijd, volledig verzorgd door Anna’s jongens. Toen Anna had aangeboden om te helpen, werd ze resoluut naar de bank gestuurd. “Mam,” zei haar oudste zoon streng, “je mag niks doen. Dit is ons project. Jij gaat zitten en niks-doen. Ze noemen dat ‘genieten’.” “Aaaaaargh” zuchtte Anna. “Weer dat woord… genieten…hoe dan? “ Ze gaf zich toch over en nestelde zich onder het elektrische dekentje op de bank, terwijl ze toekeek hoe haar jongens de keuken in een strak tempo overnamen. Op de afzuigkap hingen briefjes met een nauwkeurige planning: “Oven voorverwarmen,16.40. Kip erin, 16.55. Groenten op het vuur, 17.10." Het leek wel alsof een professionele brigade haar keuken had overgenomen. Fred keek naar de briefjes, toen naar Anna, en grijnsde. “Zie je? Dit is hoe het moet. Het kan ook zonder chaos…” Anna rolde met haar ogen. “Het is eng hoe goed ze dit doen. Dat heb ik ze toch maar mooi bijgebracht”, zei ze grijnzend. De jongens werkten als een op elkaar ingewerkt team samen. De één sneed groenten, terwijl de ander alles in de schalen deed en in de oven zette. Toen het eten werd opgediend, was Anna sprakeloos. Perfect gebakken vlees, vis en vegetarische schotels compleet met knapperige groenten, salades en zelfs een huisgemaakte saus die er uitzag alsof hij zo uit een kookboek kwam. “Nou, wat vind je ervan, mam?” vroeg de jongste met een twinkeling in zijn ogen. Anna glimlachte van oor tot oor, haar stem klonk trots. “Ik vind het geweldig. Echt, jongens, dit is fantastisch. Ik ben zó trots op jullie.” Fred, die ondertussen al van alles op zijn bord had geschept, leunde even achterover en keek haar tevreden aan. “Ik zeg het je, dit doen we gewoon volgend jaar weer. Jij lekker op de bank, zij in de keuken. Perfect systeem.” Anna schudde lachend haar hoofd. “ Maar alleen als ze ook de afwas doen.” En even waren ze ‘het’ vergeten… even was er ‘gewoon’ kerst Na het eten kwamen de rest van de familie en vrienden langs voor de toetjesbijeenkomst. Omdat langdurig bezoek te zwaar was voor Fred, hadden ze dit jaar een korter alternatief bedacht. De tafel werd een kleurrijk geheel van tiramisu, chocolademousse, ijs, taartjes en indrukwekkend ruikende kaasjes. En als alle familie thuis had gegeten konden ze hier hun dessert halen. Fred keek naar de tafel en grijnsde. “Dit is hoe kerst hoort te zijn. Alleen toetjes. Geen stress, alleen suiker.” De avond was precies goed. Niet te lang, niet te druk, maar gevuld met warmte en gezelligheid. Terwijl de laatste bezoekers afscheid namen, keek Anna naar Fred en glimlachte. “Het was simpel, maar perfect. Precies zoals het goed was”. De route naar Lourdes begon steeds meer vorm te krijgen, ook al bleef die steeds veranderen. Fred en Anna zaten vaak samen aan tafel, kaarten en notities voor zich uitgespreid. “Wat dacht je van via de Ardennen?” stelde Anna voor. Fred haalde zijn schouders op. “Mooi, maar zwaar. Of we volgen gewoon de Maas, dat hebben we tenminste al eens gedaan en weten dat wedat kunnen fietsen.” Anna knikte langzaam. “Ja, in 2022. Toen we onderweg waren naar Santiago.” Ze glimlachte flauwtjes. “Maar we willen toch iets nieuws, iets anders?” Fred tikte met zijn pen op de kaart. “Misschien ‘langs oude wegen’. Of via Chartres? Jij wilde toch een nieuw muziekdoosje?” Anna lachte zachtjes. "Yes, nu met het liedje ‘voici les clés. Maar een goede route uitzoeken blijft lastig. Wat is goed te fietsen ook als er een meter sneeuw ligt...” En zo gingen de gesprekken heen en weer, zonder dat er iets definitiefs werd besloten. Wat vaststond, was het begin van de route in Nederland. 19 januari zal de de vertrekdatum worden. Ze starten in Groningen, waar een afspraak is gemaakt met een pastoor in de St. Jozefkathedraal voor een speciale inzegening voor als je op pelgrimstocht gaat. “Een beetje bescherming kunnen we wel gebruiken” zei Fred droog… “Toch trekt de Martinikerk ook,” zei Anna op een avond. “Het is echt het middelpunt van Groningen. Mijn ouders zijn daar getrouwd. Dat voelt... bijzonder.” Fred knikte. “Dan beginnen we gewoon daar… daarna het heilige water en daarna koffie in Haren, het karretje aankoppelen, en dan fietsen we ‘helemaal’ naar Assen.” Hij grijnsde. “Een wereldreis voor de eerste dag.” “Even wennen en het gevoel dat we van alles zijn vergeten, kwijtraken” zei Anna. “En trouwens, het Assermuseum staat nog op jouw lijstje van ‘te willen zien’. Die dag sluiten we af met de luxe van een hotelletje. Geen kampeerplek, geen geregel. Gewoon even loskomen van huis.” Fred glimlachte, maar Anna zag de vermoeidheid in zijn ogen. Ze wist dat hij worstelde met meer dan alleen fysieke klachten. Er was een onrust in hem die moeilijk te plaatsen was, een schaduw die hem soms overviel. Het was logisch. Zijn lichaam werkte tegen, de vermoeidheid was onvermijdelijk, en de dagelijkse “plaksessies” met zijn stoma’s vergden meer van hem dan hij liet merken. Anna merkte de laatste dagen dat Fred soms stil in zichzelf gekeerd was, alsof er iets was dat hij niet kon of wilde uitspreken. Ze zag de glinstering van verdriet in zijn blik, een leegte die zelfs hun plannen niet helemaal konden vullen. Ze probeerde hem af te leiden, met gesprekken over de tocht, met grapjes over het Project X, hun codenaam voor het kunstproject dat gekoppeld is aan het fietsen naar Lourdes, dat tijdelijk in de wacht staat vanwege bureaucratie. Maar sommige dingen laten zich niet wegdrukken. Anna had besloten om haar eigen beren op de weg aan te pakken. Ze had de laatste tijd al een beetje last van een overvol hoofd, maar sinds de plannen voor de tocht naar Lourdes concrete vormen aannamen, leek het alsof de beren zich alleen maar ophoopten. "Wat als het te koud is? Wat als ik het niet aan kan? Wat als die stoma’s maar los blijven laten midden in nergens?" Een vriendin stelde voor om een hypnotherapeut te bezoeken. "Misschien kan die je helpen om die beren weg te sturen," zei ze. Anna had haar wenkbrauwen opgetrokken, maar uiteindelijk toch een afspraak gemaakt. Het was de moeite waard om te proberen. Tijdens de sessie opperde Anna ineens zelf: “Waarom verander ik die beren niet in teddyberen? Die zijn zacht, vriendelijk en een mooie herinnering aan wat ik hebt overwonnen.” Anna kon een lach niet onderdrukken. “Dus in plaats van levensgrote gevaarlijke grizzly’s zie ik nu een teddybeer die me toejuicht vanaf de zijlijn” De hypnotherapeut glimlachte. “Fantastisch bedacht! En misschien kun je er zelfs eentje meenemen op de tocht, als symbool. Dan herinner je jezelf eraan dat de beren niet meer gevaarlijk zijn.” Toen ze het later vertelde aan Fred keek hij haar met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Dus nu wil je een teddybeer meenemen op de fiets?” “Ja,” zei Anna, terwijl ze al bedacht waar ze die beer vandaan kon toveren. “Hij vertegenwoordigt mijn overwonnen angsten. En misschien kan hij ook een beetje als mascotte dienen.” Fred grijnsde. “Nou, ik zeg doen. Maar als die teddybeer onderweg een lekke band krijgt, laat ik hem achter.” “Hij hoeft niet te fietsen,” lachte Anna. “Hij zit gewoon voor op t stuur. Als een soort bewaker van de sfeer.” Fred schudde zijn hoofd. “Prima. Maar als hij begint te praten, slaap ik niet meer in dezelfde kamer.” Anna lachte voluit en keek naar het schattige pluchen beertje dat ze inmiddels uit de kast had gehaald. Voor het eerst in tijden voelde ze een klein stukje rust. De beren op de weg waren ineens niet meer zo groot, en bovendien best knuffelbaar geworden. Dan moest er natuurlijk ook getraind worden. De spiertjes en het uithoudingsvermogen moeten weer op peil om de koude tocht aan te kunnen, dus elke twee dagen staat er een lange fietstocht op de planning. Geen smoesjes, geen uitstel. Ook al was het koud, druilerig en mistig, de fiets werd gepakt. De kilometers moeten gevreten worden… Dikke thermokleding, dubbele sokken, mutsen, handschoenen. Ze leken meer op wandelende marshmallows dan op fanatieke fietsers. “Als ik nog één laag aantrek, pas ik niet meer op de fiets,” mopperde Fred, terwijl hij zijn jas dicht ritste. “En trouwens, hoe moet ik nog trappen met drie paar sokken aan en ik zie niks met die dikke muts half over m'n ogen." Maar ondanks alle bezwaren was het eigenlijk ontzettend leuk, luid zingend gingen ze in volle vaart over de fietspaden want er was toch niemand onderweg. “Zing gezellig mee”, zei Anna, “fietst een stuk makkelijker en geeft warmte Fred trok een wenkbrauw op. “Meezingen? Ik ben geen kerstkoor op wielen. “Laat mij maar gewoon trappen. Dit is onze warming-up voor het echte werk.” Toen ze thuiskwamen, hun wangen rood van de kou en hun voeten gevoelloos, zei Fred terwijl hij zijn muts afdeed: “Ik weet niet wat zwaarder is: de kilometers of al die kleding uit- en aantrekken." Anna lachte en zette een kop koffie voor hem neer. “Kleding. Absoluut kleding. Maar als we zo doorgaan, wordt de kans steeds groter dat we Lourdes gaan halen.” En zo telden ze de dagen af. Niet zonder zorgen, maar met een sprankje hoop dat de tocht hen zou brengen wat ze nodig hadden: momenten van verbinding, van schoonheid, en van afscheid dat geen einde hoefde te zijn. En je hebt een beetje waanzin nodig om geweldige dingen te doen… Hoofdstuk 18: GELUKKIG NIEUWJAAR! Oud en nieuw. Een moment van reflectie, van vooruitkijken, van het maken van plannen, wensen en goede voornemens. Het kijken naar de toekomst. Zoals elk jaar zaten Fred en Anna weer aan de grote tafel met een pot thee en oliebollen om een jaarlijkse wensbord te plakken en tekenen. Een vertrouwd, terugkerend ritueel op 31 december. Maar wat zet je op een wensbord als je weet dat je het jaar niet zult afmaken? Het was een vraag die Anna en Fred niet rechtstreeks stelden, maar die voelbaar in de lucht hing terwijl ze samen stukjes papier scheurden en opplakten. Fred hield een knipsel met een chocoladereep omhoog, zijn gezicht serieus. “Oké, hier is de mijne: ‘Zoveel mogelijk chocolade eten zonder schuldgevoel.’” Anna keek hem grinnikend aan. “Prima wens, als ik dan ook maar mag meegenieten van die chocola. Maar heb je ook diepzinnige plaatjes gevonden?” Fred haalde zijn schouders op. “Nou, niet echt en bovendien, wat zou jij opplakken in mijn situatie? Ik weet t echt niet dit jaar. Iets van ‘Wereldvrede’? Eindeloos leven?” Anna grijnsde en plakte iets op haar eigen papier. Ze hield het omhoog zodat Fred het kon lezen: Rust en verbinding. “Zie je” zei Fred. “Je bent veel te abstract. Ik bedoel, wat is verbinding eigenlijk? Is dat dat gevoel dat je wifi niet wegvalt?” Anna rolde met haar ogen. “Nee, het betekent... je verbonden voelen met de mensen om je heen. Dat je ergens een stukje van jezelf achterlaat.” Fred keek haar even aan en glimlachte. “Oké, dat is mooi. Maar ik hou vast aan mijn chocolade. Dat laat ook sporen na, weet je.” Anna lachte en plakte een volgende knipsel op het bord. Terwijl ze kijkt naar de woorden ‘mooie herinneringen’, vraagt ze zich af: wat onthoud je eigenlijk? Wat is écht belangrijk? En als je het eenmaal weet, wat doe je dan met die herinneringen? Ga je volgend jaar ‘herinneringen ophalen’? Waar vandaan? Uit je hoofd? Of uit het potje dat ze van haar vriendin heeft gekregen waarin mooie herinneringen kunnen worden opgeschreven? En er dan om janken? Alles is zo abstract. Fred is nog best fit al is t anders maar hoe kan je nu steeds denken dat hij dood gaat. Hij blijft gewoon leven en volgend jaar zitten we hier dan gewoon weer een wensbord te maken en stomme kerstfilms te kijken onder een dekentje… Ze staken samen sterretjes aan, dronken een glas wijn, en keken naar het vuurwerk in de verte. “Het is 2025,” zei Anna zacht, terwijl ze naar de vonken keek die de lucht in schoten. En wat zeg je dan tegen elkaar? Fred zuchtte. “Ja, nog een paar maanden te leven… min de maanden die al voorbij zijn. Dus hoe lang is een paar maanden eigenlijk?” Hij lachte flauw. Fred keek naar haar. “Ja, maar hoe leef je eigenlijk elke dag alsof het je laatste is? Het klinkt zo makkelijk, maar hoe doe je dat? 1x kan misschien maar dan volgende dag weer iedereen bellen, afscheid nemen? Elke dag spannende dingen doen? Hoe?” Ondertussen gingen de voorbereidingen voor de grote tocht door. Welke fiets moet mee? De rolstoelfiets of de meetraptandem? Er was voor beiden iets te zeggen, en de discussie laaide af en toe op. “De rolstoelfiets is comfortabeler voor jou,” zei Anna. “Ja, maar de meetraptandem is sneller,” antwoordde Fred. “En dan heb ik echt het gevoel zelf ook wat te doen. Dat ik echt zelf ‘naar de hemel fiets’... “. Naast de fietskeuze werd er volop getest: kleding, schoenen, beschermers tegen de regen en kou, oordoppen tegen lawaai en zelfs hoe de accu het zou doen in winterse temperaturen. Het was een soort experimentenprojekt, een puzzel om alles perfect te krijgen. “Als ik straks bevroren tenen krijg,” zei Fred, terwijl hij zijn dikke leren bergschoenen paste, “dan koop ik tóch verwarmde sokken.” Ondertussen ging het kunstproject, inmiddels Project X genoemd, door, al was het wachten op de bureaucratische molen. Het was nog geen 6 januari, dus geduld was een vereiste. Maar de doneerknop staat al live, en de titel voor de reis was definitief: ‘Fietsend naar de Hemel’. Fred zucht: "Ik vind het een mooie titel, dit past. En de eerste donaties zijn al binnen! Wat geweldig… Nu hopen dat we ook een beetje hemelse steun krijgen of misschien een paar vleugeltjes…" Ze hadden iemand ingehuurd om de sociale media op te pakken, met name TikTok en Instagram. “Ik snap daar niks van,” zei Anna “En jij ook niet Fred. Dus we moeten dit uitbesteden. Als we dat allemaal moeten uitzoeken dan komt er van fietsen niks meer.” Fred grijnsde. “We worden straks infietsuencers. Wacht maar.” Ook de website van de stichting kreeg een opfrisbeurt. Het voelde goed om te zien hoe alles samenkwam: de tocht, het kunstwerk, de mensen die hen steunden. Fred voelde zich de laatste tijd verrassend fit. Niet dat hij op volle kracht functioneerde, alles gebeurde op een lager pitje, maar er was genoeg energie om te trainen, te plannen en zelfs te lachen. Terwijl ze samen op de fiets zaten, dik ingepakt tegen de kou, riep Fred naar Anna: “Hoe gaan we dat straks eigenlijk doen, met al die kleding? Waar drogen we het onderweg?” Anna grinnikte. “Nou, op de bagagedrager natuurlijk. Dan kun jij door Frankrijk fietsen met je onderbroeken als vlag.” Fred lachte hardop. “Perfect. En als we regen krijgen, wassen ze zichzelf. Ik noem het: duurzaam reizen.” Ze schoten allebei in de lach en vrolijk kwamen ze thuis om zich weer over de kaarten op tafel te buigen. “Oké,” zei Anna, “laten we proberen eens een definitieve route te kiezen. Want als we nog meer opties erbij halen, komen we nooit weg.” Fred wees naar een lijn op de kaart. “De Van Goghroute? Mooie landschappen, kunst onderweg. Het past wel bij ons.” Anna fronste. “Mooie landschappen, ja, maar dat betekent ook heel veel smalle paden. Denk aan de brede fiets , straks zitten we vast of moeten we kilometers om.” Fred haalde zijn schouders op en gleed met zijn vinger naar een andere lijn. “Oké, dan wat bredere paden en via het Matisse-museum. ” “Vlaktes,” herhaalde Anna. “Met wind mee en lichte vorst met helder weer, dat klinkt verleidelijk. Maar wacht, hadden we niet ook gewoon een Lourdesroute? Maar ja, via de ardennen, en ik wil echt zo min mogelijk heuvels hoor…” Fred knikte. “Ja, die is het meest direct. Geen omwegen, gewoon rechtdoor. Maar eerlijk? Hoe vaak hebben we al niet een plan veranderd tijdens het fietsen?” Anna leunde achterover en keek hem aan. “Ik geef ons een dag onderweg voordat je een compleet nieuwe route bedenkt. Maar prima. Voor nu zetten we alles vast, en we zien wel waar de wind ons brengt.” De tocht kwam steeds dichterbij. De dagen gingen snel. Elke dag was een stap naar hun vertrek, en elke stap bracht hen dichter bij hun doel: samen fietsen naar de hemel, met een lach en een traan, en alles daartussenin.
door Maria 16 december 2022
13 nov 2022 Na een nacht vol bijgeluiden gooide een eekhoorntje er maar een vrolijke noot in. Als iedereen tegelijk wilde douchen zou de verzorging van Freerk een uitdaging worden dus al vroeg slopen we over de gang op zoek naar onze studentikose wc en douche. Gepropt in de doucheruimte benam de stoom al snel de adem en na elke opening te hebben gespoeld en gepoedeld slopen we weer in polonaise naar de kamer alwaar de plaksessie kon beginnen. Daarna in polonaise van de trap naar het biologisch-vegetarisch-zelfgemaakte ontbijt. Superfijn! En dan is het weer inpakken, alles naar beneden slepen en de fiets weer optuigen. Na een warm afscheid van de herbergmensen starten we de ' 'motoren' en volgen we de route naar Exloo. Freerk zit voor mij op zn troon en zn wapperende haren slaan me in t gezicht… huh? Ow nee, het zijn de spinnewebbetjes die door de lucht zweven, miljoenen draden die nu zichtbaar zijn door de nevel en de zon. Grandioos, complete webbenetten over de velden. Beschenen door de zon lijkt het wel een haarnetje die over de aarde gespannen is.  Ook krijgen we door de nevel en stralen een heerlijke zonnedouche. Onderweg mooie mensen gesproken, bossen en weidse vlaktes gezien, Orvelte bezocht en uiteindelijk aangekomen bij een hotel waar we met bon een superaanbieding hadden en ons onderdompelen in luxe met een eigen badkamer😁 En de zon fietste met ons mee totdat hij afscheid nam met schitterende kleuren met de belofte voor morgen dat hij z'n best zou doen er weer bij te zijn.
door Maria 16 december 2022
12 nov 2022 Op de fiets reden we vanmorgen door een kleine wereld. Verder dan een paar meter konden we niet om ons heen kijken. Je hoort de ganzen maar ziet ze niet. Je ruikt rook maar waar komt het vandaan? Alsof je in een bol zit waarin de rest van de wereld naar buiten toe langzaam vervaagt. Alleen waar je op dat moment was ontvouwde zich jouw wereld van het moment. Verstillend. Leven in het nu? Na een tijd in deze mooie beperkte wereld te hebben gefietst gaat deze bol toch benauwen, je wil weer de ruimte. Helemaal als je onderweg hoort dat 'een paar kilometer verderop' de zon is gesignaleerd. Ons plan was naar het noorden te gaan, richting Eernewoude maar nadat we in Roden naar de 'oude Vrijbuiter' zijn geweest zijn we toch maar naar 'beneden' afgeslagen, de zon tegemoet. En warempel, de zon deed z'n best om met zijn stralen de mistige zaken te vinden en langzaam likte de zon alle nevel weg, zo mooi te zien door de kalende bomen die de stralen niet meer tegen konden houden. De nevel hield zich aan de bomen vast en verstopte zich in het veld maar de zon had geen genade. Ook de schuilplaats van de dieren in het bos werd langzaam verraden en boven de mist verschenen de kopjes van de reeën. De temperatuur schoot omhoog en het zonnetje speelde met de overgebleven blaadjes aan de bomen. Onder ons trok een deel van Drenthe voorbij. Sinterklaas en pieten gespot bij een geheime locatie en na de gebruikelijke foto's en uitwisseling van pepernoten gingen we weer verder. Na vele vergeefse pogingen om een slaapplaats te krijgen kregen we een plekje in een herberg. Hoe ironisch als je Maria heet, er was wel plaats in de herberg! We moesten nog een behoorlijk stuk fietsen en de zon was op stap met de maan en het werd erg donker. De overgebleven nevel spreidde zich snel uit en maakte gebruik van de temperatuur die kelderde tot vrieskou-achtige laagtes. In het pikkedonker en in gezelschap van witte wieven kwamen we verkleumd in onze herberg aan. Liggend op een zolderkamertje met op de gang een deelwc en een deeldouche voelen we ons student… we studeren levenskunde. En laat nu deze herberg een mooie naam hebben: 'herberg Het volle leven' En nog steeds blijft fietsen zoooo leuk… 
door Maria 16 december 2022
Hoe gaat het nu met ons? We zijn nu 2 weken thuis. Onze monstertocht is aan het indalen. We praten veel over hoe het was en hoe mooi het was. Ook met name over waar het 'mis' is gegaan. Waar begonnen de scheurtjes? Ik had al snel niet echt meer trek in eten. Maar reserve genoeg toch? Maakte me er geen zorgen om. En de eerste 7 weken voelde ik me sterk en onoverwinnelijk. Heerlijk. Mooi weer, schitterende omgeving, elke dag nieuwe dingen. Super. In Spanje werd het zwaarder ondanks dat Kees ons af en toe over hoge bergen heen bracht. Door de bizarre temperaturen, teleurstellingen van lekke banden, onderschatten van de hoogtes en de foute routes die we hadden werden de scheurtjes groter. Op een dag had ik gekookt maar meer dan 2 hapjes kon ik niet eten, ik zat vol… en dat na een dag zwaar fietsen. Toen wist ik dat er iets niet oké was. Ik schrok er best van want wat nu? Terug? We waren op 200 km. In overleg met vrienden toch besloten door te gaan. Totdat het op 47 km voor Santiago helemaal mis ging en ik op de eerste hulp kwam. Na een ruime week relatieve rust toch Santiago 'gehaald'... niet de aankomst die we voor ogen hadden. Geen feestelijk gevoel, geen trots, geen kathedraal bekijken… Het was gewoon te zwaar geweest.  Echt ons laatste molecuultje energie verbruikt. De terugreis was zwaar voor ons beiden. Freerk werd zieker en wonden begonnen te ontsteken, ik was totaal overprikkeld en zat met zonnebril en noise cancelling op mn oren in de bus en was niks waard nadat ik ook nog in een ziekenhuis in Frankrijk terecht was gekomen. Zo bracht Kees Krukkie en Krakkie veilig naar huis…. Heeeel langzamerhand, onder de vele bossen bloemen en felicitatie kaartjes komt nu het besef wat we hebben gedaan. Trots? Zover zijn we nog niet. Gek genoeg overheerst nog de laatste zware periode en allebei zijn we nog niet de 'oude'. We nemen lekker de tijd en gaan bezig met ons 'boek' ( is nog een verrassing) over onze camino en als we de fotos bekijken sijpelt langzaam het positieve gevoel binnen en komen de mooie verhalen los Deze camino is echt een 'weg' geweest met bergen en dalen, net het echte leven….
Eerdere blogs
Share by: