Hoofdstuk 36: Demonen op de Bagagedrager
Bergen naar Ferme de Gay. Frankrijk!
De dag begon beroerd. Anna was vreselijk misselijk en had nauwelijks geslapen. Was het de roomserviceverrassing van gisteravond? Of gewoon de spanning, de emoties die langzaam onder haar huid kropen? Wie zal het zeggen. Feit was dat ze zich ellendig voelde.
Fred zag het meteen. Hij hoefde niet eens te vragen. Anna floot niet, zong niet, en haar bewegingen waren traag, alsof elke stap haar meer moeite kostte dan ze wilde toegeven.
"Gaat het?" vroeg hij zacht, terwijl hij haar onderzoekend aankeek. Anna stopte met haar schoenen strikken en liet haar handen in haar schoot vallen. Haar schouders waren gespannen, haar ademhaling oppervlakkig. Ze haalde diep adem, maar haar stem klonk klein. "Nee. Maar ja."
En ineens brak ze. Het kwam als een golf, onstuitbaar, alles tegelijk. Alle spanning, vermoeidheid, de angst die ze steeds maar wegduwde. Tranen, zacht en stil, alsof ze zichzelf geen ruimte gunde om echt te huilen.
Fred ging naast haar zitten en pakte haar handen. “Je hoeft niet stoer te doen, hè?”
Anna lachte schamper door haar tranen heen. “Dat weet ik. Maar als ik stop met doorgaan, weet ik niet of ik weer op gang kom.”
Fred kneep zacht in haar handen. “Daar zorg ik wel voor.”
Even zaten ze zo. Twee mensen. Twee vermoeide zielen.
Anna veegde haar gezicht af en haalde diep adem.
Fred glimlachte. "Dat is mijn Anna."
Met hulp van de thuisgebleven coaches en Fred, die vandaag zonder twijfel de Liefste Fietsmaat van het Jaar won, besloten ze toch te gaan fietsen.
Het optuigen van de fiets was inmiddels routine. Tassen vastmaken, check. Aanhanger zekeren, check. Warme kleren, check. Maar nog geen kilometer verder merkte Anna het al.
Het trapte zwaarder. Veel zwaarder.
Ze stopte met fietsen en zei vertwijfeld. “Fred?”
“Ja?”
“Volgens mij hebben we vandaag extra bagage.”
Fred keek vragend achterom. “Heb ik iets verkeerd ingepakt?”
Anna schudde haar hoofd. “Nee, we hebben onzichtbare verstekelingen. Het zijn die rottige demonen uit het verleden weer.”
Oude angsten, twijfels, herinneringen die ineens dachten: Hé, dit is een perfect moment om weer even gezellig aan te haken! Laat je vooral niet tegenhouden!
Fred knikte begrijpend. “En Teddy? Doet die nog iets?”
Teddy, de knuffelbeer die ooit was ingezet om de beren op de weg te verjagen, zat trouw voorop, maar de demonen trokken zich er niks van aan.
Ze fietsten mee, zaten in gedachten, in bewegingen, in het gewicht van de trappers. Werkelijk overal.
En dat hielden ze best lang vol. Tot het ze te koud werd waarschijnlijk. Eén voor één lieten ze los. Sommige verdwenen in de mist. Andere trilden los door de keienpaden waar ze overheen stuiterden. De fiets werd lichter. Anna voelde het meteen.
“Zo, die zijn we kwijt. Tenminste het grootste deel”
Fred glimlachte. “Nog een paar te gaan.”
Anna zuchtte. “Ach, die zitten te vast. Misschien smelten ze later nog los.”
Het eerste stuk van de route was prachtig. Fijne fietspaden, oude spoorlijnen die als kaarsrechte wegen door het landschap sneden. Het was kalm, het ritme van de fiets rustgevend.
Totdat de weg ineens ophield. Midden in het bos.
Anna stopte. “Euh... Fred?”
Fred keek naar voren. “Ik mis iets.”
Anna wees naar beneden. Een steile trap, de enige ‘doorgang’ naar beneden.
Fred schudde langzaam zijn hoofd. “O ja joh? Dat ga ik dus niet doen.”
Anna haalde haar schouders op. “Dan zit er maar één ding op. Terug.”
En zo belandden ze in de dorpjes. Hobbelen over de keien, terug in de tijd.
De wegen voelden alsof de Romeinen ze zelf nog hadden aangelegd, en het zou Anna niet verbaasd hebben als er opeens een groep legionairs voorbij was gemarcheerd.
“Jezus,” kreunde Fred terwijl ze over de duizendste hobbel stuiterden. “Komen we hier ooit nog uit?”
Anna lachte. “Zolang we niet per ongeluk een tijdpoort inrijden en ergens in het jaar 1325 eindigen, vind ik het allemaal best.”
Ze lachten, en in dat moment was alle zwaarte van de ochtend vergeten.
Het besef kwam niet door een grenspaal, niet door een bord met een vrolijk "Bienvenue en France" erop, en zelfs niet door een dikke streep op de weg. Nee, het was een Franse auto.
Anna kneep haar ogen samen en tuurde naar het kenteken. “Wacht… zijn we in Frankrijk?”
Fred keek op. “Eh… ja?”
Anna draaide zich om. “Heb jij een grens gezien?”
Fred grinnikte. “Nope. Geen bord, geen vlag, geen ‘La Marseillaise’ op de achtergrond. Gewoon... een naadloze overgang.”
Anna snoof. “Nou, dat is toch een antiklimax Maar hé, drie landen op de teller, toch best stoer.”
De rest van de route zou een makkie zijn…
Met dat in gedachten trapten ze verder, de eerste kilometers op Franse bodem. En natuurlijk, zoals inmiddels traditie leek te worden, werd hun geplande korte route meteen onderbroken door een omleiding. En toen nog één. En toen nog één.
Fred zuchtte en keek naar de zoveelste "Route Barrée" met een wanhoop die alleen maar groter werd. “Echt. Zijn we de enige fietsers die Frankrijk ooit heeft gehad?”
Anna keek naar het hobbelige pad dat ze als ‘alternatief’ moesten nemen. “Misschien zijn we ook gewoon de enige idioten die dit wíllen doen.”
De korte route werd, zoals altijd, een heroïsche onderneming. En onderweg kwamen ze langs een van de hoogtepunten van hun reis: hun allereerste Franse supermarkt.
Anna zuchtte. Zoals altijd was het haar taak om de boodschappen te doen, terwijl Fred buiten op de fiets wachtte en ondertussen visitekaartjes uitdeelde aan nieuwsgierige voorbijgangers.
Ze stapte de Franse supermarkt binnen en werd meteen verwelkomd door een oorverdovend "PIEP-PIEP-PIEP" vanuit de broodafdeling. Twee machines leken een eindeloos gesprek met elkaar te voeren, alsof ze protesteerden tegen het bestaan van croissants.
Anna fronste. “Wat is dit?” mompelde ze, terwijl ze de weg probeerde te vinden tussen de schappen. Maar niemand leek zich eraan te storen. De rest van de bemande winkelwagentjes schoof stoïcijns voort, alsof het piepconcert deel was van het dagelijkse Franse winkelritueel.
En toen… de geur.
Halverwege de winkel werd ze overvallen door een aroma dat haar maag deed samenkrimpen. Een misselijkmakende walm, een mix tussen oude sokken, vergane glorie en iets wat ooit misschien een levend wezen was.
Anna kneep haar neus dicht en wierp een snelle blik om zich heen. Waar lag hier een dood dier?
Maar toen drong het besef tot haar door. Dit was gewoon… de kaasafdeling.
Ze perste haar lippen op elkaar, trok haar sjaal iets hoger en probeerde de aanval op haar zintuigen te negeren. Eetlust? Weg.
Ze griste lukraak wat dingen van de planken, een pak soep, water zonder chloor, iets wat vaag op groenten leek – en rende bijna naar de kassa.
Buiten keek Fred haar vragend aan toen ze de tassen op de fiets laadde.
“En? Wat heb je gehaald?”
Anna haalde haar schouders op. “Geen idee. Maar ik weet wel dat ik voorlopig even géén kaas hoef.”
Na stunt fietsen op, wat misschien hier wel snelwegen waren, bereikten ze hun overnachtingsadres terwijl de kou langzaam onder hun huid kroop.
Het plekje was perfect.
Afgelegen. Stil. Geen wifi. Alleen zij, een warme kamer, een keuken, een bed en een badkamer.
Ze stortten neer. Niet van uitputting, maar van alles. Prikkels verwerken. De kou uit hun botten laten trekken. Even niets.
Daarna koken. Een simpele maaltijd, maar precies goed. En dan... slapen.
Morgen het Matisse Museum. Een vroege start. Hopelijk een kortere route. Maar ja, dat dachten ze vandaag ook.
Hoofdstuk 37: To go to Matisse or not to go...
Na een lange nacht in wat volgens Anna een geitenstal moest zijn geweest, maar dan wél een schitterend verbouwde, werden ze wakker. De houten balken, de ruwe stenen plafonds, de pilaren hadden absoluut charme, maar voor iemand met een overactieve fantasie als Anna, kon het niet anders dan dat hier ooit geiten hadden gewoond.
Ze rekte zich uit en merkte dat ze zich beter voelde dan de dag ervoor. De demonen die zich gisterochtend nog stevig aan haar hadden vastgeklampt, leken nu buiten in de kou te zijn blijven staan. Misschien had de ijzige Franse wind ze bevroren.
Fred had een stuk minder geluk. Zijn voet speelde weer op. Dat betekende voorzichtig zijn. Geen gekke sprongen, geen onmogelijke paadjes waar hij moest lopen… toch?
Na een afscheid van gastvrouw Ida, waarbij de conversatie zich grotendeels beperkte tot handen, gezichten en een paar enthousiast uitgesproken “au revoirs”, gingen ze op weg. Ze konden haar niet verstaan en zij hen ook niet, maar in haar ogen lag genoeg warmte om te weten dat ze het goed meende.
De route was kort vandaag. Dat was een opluchting, want na drie weken onderweg te zijn begon de vermoeidheid echt in te slaan.
Helaas bleek kort niet gelijk te staan aan makkelijk.
Bij de eerste bocht stonden ze stil. Voor hen lag een modderpad dat eruitzag alsof het speciaal ontworpen was om fietsers op te slokken.
Anna keek ernaar en kneep haar ogen tot spleetjes. “Zeg me alsjeblieft dat dit niet ons pad is.”
Fred haalde zijn schouders op. “Tja, als je Lourdes wil halen via de snelste weg…”
Ze probeerden het toch, want tja, je weet maar nooit, toch? Misschien viel het mee?
Het viel niet mee.
De fiets ploegde als een tractor door de modder, Anna’s schoenen zaten binnen vijf minuten onder een laag bruine smurrie en Fred kreeg bijna een natte modderwolk in zijn gezicht toen ze een glad stuk raakten.
Na een volgende beklimming en een bocht die er nog erger uitzag dan de vorige, besloten ze terug te keren.
Draaien in de blubber bleek een kunst op zich.
“Weet je,” mompelde Anna terwijl ze worstelde om de fiets te keren, “ik had altijd het idee dat wij met fietsen best wat konden. Maar dit is echt een nieuwe dimensie.”
Fred keek nuchter toe hoe de modder inmiddels ook haar broekspijpen begon te versieren. “Tja, je wilde toch een avontuur?”
Met een diepe zucht en klotsende schoenen kozen ze een andere route.
Minder blubberig, maar niet per se beter.
Na een tijdje kwamen ze bij een kruising waar ze moesten kiezen: idyllische fietspaden waar ze waarschijnlijk opnieuw vast zouden lopen, of de grote weg.
Anna keek naar de autoweg, waar af en toe een vrachtwagen voorbij denderde. “Ik haat dit.”
Fred knikte. “Ja, maar we hebben weinig keus.”
Dus gingen ze. Over de doorgaande, hobbelige, Noord-Franse wegen, waar elke kuil voelde als een aanval op hun ruggengraat.
Bij elke helling naar beneden hield Anna haar adem in.
“Serieus,” riep ze na de zoveelste afdaling, “we gaan straks in een kuil verdwijnen en ze zullen alleen nog ons achterlicht zien knipperen!”
Fred lachte, maar ook hij hield zijn hart vast. Hij moest volledig vertrouwen op Anna. Hier fietsen was geen grap.
Uiteindelijk kwamen ze aan in Le Cateau-Cambrésis, het stadje waar het Matisse-museum stond.
De planning: check-in, fiets parkeren, en direct naar het museum.
De realiteit: check-in, bank zien, en allebei in slaap vallen.
Twee uur later werd Anna wakker en keek ze verdwaasd om zich heen.
“Oeps,” mompelde ze.
Fred lag nog steeds in een diepe coma. Ergens moest het lichaam de afgelopen weken toch een keer gaan inhalen.
“Morgen dan maar? Dan blijven we gewoon dagje langer,” fluisterde Anna tegen zichzelf.
Ze besloten later op de middag in elk geval wél even boodschappen te doen.
In de supermarkt viel haar oog op een klein LEGO-doosje.
Zonnebloemen
Ze hield het doosje omhoog en glimlachte. “Moet dit een teken zijn? Zonnebloemen van van Gogh.”
Fred keek haar aan. “Hoe wil je dat in godsnaam meenemen op de fiets?”
Anna haalde haar schouders op. “Daar verzin ik wel wat op.”
Hij schudde lachend zijn hoofd. “Je bent onmogelijk.”
Maar ze wist het zeker. Dit was niet zomaar een impulsieve koop.
Zonnebloemen waren van haar moeder.
De bloem waar ze van hield, de bloem die haar altijd aan haar deed denken.
En nu, hier, in dit kleine stadje, op deze tocht die zóveel betekende, vond ze ze terug. In LEGO-vorm, ja, maar dat maakte het alleen maar symbolischer.
Een beetje Van Gogh, een beetje moeder, een beetje kunst, een beetje pelgrimstocht.
Ze wist dat ze het moest meenemen.
De zonnebloemen kwamen mee en werden in elkaar geknutseld.
En nu stonden ze op de tafel, felgeel en vrolijk, alsof ze de kamer een klein beetje warmer maakten.
Fred keek naar de LEGO-zonnebloemen, toen naar haar. “Nou… ik moet toegeven, het fleurt het hier wel op.”
Anna knikte. “Ja, hè? Ze horen erbij.”
En zo eindigde de dag. Met modder, helse wegen, een gemiste museumbezoek, maar ook met zonnebloemen, rust en een klein beetje magie.
Hoofdstuk 38: T-Day, Matisse
Rustdag
Voor het eerst in lange tijd werden ze wakker zonder meteen in de modus van vertrekken te schieten. Geen onrust over regenpakken, bepakking of hoe alles weer op de fiets geknupt moest worden. Vandaag was een rustdag.
Nou ja, relatieve rust.
Anna zag meteen dat Fred niet goed had geslapen. Pijn. Hij had tijd nodig om bij te komen. Maar toch...
Daar lag hij, met een brede grijns op zijn gezicht.
“Wat?” vroeg Anna nieuwsgierig.
Fred schudde zijn hoofd en lachte. “Mijn broers. Echt, hoe verzinnen ze het? Even naar Noord-Frankrijk komen om samen uit eten te gaan? Ze zijn gek!”
Ze hadden gisteren een telefoontje uit Groningen gekregen waar ze woensdag zouden zijn…. Of ze mee uit eten gingen… huh?
Anna glimlachte. “Ja. Maar het is wel fantastisch.”
Maar de zorgen doken ook meteen op. Stel dat het net een slechte dag is? Dat hij niets kan? Dat ze dan voor niks zouden komen?
Fred zag het aan haar en gaf haar een zachte por. “Hey, niet doen. We nemen het zoals het komt. En als het niet lukt, dan hebben we ze toch gezien?”
Na koffie en het langverwachte ontbijt met spek en eieren voelde Fred zich weer meer het mannetje. Tijd om op stap te gaan naar het Matisse-museum.
Bij aankomst keken ze verbaasd naar een deur. Is dit de ingang?
“Is t museum dan dicht?” vroeg Fred.
Op dat moment hoorde ze een klik. De deur werd op afstand ontgrendeld. En 2 bewakers kwamen naar buiten
“Ah,” zei Fred grijnzend. “Speciaal ontvangst”. En na de vraag of er een “chaisse roulland” was, kwam deze er al aan gerold en duwden ze hem gezamenlijk naar binnen.
Eenmaal binnen werd hun tas omgekeerd, alle spullen gecontroleerd. “Streng hoor,” mompelde Anna terwijl de bewaker haar mueslireep wantrouwend bekeek.
En dan… de kassa.
Anna keek op de prijslijst. “Serieus? Samen acht euro?”
Fred keek haar verbaasd aan. “In Nederland zou je daar nog niet eens een ansichtkaart voor krijgen.”
Met een grijns betaalde Anna. “Nou, laten we dan maar maximaal absorberen.”
Ze gingen op in de kunst. Zonder prikkels, zonder drukte, alleen kunst uit vervlogen tijden.
Matisse. Maar ook Chagall, Hedin, Charmonetti.
Anna zweefde van zaal naar zaal, verzonken in kleuren, lijnen en verhalen.
Fred reed zelfstandig door de prachtige, drempelloze zalen, terwijl Anna zonder schuldgevoel volledig kon verdwijnen in haar eigen wereld.
Niemand hoefde op elkaar te wachten, niemand moest ergens rekening mee houden.
Pure kunstbeleving.
Na een rustige koffie en een flesje water keek Fred ineens op de klok. “Half één!” riep hij uit.
Anna keek hem vanuit een andere dimensie aan. “Oké?”
“De winkel sluit om één uur! En we moeten nog water halen! Of je moet er voor kiezen om het chloorwater drinken.”
Met spijt in hun hart verlieten ze het museum, maar met hun creatieve radars weer op volle toeren.
Na een snelle stop voor water en een pizza trokken ze terug naar hun tijdelijke thuis.
Anna zette haar tas neer en keek naar Fred.
“Nou,” zei ze. “Eerlijk?”
Fred leunde achterover en sloot zijn ogen. “Super.”
De middag begon zoals zovele middagen op deze reis: met puzzelen.
Welke route? Grote wegen of de Van Gogh-route met blubber als toetje? Hoeveel hoogteverschillen? Wat is haalbaar voor Fred? En bovenal: waar slapen we morgen?
Het was niet zomaar een overnachting, het moest allemaal aansluiten op een goed hotel mét restaurant, voor de bijzondere verrassing die eraan zat te komen.
“Dit voelt een beetje als een blokjesspelletje op de computer waarbij blokje onverwacht tevoorschijn komen en die je dan op een plekje moet laten vallen,” mompelde Anna terwijl ze met de routekaarten en hotelboekingen worstelde.
Regelen, bellen, plannen, omleggen. En dat alles zonder de luxe van zomers fietsen, waarbij je rustig op een bankje in de zon kon zitten om even te pauzeren en na te denken.
Maar nu?
Nu was er alleen de regen. De kou. En het vooruitzicht van koffie drinken langs een blubberpad of een drukke weg. Niet echt aantrekkelijk.
Maar uiteindelijk? Alles viel op z’n plek. Overnachtingen vastgelegd, route uitgestippeld.
Nu… de pizza.
Ze hadden een pizza-aanbod gekregen van een lieve volgerster. Maar ja, waar haal je hier een fatsoenlijke pizza?
In dit deel van Frankrijk bestond het woord ‘pizzeria’ blijkbaar niet.
Geen Domino's, geen Italiaanse bistro’s. Alleen een McDonald’s.
Anna keek Fred aan.
“Als we dat doen, moeten we het land verlaten.”
Fred knikte plechtig. “Zonder eer.”
Dus dan maar zelf een pizza uit de winkel. Ze hadden toch een oven? Toch?
Ja die was er… Na een zoektocht naar de gebruiksaanwijzing, het googelen van Franse instructies, een vertalingsfiasco, en meerdere frustraties later...
Hij deed het niet….
Fred keek naar de gigantische pizza die ze samen wilden delen. “En nu?”
Anna keek naar de koekenpan. Stressniveau 10.
“Dan maar in de pan.”
Fred trok een wenkbrauw op. “Gourmetpizza?”
Uiteindelijk?
Een half aangebrande, half zachte pizza, maar hé, het was wél warm.
Dit was niet een ‘pizzatikkie’ waardig. Sorry Gera.
“Dit doen we nog eens,” zei Anna, terwijl ze een hap nam. “Maar dan goed.” Het toetje maakte veel goed…
Na het pizza-avontuur was het wachten op T-Day, primetime tv.
De uitzending van ‘Gezonken Meesters’, het tv-programma waar Anna had meegedaan aan een kunstwedstrijd om het gezonken werk van Gerard ter Borch weer tot leven te brengen.
Niet zomaar… ze had de finale gehaald!
In de zomer hadden ze de opnames al gemaakt, terwijl ze óók op fietstocht waren. Haar kunstwerk mee in de bus, achterin haar geïmproviseerde atelier.
3 maanden vol schilderen, onderdompelen in dec17de eeuw en... gekke filmteams.
En nu kwam het moment.
De uitzending begon. Spannend.
En daar was ze.
Fred grijnsde. “Kijk, beroemdheden op de fiets.”
Gelukkig was het maar een klein stukje. Later nog een stukje met de stem van Fred.
Tot ineens… BOEM.
Vol in beeld.
Anna, luisterend naar de jury. Mond half open.
PING. Appjes van haar jongens.
Mam… mond dicht…
Serieus, mam, dit was je moment en je zat met je mond open.
Anna sloeg haar hand voor haar gezicht.
Fred proestte het uit. “Legendarisch.”
Na de uitzending haalden ze opgelucht adem. Het zat erop.
Geen tijd om te blijven hangen in de beroemdheid, er moest weer verder gefietst worden.
Morgen was weer een nieuwe dag. Een dag dichter bij Lourdes.
Hoofdstuk 39 Wakker worden in een natte wereld
Van Le Cateau-Cambrésis naar St Quentin…
Het tikken van de regen tegen de luiken die voor het raam hingen, had hen al in hun slaap bereikt. Nu, bij het ontwaken, was de wereld buiten niet veel veranderd: grijs, nat, en zwaar. De lucht hing laag, alsof hij op hun schouders drukte.
Anna staarde uit het raam. Het water liep in dunne stroompjes langs het glas. "Wat denk je?" vroeg ze zacht.
Fred rekte zich uit, voelde hoe zijn spieren protesteerden. "Redelijk geslapen," mompelde hij, zijn stem nog hees van de nacht. Hij voelde zich beter dan gisteren, maar de vermoeidheid zat diep.
Anna zuchtte. Ze hadden een route in gedachten, maar in dit weer? Het pad zou weer modderig zijn, misschien zelfs onbegaanbaar. Ze twijfelde. "Misschien toch maar over de grote weg?"
Fred knikte traag. De gedachte aan langsrazende auto’s trok hem niet aan, maar wat als het pad onbegaanbaar bleek?
"Lastig," zei hij uiteindelijk. "Laten we het onderweg maar bekijken."
Ze pakten hun spullen, lieten het appartement netjes achter, trokken hun regenkleding aan. Zodra de ritssluitingen dicht waren, voelden ze het al: het zweet op hun rug.
En toen, zonder verder dralen, gingen ze op pad. De regen sloeg in hun gezichten, de wereld om hen heen vervaagde in een waas van water.
Ze fietsen zwijgend verder, het ritme van hun trappers een contrast met de stilte van de dorpen die ze doorkruisen. De regen maakt alles nog somberder, alsof de wereld hier al lang opgegeven heeft om vrolijk te zijn.
De huizen langs de weg ademen verwaarlozing. Niks in de tuinen, geen bloemen, geen bankje om op te zitten. In plaats daarvan grind, beton, en hekwerken die meer afschermen dan uitnodigen. Luiken dicht, beveiligingscamera’s aan de gevels, maar waarvoor? Wat valt hier te beveiligen?
"Zouden ze hier geen geld aan uitgeven?" vraagt Anna hardop. "Of hebben ze het gewoon niet?"
Fred haalt zijn schouders op. "Een pot verf kost niet zoveel. Een paar planten ook niet."
Toch lijkt het alsof niemand die moeite neemt. Alsof er iets is dat hen tegenhoudt.
De wegen zijn erbarmelijk, vol gaten en scheuren. Ongelooflijk slecht onderhouden. Net als de huizen, net als de sfeer.
Ze rijden door en verbazen zich over de leien daken, de afbladderende gevels. Hoe groeien kinderen hier op? In een omgeving die gesloten, afwachtend en kil aanvoelt?
"Waarom is het hier zo?" vraagt Anna.
Fred kijkt om zich heen, zijn blik valt op een verweerd herdenkingsmonument. Ze hebben er vandaag al meerdere gezien. Oorlogsgraven, herinneringen aan een verleden dat hier nog tastbaar lijkt.
"Misschien zit het in het verleden," zegt hij.
Anna knikt langzaam. Een verleden dat niet zomaar verdwenen is, maar nog steeds doorwerkt in de straten, in de huizen, in de mensen.
Om uit de depressieve mood te komen zocht Anna naar iets om zichzelf af te leiden.
Anna wees naar een van de kale takken, waar een dikke, groene bol hing. "Die maretakken. Ze zitten echt overal hier. Waarom zie je die in Nederland bijna nooit?"
Fred trok een wenkbrauw op. "Misschien omdat ze hier romantischer zijn ingesteld? Ze hangen alvast genoeg op, voor als iemand toevallig een kus wil stelen."
Anna grinnikte. "Ja hoor, want dat gebeurt natuurlijk elke dag onder zo’n tak midden in de wildernis." Ze keek weer omhoog. "Maar serieus, hoe komen ze daar? Ze groeien niet zomaar in een boom, toch?"
Fred dacht even na. "Volgens mij verspreiden vogels de zaden. Ze eten de bessen en... laten ze ergens achter."
Anna trok een vies gezicht. "Dus je zegt eigenlijk dat maretakken dankzij vogelpoep ontstaan?"
Fred knikte plechtig. "Precies. Romantiek in zijn puurste vorm."
Anna schudde lachend haar hoofd. "Daar gaat mijn sprookjesbeeld van maretakken. En ik dacht nog wel dat het magische planten waren."
Fred haalde zijn schouders op. "Ach, magie en vogelpoep liggen dichter bij elkaar dan je denkt."
Ze fietsten verder, hun benen zwaar van de kilometers, maar met een iets lichtere stemming.
Het fietsen zat erop voor vandaag, maar hun nieuwe onderkomen liet nog even op zich wachten. Een uur te vroeg. En wat doe je als je met vermoeide benen en een lading bagage nergens heen kunt? Nou… je wordt tijdelijk inwoner van een zorgcentrum.
Fred keek om zich heen terwijl ze in de wachtruimte van het naastgelegen bejaardenhuis zaten. "Kijk ons nou," mompelde hij. "Alvast een proefronde voor later."
Anna grijnsde. "Dan wil ik wel een kamer met uitzicht en onbeperkte taartjes bij de koffie."
Gelukkig waren ze voorbereid. Tijdens de laatste stop bij de supermarkt hadden ze zichzelf getrakteerd op allerlei lekkers. En nu zaten ze hier, tussen de zacht zoemende rolstoelen en langzaam schuifelende bewoners, zichzelf vol te stoppen met chocola en Franse koffiekoeken
"Misschien moeten we even vragen of we mogen meedoen met bingo," zei Fred terwijl hij een chocoladebladerdeegdingetje naar binnen werkte.
Anna keek naar een groepje ouderen dat hen nieuwsgierig observeerde. "Ik denk dat we al gespot zijn. Straks krijgen we hier nog een kamer aangeboden."
Een uur later kregen ze eindelijk de sleutel van hun verblijf. Een château. Niet zomaar een kamer, maar een écht kasteel, compleet met een Romeo & Julia-balkon.
Fred keek naar de indrukwekkende gevel en floot zachtjes. "Nou, dat is eens wat anders dan een budgethotel langs de route. Alhoewel dit net zo duur is"
Anna lachte terwijl ze begon aan de zoveelste bagagesessie.
Ze sleepten alles naar boven, gelukkig was er een lift, bewonderden het uitzicht vanaf hun kamer en het leek alsof ze daadwerkelijk in een toneelstuk van Shakespeare waren beland, en besloten dat avondeten totaal overbodig was na al dat gesnaai in het zorgcentrum.
"Misschien nog een tosti?" stelde Anna voor.
Fred knikte en gooide zijn benen op bed. "Prima. Laten we vooral de koninklijke allure van dit château niet te serieus nemen."
Met een tosti in de hand en een prachtig uitzicht op de omgeving, eindigde hun dag verrassend luxe, en toch heel eenvoudig.
Hoofdstuk 40: Château tot Budgethotel
Van St Quentin tot Noyon
Ze werden wakker in hun château, of beter gezegd, een kasteel. Vol luxe, een heerlijk bed, en een sfeer die deed vermoeden dat er ooit adel door de gangen had gezweefd. Maar nu was het hun beurt om als koning en koningin van de fiets te ontwaken.
Ontbijt, of mooi gezegd in het Frans Petit Déjeuner, bleek te zijn in het naastgelegen bejaardenhuis. Dat klonk charmant, maar de realiteit was iets minder sprookjesachtig. De eetzaal was leeg, de tafels al half afgeruimd, en wat nog restte waren de harde kontjes van stokbroden.
"Ah, exclusief voor ons overgebleven," mompelde Fred terwijl hij een knoeperhard eindstukje inspecteerde.
De rest van het ontbijt leek regelrecht uit een suikerfabriek te komen. Vruchtjes op zware siroop, chocoladebroodjes, appelkoeken vol suiker, jam in mini-potjes en zoete toetjes. Zelfs de koffie ontbrak.
Anna trok een grimas. "Als je nog géén diabetes hebt, krijg je het hier wel."
Fred haalde zijn schouders op en schepte drie toetjes op zijn bord. "Dan moet je gewoon strategisch kiezen."
Anna speurde verder en vond tot haar opluchting nog een stukje kaas en een peer. Iets wat tenminste niet meteen haar bloedsuikerspiegel door het dak joeg.
Na deze bijzondere culinaire ervaring begon het gebruikelijke ochtendritueel. Spullen inpakken, lift in en uit, Fred eerst naar beneden, de fiets optuigen, laatste controle, en hoppa… weer onderweg.
Het was een sombere dag. Motregen, mist, een grauwheid die op de huid kroop. Terwijl in Nederland de eerste sneeuw viel, vrolijke foto’s van witte straten en vrolijke hondenfoto’s in witbesneeuwde bossen kwamen binnen, trapten Fred en Anna door een natte, donkere wereld.
Maar ondanks het weer was het fijn om te fietsen. Fijn om onderweg te zijn. Onderweg met een missie.
Ze reden langs het water, maar het pad was slecht. Hoge waterstanden zorgden ervoor dat het soms gewoon over het fietspad stroomde. Eenden en waterhoentjes fladderden verschrikt weg, en overal stonden reigers in de modder, onbewogen, als grijze wachters van het landschap.
Fred keek naar de dreigende lucht. “Nou, de Ark van Noach had hier niet misstaan.”
Anna giegelde en ging op zoek naar doedelzakmuziek voor het juiste fietstempo.
Anna speurde zoals altijd langs de velden. En ineens zag ze iets. Een mozaïeksteen, half begraven in de modder.
Ze stapte af, viste hem eruit. Even verderop lag er nog een. Zonder te twijfelen bond ze ze achterop de fiets.
Fred keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Nu ben je echt een archeologische fietser geworden. Hoe wil je dat nou weer meenemen en wat heb je daar nou weer aan.”
Anna grijnsde. “Ik heb geen idee maar ik moet het meenemen. Het kan Romeins zijn, Fred. Dit is vast historisch! En zo niet dan … nou, dan niet…”
Fred knikte bedachtzaam. “Dan hoop ik dat het niet gewoon een stuk badkamertegel uit de jaren ‘80 is.”
Anna rolde met haar ogen. “Laat me nou gewoon even genieten van mijn schatten.”
Onderweg belde Radio 5 voor een interview.
"Wat zijn jullie meest bijzondere ontmoetingen tot nu toe?" vroeg de presentator.
Anna en Fred keken elkaar aan. Blanco.
Er was zoveel gebeurd, zoveel mensen ontmoet, en toch… hun hoofden waren leeg.
Anna grinnikte. "We zijn zó in het moment dat alles even verdwenen is."
Fred knikte. “Of we hebben gewoon geheugenverlies door de kou.”
Maar maakt niet uit, het was een fijn gesprek waardoor ze de laatste kilometers weer vrolijker wegfietsten.
Toch werd het fietsen zwaarder. Fred voelde de tol van de medicatie en de ziekte, energie slonk sneller dan ooit. Maar toch, hij hield vol.
“Je bent zo sterk als een beer,” zei Anna liefdevol.
Fred haalde diep adem. "Misschien meer een teddybeer dan een grizzly, maar ik doe m’n best."
Misschien misten ze toch de broodnodige vitamines van de groenten die ze thuis altijd aten.
Hun gebruikelijke bergen groenten, die thuis standaard op het menu stonden. Minstens 500 gram per dag. Maar hier? Moeilijk.
De waterkoker, waar ze soep mee opwarmden, had het begeven. Koken in hotelkamers was een uitdaging, en uit eten was geen optie.
Fred at steeds minder. Door de medicatie smaakte alles vies, behalve toetjes.
Anna keek vastberaden. “Zodra we een keuken hebben, ga ik je volstoppen met groenvoer.”
Na extra kilometers, de zoveelste route barrée, kwamen ze eindelijk aan bij hun budgethotel.
“Niet echt een château,” mompelde Fred.
Anna haalde haar schouders op. "Als er een bed en een douche is, teken ik ervoor."
Eerst een snelle hap om daarna als een blok in slaap te vallen…
Tot ze om 19.00 uur plots wakker schrokken.
Fred: “We moeten nog eten.”
Anna keek naar hun voorraad. Brood met bietensalade. Ach, morgen gingen ze uit eten met ‘de broers’. Dit kon voor vandaag wel en met een blikje ‘agrumes’ was het zelfs lekker.
Zo eindigde de dag in eenvoud, met een boterham en het vooruitzicht om na morgen weer een rustdag te hebben.
Hoofdstuk 41: Zon!!.
Van Noyon naar Compiègne
De dag begon met muziek. "Smooth Operator" speelde in Anna’s hoofd terwijl ze zich uit bed wrong. "Nou," mompelde ze terwijl haar knieën kraakten en haar rug niet wilde buigen, "smooth ben ik echt niet. Alles piept en kraakt aan mij door al dat fietsen. Maar er is wel weer een liedje in mijn hoofd. Dat beloofd vast iets moois."
Fred keek op van onder zijn deken. Hij zag er minder jofel uit. Zijn gezicht had een hoogrode kleur en hij rilde een beetje.
Anna wierp hem een bezorgde blik toe. “Gaat het?”
Fred haalde zijn schouders op. “Beetje koud.”
Voor de zekerheid werd de temperatuur gemeten. Okee, geen koorts. Dus op naar het ontbijt.
Op sokken slopen ze naar de ontbijtruimte, geen zin om die dikke boots weer aan te trekken. Altijd leuk om te zien hoe elk hotel en elk land weer een andere interpretatie van ‘ontbijt’ heeft.
Anna’s ogen lichtten op bij de fruitafdeling: rode bessen, blauwe bessen, peren, sinaasappels, granaatappelpitjes, nootjes, allemaal netjes per soort verpakt. Een klein paradijs voor haar.
Fred? Die dook enthousiast in het stevige werk: brood, ei, vleeswaren en uiteraard een croissantje.
Hij grinnikte en wees naar een bordje bij de receptie.
"Voor het verbranden van één croissant: 150 jumping jacks."
Anna trok haar wenkbrauwen op. “Nou, dan laat maar.”
Fred haalde zijn schouders op. “Ik hoef niet meer mee te doen aan die gekkigheid."
Bij het optuigen van de fiets voelde Anna het direct: warmte.
De zon scheen volop en uit de wind kon je gewoon zonder jas buiten zitten. Wat een verschil met de ijzige kou van gisteren.
En toch… vertrouw je het niet meteen.
“Zonder jas? Kan niet,” mompelde Anna terwijl ze toch haar dikke vest dichtritste.
Fred knikte. “Te mooi om waar te zijn.”
Maar toen ze eenmaal op de fiets zaten, merkte ze het echt. Dit was een andere dag.
Met een supervrolijk humeur fietsten ze langs het water, door bossen en over oude paadjes. En bij elke afslag die ook maar een beetje blubberig leek, kozen ze een alternatief.
“Leren we het eindelijk?” grapte Fred.
Anna grinnikte. “Blubber en ik… we hebben een ingewikkelde relatie.”
Ze fietsten door dorpjes, net als de voorgaande dagen, maar iets voelde anders. De huizen kregen meer kleur, de gevels waren beter onderhouden, en de tuinen werden zichtbaar gebruikt in plaats van alleen maar als opslagplek voor oude fietsen en stapels hout.
Anna keek om zich heen en merkte het meteen op. "Hé Fred, zie je dat? Het voelt hier... netter, verzorgder."
Fred knikte. "Meer bloembakken, minder beton."
"Wegen ook beter," mompelde Anna terwijl ze over een verrassend glad fietspad rolde. Ze keek hem grijnzend aan. "Bijna jammer, ik begon net gewend te raken aan het offroad-stuiteren."
Fred lachte. "Nooit gedacht dat ik hobbelstenen zou missen."
Maar wat was het? Waarom voelde het hier anders? Was het omdat ze dichter bij Parijs kwamen? Waren de mensen hier anders? Had men hier meer geld of simpelweg meer liefde voor hun omgeving?
Of misschien... was het gewoon omdat de zon scheen en alles er beter uitzag in het licht.
Toch bleef de verandering opvallend echt. De huizen straalden meer zorg uit, de wegen waren in veel betere staat, en zelfs de fietspaden leken nu bedoeld voor fietsen in plaats van een testbaan voor wielervering.
Anna haalde diep adem en keek om zich heen. "Dit voelt fijner."
Fred knikte. "Het contrast is gigantisch. Maar hé, laten we ervan genieten. Voor je het weet zitten we weer op een weg die uit de middeleeuwen lijkt te komen."
Opeens verscheen er een abdij aan de horizon.
Wat een pracht.
Vervallen, oud, maar zo vol geschiedenis. Wat is dat toch, die aantrekkingskracht van oude stenen? Misschien de verhalen die er in verweven zitten, het verleden dat nog tastbaar is, of gewoon de sfeer van een plek die zoveel heeft meegemaakt.
Buiten op een bankje in de zon ontmoetten ze een vrouw die daar verbleef voor stilte en gebed.
Ze raakten in gesprek en vertelden over hun tocht nadat de vrouw de caminoschelp aan in de fietstas had gezien. Ze glimlachte en zei dat ze voor Fred zou bidden tijdens de mis.
Anna voelde haar keel dichtknijpen. “Dank je.”
Soms zijn het de kleinste gebaren die het grootst voelen.
In het bos was het zo zonnig en windstil dat ze besloten een koffiestop te houden op een bankje.
Anna keek omhoog naar de bomen. Overal hingen grote trossen maretakken.
"Waarom zijn er hier zoveel?" vroeg ze. "In Nederland zie je ze ook wel, vooral in Limburg, maar hier… echt duizenden!"
Fred keek naar de groene bollen in de bomen. "Misschien is dit de hoofdstad van de maretakken?"
Anna lachte. “Of een geheime kerstfabriek.”
Ze tuurde verder omhoog. “Ze zeggen dat het geluk brengt, toch?”
Fred grijnsde. “Dan hebben we nog een heleboel geluk op voorraad.”
En toen ineens… daar was Compiègne.
Ze hadden een relatief korte route vandaag en waren sneller aangekomen dan gedacht. Dus tijd om de stad in te gaan.
Bij de kathedraal bleef Fred op de fiets. Hij voelde zich niet stabiel genoeg om mee naar binnen te gaan.
Anna ging alleen en werd overweldigd door de pracht van de kerk.
Foto’s maken, kijken, zich verwonderen. Haar creatieve brein draaide overuren.
Bij de Bureau Touristique vroeg Anna netjes in het Engels om een stamp in haar credential. De man achter de balie stofte hem letterlijk af en plaatste met veel moeite een half-uitgedroogde stempel. Mompelend in het Frans :"Ja, wie komt er nou in de winter?"
Ik kan niet veel Frans maar dat meneertje, kon ik nou toch verstaan… en ze zei “on fait à vélo en hiver.” En ze liep lachend naar buiten.
Op een terras, in het zonnetje (!), genoten ze van een heerlijke lunch, cadeau van Mieke en Eelke.
“Wat nemen we?” vroeg Anna.
De ober noemde een paar opties. Anna en Fred hoorden vooral iets over “crocs”... nou dat zou wat moois worden.. doe maar.
“Pour madame et pour monsieur? Avec frites…“
Uiteindelijk zat Anna aan de monsieur en Fred aan de madam te plukken terwijl ze genoten van dit onverwachte cadeau van de dag.
De zon, het eten, het gevoel van voldoening. Dit waren de momenten.
En toen werd het tijd om naar het hotel te gaan en met nog een omweg met nog een kerk gingen ze de laatste 3,5 km in één ruk naar het hotel.
Vanavond zou broertjesdag zijn. Freds broers kwamen helemaal naar Frankrijk om hem te verrassen met een etentje.
Fred kon het maar niet bevatten. "Wat een gekkies, echt!"
Anna glimlachte. “Gekkigheid omdat ze om je geven. Nu hoppa, eerst in bed en energie verzamelen voor vanavond!”
Het beloofde een bijzondere avond te worden.
Hoofdstuk 42: Een Moment van Twijfel...
Van Compiègne naar Clermont…
De avond met de broers was bijzonder. Eén voor één kwamen Freds broers binnen druppelen , en al snel was het kluppie compleet. Er werd gelachen, gegeten, gepraat, geen grootse woorden, maar juist dát maakte het zo speciaal. Ze waren hier. Voor hem. Voor hen.
Fred hield zich goed, ondanks zijn vermoeidheid. Maar toen ze later op de avond naar hun kamer gingen, viel hij als een blok in slaap. Op…
Anna zag het al toen ze haar ogen opendeed. Rode vlekken in Freds nek. Ook de rest van zijn lijf zag er vlekkerig uit en hij lag stil, alsof zelfs bewegen te veel was.
"Hoe voel je je?" vroeg Anna zacht, terwijl ze voorzichtig een hand op zijn voorhoofd legde.
Fred opende één oog, keek haar even aan en bromde: "Alsof ik gisteravond door een wasstraat ben gehaald, maar dan zonder drogen. Koud, moe… en een beetje alsof ik niet helemaal hier ben."
Anna trok haar wenkbrauwen op. "Dus half mens, half spook?"
Fred sloot zijn ogen weer en mompelde: "Eerder een uitgewrongen dweil met een vage wifi-verbinding."
Anna keek hem bezorgd aan en streek even over zijn hand. "Nou, je hebt er in ieder geval de looks bij," zei ze zacht, terwijl ze de rode vlekken in zijn nek bestudeerde.
Ze hadden een rustdag gepland, gelukkig. Even niks. Even tijd om te voelen. Maar rusten was moeilijk voor Anna als je hoofd overuren maakte.
Anna maakte een paar foto's van Freds uitslag en die stuurden ze door naar het UMCG en hun huisarts. Later op de morgen kregen ze een belletje terug: waarschijnlijk een allergische reactie, goed in de gaten houden en nog meer medicijnen.
Gelukkig was 1 broer nog hier en kon Anna lekker met hun bus mee naar de Pharmacie. Anna was opgelucht. Even extra handen. Even iemand anders die kon helpen.
Fred sliep bijna de hele dag. Af en toe at hij een paar happen, dronk wat water, maar verder was hij weggezakt in diepe rust. Misschien was dat precies wat hij nodig had.
Anna zat naast hem op bed en keek naar zijn rustige gezicht. Kon het nog? Was het niet te veel?
"Fred," begon ze voorzichtig.
Hij opende zijn ogen en keek haar direct aan. "Je wil weten of ik wil stoppen, hè?"
Anna knikte langzaam. "Ik weet dat je door wilt, maar kan het nog?"
Fred dacht even na. Zijn stem was zacht, maar vastberaden. "Ik wil dit. Ik wil dit afmaken, hoe dan ook."
Anna zuchtte en knikte. "Dan doen we dat."
Fred pakte haar hand en kneep erin. "Samen gaat t lukken vandaag. Morgen zien we weer."
En zo gingen ze toch weer op pad. Fred voorop met de kop in de wind, met factor 50 op zijn gezicht tegen de zon.
De zon kroop langzaam omhoog, haar stralen voorzichtig spreidend over het bevroren landschap. Langzaam maar zeker begon de kou zich terug te trekken, alsof ze zich besefte dat haar tijd erop zat.
Anna voelde hoe de warmte haar gezicht raakte en sloot even haar ogen. "Eindelijk, de zon wint," zei ze opgelucht.
Fred, die lager bij de grond zat, gromde wat. "Misschien voor jou. Hier beneden vriest het nog altijd," mopperde hij, terwijl hij zijn handen dichter bij zijn buik hield om ze warm te houden.
Anna keek naar hem en zag hoe de koude lucht nog steeds om hem heen leek te blijven hangen. "Dat is ook zo," zei ze, nadenkend. "Jij zit daar als een diepvriesmaaltijd op wielen. Misschien moet ik je een keer voorop zetten met een zonnepaneel om je te ontdooien."
Maar voor nu moest hij het doen met dikke handschoenen de smileymuts en de hoop dat de zon haar werk snel zou doen.
Onderweg waren er weer veel kerken te bekijken. De zon kreeg steeds meer kracht en haar stralen vielen door de gebrandschilderde ramen. Ze schilderde kleurrijke patronen op de stenen vloer. Anna bleef even staan, gevangen in het spel van licht en glas. Ze was altijd al gefascineerd geweest door glas-in-lood, maar vandaag leek het anders. Het raakte haar dieper, alsof het licht rechtstreeks door haar heen scheen.
"Ik blijf er maar naar kijken," mompelde Anna in zichzelf. "Het voelt alsof het al eeuwen wacht om gezien te worden. Alsof het alleen zichtbaar wordt als je écht stil bent.”
Anna stapte de kerk uit en liep naar Fred, die buiten op de fiets zat te wachten, had zijn jas wat hoger dichtgetrokken tegen de kou en keek haar nieuwsgierig aan.
"En?" vroeg hij. "Was het de moeite waard?"
Anna grijnsde en haalde haar telefoon tevoorschijn. "Moet je kijken," zei ze, terwijl ze hem de foto's en filmpjes liet zien.
Fred leunde iets naar voren en keek aandachtig naar het scherm. De kleuren van het glas-in-lood dansten over de kerkvloer, het zonlicht zorgde voor een magisch schouwspel.
"Wow," mompelde hij. "Dat is echt bijzonder." Hij keek even op en knipoogde. "Nou, blij dat je me toch kunt laten meegenieten.” Hij voelde zich nog te wankel om te lopen.
Het werd ook een gedenkwaardige dag. Niet alleen door het licht, maar ook omdat ze afscheid namen van een trouwe reisgenoot: het aanhangertje.
Vanmiddag zou Mark komen, hun eerste ‘hulptroeper’ met de bus en aanhanger.
Jaren geleden was hij de eerste ‘meefietser’ geweest, fietste een etappe met hen mee toen ze dwars door Nederland gingen met de rolstoelfiets. Sindsdien had hij zelf meerdere camino’s gedaan, een echte pelgrim.
En daar was hij dan… een steunpilaar op wielen. Iemand die zomaar een week van zijn tijd gaf om hen te helpen, zonder iets terug te verwachten. Onbetaalbaar. Geen engel met vleugels (even ter zijde: waar zitten de vleugels vast?) maar zeker eentje met een groot hart. Caminofamilie!
Fred was bij aankomst in het huis direct naar bed gegaan. Opnieuw slapen, opnieuw opladen.
Anna maakte eten van alle restjes en genoot van de eenvoud van de avond. Geen poespas, geen haast, gewoon samen zijn.
Na het eten zaten ze rond de tafel, Anna verdiept in haar tekening, Mark die verhalen vertelde over zijn eigen avonturen, en Fred, stil maar aanwezig, leunend in het hoekje van de bank. Zijn ogen half gesloten, luisterend, glimlachend op de momenten dat de woorden hem bereikten. Het voelde als een kleine adempauze in hun reis.
En morgen? Morgen ging de reis verder?
Hoofdstuk 43: Een Vrolijk Randje
Anna werd wakker met een lichte aarzeling, maar al snel brak er een glimlach door op haar gezicht. Fred zag er beter uit. Zijn gezicht was niet meer zo rood en opgezet als de dag ervoor. Een opluchting.
Net toen ze zich weer wilde omdraaien, hoorde ze gerommel in het huisje. Huh? Ze fronste even en keek verbaasd op. Hoezo rumoer? En toen drong het tot haar door, Mark was er. Wat een fijn gevoel.
Ze was vandaag niet alleen verantwoordelijk voor alles. Er was iemand die mee zou kijken, mee zou helpen, die kon inspringen als het even niet ging. Het gaf haar een geruststellend gevoel, een lichter hart. Helemaal in deze situatie.
Toch zag ze aan Fred dat hij nog steeds niet zichzelf was. Hij bleef stiller dan normaal, zijn bewegingen trager. Liet hij de moed een beetje zakken? Hij merkte zelf ook dat zijn krachten weer verder afnamen. Was dat door de medicijnen? De allergische reactie? Of… gewoon een teken dat hij steeds verder achteruitging?
Anna slikte die laatste gedachte weg. Zolang hij mentaal sterk bleef, maakte ze zich minder zorgen. Maar wat als hij dat niet meer kon? Wat als hij zich liet meeslepen in de vermoeidheid?
Ze dwong zichzelf de dag met een vrolijk randje te beginnen. Er was koffie en thee, een simpel ontbijt en een hoop geklets. Maar uiteindelijk hing alles af van Fred. Zou hij vandaag willen fietsen?
Hij dacht lang na. Keek naar buiten. Ging nog even terug in bed. Keek naar Anna en Mark. Wreef over zijn gezicht. En toen kwam het verlossende antwoord.
“Laten we een klein stukje gaan doen.”
Anna haalde opgelucht adem.
Geen aanhangertje vandaag, gewoon een lichte rit.
Dat bleek een gouden plan, want de heuvels waren vandaag verraderlijk hoog. Maar het naar beneden gaan? Pure vrijheid.
Zoef. Zoef.
Met volle vaart van de berg, de wind in hun gezichten. Soms misschien iets te hard, maar ach, dat hoorde erbij. Dit was waarom ze hier waren. Voor momenten als deze.
Na een tijdje begon de route ineens lastig te worden. Vastgelopen. Weer.
De fiets kreeg het zwaar en Fred moest uitstappen om mee te lopen. Een stap te ver, letterlijk en figuurlijk. Zijn gezicht vertrok even van de pijn, maar hij zei niets.
Anna wist genoeg. Nog een klein stukje fietsen, maar dan was het klaar voor vandaag.
De kou kroop inmiddels hun jassen binnen, de wind sneed genadeloos langs hun wangen. De kilometers voelden zwaarder dan normaal, en toch 33 kilometer op de teller.
Ze waren dankbaar. Dankbaar dat ze dit mochten doen.
Nooit eerder zouden ze overwogen hebben om in de winter te gaan fietsen. Maar nu? Nu zagen ze de wereld op een manier die anders verborgen was gebleven.
Het was stil.
Niet alleen stil qua fietsers, die waren er nauwelijks, maar een diepere stilte. De natuur hield haar adem in, wachtend op het startsein. En zij mochten dat observeren.
Voorzichtige primula’s die zich net boven de grond waagden. Narcissen die hun groene kopjes uitstaken, aftastend of het veilig genoeg was om te bloeien. Velden die er leeg uitzagen, maar waarvan ze wisten: ondergronds broeit het al.
Een voorzichtige belofte van nieuw leven.
Anna keek naar Fred’s zwarte smileymutsje. Ze waren hier. Ze deden dit. Samen.
Wat een onbeschrijflijk dankbaar gevoel.
Aan het eind van de route doemde een supermarkt op, alsof het een finishlijn was. Eindelijk.
Anna deed snel de boodschappen, al duurde het zoals altijd langer dan gepland, elke winkel is weer anders, en Anna zocht zich een ongeluk naar de juiste spullen.
Ondertussen stuurde ze een berichtje naar Mark: "We zijn er klaar mee, kom ons maar redden."
Niet veel later kwam hij aanrijden met het busje en de aanhanger, als een engel zonder vleugels, klaar om hen op te pikken. De fiets werd op de aanhanger geknupt, de tassen in het busje gegooid.
En toen, al stuiterend over de hobbelige Franse wegen, reden ze terug naar hun huisje. Fred zat achterover geleund op de voorstoel, ogen halfdicht, Anna zat achterin met haar hoofd naar achteren gedraaid om de fiets in de gaten te houden want bij elk bobbel leek hij eraf te stuiteren ondanks de knooptechniek van Mark. Mark kletste vrolijk door over van alles en nog wat.
Thuisgekomen was het tijd voor een warme maaltijd. Eten, rust, even niets.
Anna scrolde ondertussen door de opties voor een nieuw onderkomen. Niet te ver, niet te duur, met parkeerruimte voor de bus en aanhanger en liefst beneden. Het was zoals altijd een puzzel, maar uiteindelijk lukte het.
De avond viel. De dag was weer een stukje camino-geschiedenis. Morgen weer verder… verder naar de Seine!
Hoofdstuk 44: Seine
“En we zijn weer onderweg,” zuchtte Anna terwijl ze haar muts nog wat steviger over haar oren trok. “Drie dagen op rij fietsen. Waar is die rustdag gebleven?”
Fred lachte schor. “Rustdagen zijn een illusie, net als warme tenen in de winter.”
Vandaag werd ook een verhuisdag. Voor het eerst met hulp. Mark was er met het busje en sjouwde zonder klagen alle spullen naar beneden. Dat was heerlijk voor Anna, die anders alles alleen moest doen. Eindelijk geen extra last van de knieeën voordat de tocht nog moest beginnen.
Anna keek naar hem terwijl hij de zware fietstassen tilde. “Een welgemeend bedankje voor je inspanningen, hoor! Echt superfijn.”
Mark zei droog: “Ik neem genoegen met chocola.”
De route begon echter minder idyllisch. Na afgezet te zijn in Meru, waar ze gisteren waren geeindigd, werden ze al snel geconfronteerd met een half verteerd reeënlijf in de sloot. Anna keek snel weg, maar nog geen kilometer verder lag er een vers aangereden reebokje aan de kant van de weg. Ze stopte even en beet op haar lip.
Fred zag haar gezicht en knikte begrijpend. “Soms is de natuur verre van romantisch.”
Anna zuchtte. “Ja… en soms is het gewoon rot.”
Ze fietsten verder in stilte, het beeld nog op hun netvlies gebrand. En toen werd het nóg uitdagender.
Hun ‘alternatieve’ route bleek een pure beproeving: recht omhoog, zonder echt pad, begroeid met alles wat maar in de weg kon zitten. Anna voelde haar hart bonken terwijl ze worstelde om boven te komen. Fred hijgde voorop, trillend van de inspanning.
“Van wie was dit idee ook alweer?” pufte ze.
Fred keek op zijn routeschermpje en probeerde te grinniken. “Ehm… de kaart. Ik zweer dat het leek op een normaal weggetje.”
Anna steunde op het stuur en haalde diep adem. “Nou, je kaart liegt.”
Terwijl ze boven op adem kwamen, voelde Anna de bekende demonen weer op haar schouder springen. “Joehoe, hier zijn we weer!” leken ze te fluisteren. Zorgen, angsten, twijfels. Ze klampten zich vast aan haar gedachten, knepen in haar ribben.
Fred merkte haar gespannen gekibbel in hun gesorekken. “Gaat het?”
Anna haalde diep adem en knikte. “Ja… nee… ach, laat ook maar. Ik word gewoon moe van mezelf.”
Fred zei “stop eens even” en hij ging staan en sloeg een arm om haar heen. “Het is oké. We zorgen gewoon dat ze verdwijnen. Ook dit kunnen we handelen…
Maar de dag had nog een verrassing in petto.
Na uren fietsen, een paar omwegen en nog een ‘interessant’ sanitair moment achter een grafzerk, waarbij Anna natuurlijk haar eigen broek had geraakt, kwamen ze aan bij hun nieuwe onderkomen.
Anna viel bijna van de fiets bijna toen het grote hek langzaam open schoof. “Wacht… wát?”
Fred keek met grote ogen naar de oprijlaan die zich voor hen uitstrekte. Een imposant landhuis aan de Seine.
Fred keek rond en knikte goedkeurend. “Nou, we leggen de lat aardig hoog. Straks valt elk volgend onderkomen tegen.” Hij grijnsde. “Misschien moeten we hier maar blijven en een boek schrijven: Fietsend naar Seine ipv naar de hemel. Dit is volgens mij net zo iets.”
Anna lachte terwijl ze de fiets onder een aanbouw parkeerde.
De gastheer kwam naar buiten en begroette hen met een vriendelijke glimlach. “Bienvenue! Jullie plek is hier beneden, knus en wc met uitzicht op het water.”
Anna kneep even in Freds arm. “Dit is toch wel echt? En zie je daar die wasmachine?”
Na vier weken onderweg was het moment daar: ze konden hun kleding écht wassen. Niet meer ‘opfrissen’ met een nat washandje, niet meer deodorant als reddingsmiddel, niet meer t-shirts uitkloppen en hopen dat dat genoeg was. Nee, een échte wasmachine.
Anna keek naar de gevulde fietstassen en trok een vies gezicht. “Ik denk dat deze sokken inmiddels zelfstandig kunnen lopen.” Ze pakte er eentje op met twee vingers en hield hem op armlengte van zich af. “Serieus, deze is harder dan mijn fietszadel.”
Fred grinnikte. “Mijn onderbroek heeft zich aangepast aan mijn lichaamsvorm. Als ik ‘m neerzet, blijft ‘ie gewoon rechtop staan.”
Anna wierp een blik op zijn stapeltje kleding. “En je fietsshirt dan? Dat ding kan zo als biologisch wapen worden ingezet.”
Fred haalde zijn schouders op. “Niet mijn schuld. Er was gewoon geen wasmachine.”
Anna gooide het eerste lading in de machine en draaide zich naar Fred. “Ik zweer het je, als die machine straks begint te protesteren of wegrent, gaan we álles weggooien en kopen we nieuwe spullen.”
Anna grinnikte en startte de machine. “Nou, laten we hopen dat de Seine straks niet schuimbekkend wraak neemt.”
Fred keek bezorgd naar de trommel die langzaam begon te draaien. “Denk je dat ‘ie het aankan? Misschien moeten we in etappes wassen, net als onze reis.”
In de loop van de dag kwam ook hun engel zonder vleugels binnen vliegen en was het stel weer compleet. Hier konden ze wel wennen.
Soms weet het universum precies wat je nodig hebt. En vandaag was dat een vleugje luxe, een warme plek, een wasmachine en de Seine als uitzicht vanaf de wc.
Hoofdstuk 45: Over toppen en dalen
Van Poissy naar Bourdonné.
Anna lag ’s nachts alweer wakker. Misselijk. Weer die knoop in haar maag. Maar waarom? Te druk geweest? Iets verkeerds gegeten? Of waren het de demonen die zich weer ongemerkt in haar hoofd hadden genesteld? Ze haalde diep adem. "Morgen is het vast over," mompelde ze tegen zichzelf.
Maar bij het wakker worden: helaas, pindakaas. De misselijkheid was er nog steeds.
Fred keek haar bezorgd aan terwijl ze voorzichtig een slok gemberthee nam en een havermout met heet water. "Gaat het een beetje?"
Anna trok een grimas. "Laten we zeggen dat ik liever een ander ontbijt had gehad."
Na wat hokuspokus uit het thuisfront, een combinatie van goedbedoelde adviezen en een mentale peptalk, besloot ze toch maar gewoon op te stappen. “Hoppa, we proberen het.” Lekker voelde ze zich niet, maar blijven liggen was ook geen optie. En mocht er iets zijn was er altijd Mark, dan werd hij ingevlogen.
Anna trapte stevig door, haar blik strak op de weg gericht. Even voelde ze zich beter, maar zodra ze een steile klim naderden, voelde ze de misselijkheid weer opkomen als een boemerang die niet wist wanneer hij moest stoppen.
"Gaat het?" vroeg Fred bezorgd toen hij Anna maar steeds zo hoorde puffen.
Anna zuchtte nogeens diep. "Nou, laten we zeggen dat mijn maag al die inspanning niet grappig vindt. En kijk eens wie er weer gezellig meeliften," zei ze terwijl ze haar blik op denkbeeldige figuren richtte.
Fred wierp een blik op haar stuur en knikte begrijpend. "Ah, de demonenclub is er weer? Wat gezellig. Teddy en Olijfje ook van de partij?"
Anna keek schuin naar haar knuffels, die voorop de fiets bungelden. "Ja, maar ik weet niet of ze me beschermen of gewoon lijdzaam toekijken hoe hun baasje zichzelf afbeult."
Fred trok een wenkbrauw op. "Misschien moeten we er een paar dumpen onderweg? Gratis achterlaten voor de thrillseekers die dit aandurven?”
Anna schudde haar hoofd. "Nee, ze moeten gewoon weten wanneer ze hun mond moeten houden."
Fred grinnikte. "Nou, als je ze hoort praten, laat het me dan even weten, dan hebben we pas écht een probleem."
Anna kon die stomme humor nu even niet waarderen en trapte door, haar focus weer op de weg. "Ik geef ze nog tien kilometer. Daarna kieper ik ze de berm in."
Fred keek naar haar en glimlachte. "Deal. Maar zet Olijfje en Teddy dan even veilig weg, die hebben nog een lange weg te gaan."
Ze zuchtte diep, probeerde de knoop in haar maag te negeren, en focuste zich op de horizon. Op naar het volgende stuk van de tocht, met of zonder ongewenste passagiers.
Fred riep vanuit zijn stoeltje. "Je stuur lijkt tegenwoordig meer op een pelgrimscafé dan op een fietsstuur."
En gek genoeg, na 40 kilometer, waren de vervelende exemplaren verdwenen. Alleen Teddy en Olijfje bleven over, gezellig koekeloerend naar de omgeving.
Het landschap veranderde. Ze zagen vergezichten zonder horizonvervuiling. Gewoon een strakke streep als horizon. Geen huizen, geen elektriciteitsmasten. Een schilderij in zijn allereerste fase:
Een blauwe lucht. Een groene of bruine ondergrond, afhankelijk van of het veld nog leeg of al geploegd was.
“Gewoon mooi,” mompelde Anna. “En toch is er eigenlijk niks bijzonders te zien.”
Fred knikte. "Dat is het bijzondere eraan."
Op een gegeven moment passeerden ze een veld vol witte bulten. Anna kneep haar ogen samen. "Zijn dat... bloemkolen?"
Het bleken allemaal keien te zijn, helemaal verspeeid over het gehele perceel. Veel grote ronde, witte keien.
Fred schoot in de lach. "Nee joh, dat zijn nou steenkolen!"
En ondanks de zwaarte van alles schoot Anna in een schaterende lach.
Onderweg kwamen ze de ene na de andere oude kerk tegen. En het bijzondere? Alle deuren stonden wijd open.
"Waarom denk je dat ze dat doen?" vroeg Fred.
Anna snoof even. "Drogen van de winter. Je ruikt t echt. Dat vochtige, muffe"
Binnen waren ze stuk voor stuk weer adembenemend. Overal glas-in-loodramen die door het zonlicht nog intenser kleurden. In één kerk speelde zelfs prachtige muziek op de achtergrond. Weer heel indrukwekkend.
Fred bleef buiten op de fiets wachten als een stille wachter. Anna verdween in de stilte en genoot. Toen ze terugkwam, liet ze hem de foto's en filmpjes zien. "Je had erbij moeten zijn."
Maar deze kerk ging niet. Een hoge trap en dan eerst een tocht over het kerkhof om er te komen. Volgende keer beter.
Bij een klein kerkje in het zonnetje besloten ze te lunchen. Een perfect moment voor Fred om zijn stoma’s te legen.
Anna liep een rondje in en om de kerk. "Eh... en waar ga ik dan?"
Ze inspecteerde de omgeving. Geen toilet. Geen beschut plekje.
En nu?
Maar toen viel haar oog op een oude stenen put.
Anna keek om zich heen, haalde haar schouders op. "Nou, dat is dan dat."
Ze ging door haar knieën en deed wat nodig was, netjes in de put. Altijd een avontuur, die sanitaire stops op de Camino.
Toen ze terugkwam, keek Fred haar vragend aan.
"Laat maar," zei Anna. "Het was beter dan achter een grafzerk."
Na alle beklimmingen was daar eindelijk een lange afdaling. Zelfs Fred, die normaal wel wat gewend was, vond het een beetje eng.
Anna kneep in haar remmen. “Als ik nu loslaat, zitten we metéén in Lourdes!”
Fred hield zijn handvaten stevig vast. "Nou, Lourdes is prima, maar misschien niet op deze manier."
Maar de snelheid gaf ook een heerlijk gevoel. Vrijheid, vergetelheid… Zo vlogen ze Bourdonné binnen.
Daar stond Mark alweer op ze te wachten. De fiets achterop de kar en ze stapten in het warme busje.
“Fred leunde achterover terwijl Mark de riempjes van de fiets stevig vastsjorrde op de aanhanger. Fred keek met een brede grijns naar Anna en schudde zijn hoofd. “Dat was wel cool, hoor, daar in die afdaling. Ik denk dat we wel even ons snelheidsrecord hebben verbroken. We vlogen echt naar beneden. Heb je geen moment gedacht: misschien een tikje minder gas? Anna?”
Anna haalde haar schouders op en gaf Fred een speelse duw. “Supergaaf, ja. Maar serieus, wat moet jij toch een vertrouwen in mij hebben. Je zit daar maar, zonder controle, terwijl ik de remmen in handen heb.”
Fred schoot in de lach. “Of gewoon geen keuze… Maar hé, tot nu toe heb je me nog niet gelanceerd, dus dat zegt toch iets?”
Anna rolde met haar ogen. “Fijn om te weten dat de lat niet zo hoog ligt.”
Fred grijnsde. “Soms doe ik echt mijn ogen dicht en is het gewoon lekker om even te vliegen en alles te vergeten.”
En zo reden ze met Mark weer terug naar het Seinehuisje om lekker te eten en nieuwe plannen te maken.
Hoofdstuk 46: De Weg naar Chartres
(Van Bourdonné naar Chartres)
De ochtend begon met opruimen en inpakken in het Seinehuisje, een plek die hen een paar dagen als thuis had gediend. Maar net toen ze dachten dat alles klaar was, kwam er een verrassing.
"Toch nog bijbetalen voor de winterperiode," meldde de gastheer vriendelijk maar beslist.
Anna fronste haar wenkbrauwen. Hoezo? Dit stond nergens…
Ze wilde er iets van zeggen, maar voelde direct hoe de energie uit haar wegstroomde. Laat maar. Soms was het de strijd niet waard. En het was gewoon een uniek plekje. Ze wilde de illusie vasthouden.
"Vooruit, beschouwen we het als een lesje voor de volgende keer," zuchtte ze tegen Fred, die begrijpend knikte.
Gelukkig was er ook goed nieuws: Mark was vandaag officieel "Transportbedrijf Camino" en bracht hen iets verder dan waar ze gisteren waren geëindigd.
Een beetje smokkelen mocht best, zeker als het betekende dat ze eerder in Chartres zouden aankomen en daar meer tijd hadden om rond te kijken.
"Het voelt wel een beetje als spijbelen," grijnsde Fred terwijl hij zich in de fiets zette.
"Ach," antwoordde Anna luchtig, "noem het strategisch plannen."
De kou beet nog in hun wangen terwijl ze de eerste kilometers maakten. Het gas erop, want ze wilden zo vroeg mogelijk aankomen. Het fietspad werd breder, de lucht helderder. De heuvels werkten vandaag niet tegen, maar met hen mee.
"Dit gaat lekker," riep Anna terwijl de wind in haar oren suisde en ergonomisch over haar stuur hing.
Fred lachte. "Ja, vooral als we bijna gelanceerd worden op die afdalingen. Straks kunnen we gewoon zweven!"
De laatste kilometers brachten hen langs een ‘Voie Verte’, een prachtig fietspad langs het water. Het was zo’n route waar de wereld even stil leek te staan, behalve het ritme van de trappers en het geritsel van de bomen langs de kant. En daar, opeens, Chartres.
Onder één van de grote stenen bogen reden ze de stad binnen, met de indrukwekkende kathedraal al in zicht, hoog boven alles uittorenend als een wachter over de stad.
Anna voelde de opwinding in haar buik opborrelen. Ze was hier eerder geweest en had er prachtige herinneringen aan. Dit was een plek die haar diep had geraakt. Ze kon niet wachten dat gevoel weer te ervaren.
Maar toen ze de kathedraal naderden, stokte haar adem.
Steigers. Omgevingslawaai. Drukte.
Anna liep de kerk binnen en voelde een klap van teleurstelling. Overal bouwmaterialen, hekken, onderhoudswerkers.
Het labyrint waar ze zich zo op had verheugd, dat symbool van bezinning en rust, was volgezet met stoelen. De magie was weg.
Kinderen renden door de gangen, groepen toeristen verzamelden zich voor rondleidingen.
Het sereen heilige gevoel dat ze hier eerder had gevoeld, was verdwenen.
Ze liet haar schouders zakken.
"Nee… dit is het niet vandaag," fluisterde ze in zichzelf.
Langzaam liep ze terug naar buiten, waar Fred geduldig op haar zat te wachten. De ingang was voor hem onbereikbaar geweest vanwege de trappen, dus hij had buiten op haar gewacht.
"En?" vroeg hij, haar blik peilend.
Anna zuchtte. "Het was niet zoals ik het me herinnerde."
Fred kneep even in haar hand. "Dat gebeurt. Mooie herinneringen moet je soms gewoon niet opnieuw willen beleven."
Anna knikte. "Gelukkig is het muziekdoosjeswinkeltje er nog."
Binnen in het piepkleine winkeltje was het stil. De eigenaar begroette haar vriendelijk en vertelde dat hij vanwege het voorseizoen nog maar weinig op voorraad had.
"Ik zoek een muziekdoosje met Ave Maria," zei Anna hoopvol.
De man schudde zijn hoofd. "Nee, die heb ik echt niet meer."
Anna keek naar de bijna lege dozen op de toonbank.
"Mag ik zelf even kijken?"
De man haalde zijn schouders op. "Tuurlijk, ga je gang."
Anna begon de doosjes open te maken, één voor één. Ze zocht een muziekje wat aansprak. De melodietjes klonken door de winkel, maar nergens klonk het juiste lied.
Toen opende ze een tweede doos. Onderin, weggestopt, half verborgen onder andere muziekjes…
Ave Maria.
Haar adem stokte even. Yesss…
"Bedankt, mam," fluisterde ze zacht, terwijl ze omhoog keek, ervan overtuigd dat zij t erin had gelegd...
Buiten hield ze het doosje omhoog naar Fred. "Toch gevonden!"
Fred grijnsde. "Of misschien heeft het jou gevonden."
En ineens voelde de dag weer lichter.
En toen op naar het hotel.
Anna had zich er de afgelopen nacht al druk over gemaakt, een busje met aanhanger door de smalle doorgangen van Chartres manoeuvreren leek haar een nachtmerrie. Ze had zich in bed liggen afvragen of het wel zou passen, waar ze zouden moeten parkeren en hoeveel stress het zou opleveren. En als ze toen had geweten dat ook nog eens de halve stad was opgebroken…
Maar Mark? Die had het gewoon geflikt. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
"Serieus," zei Anna, terwijl ze de bus en aanhanger bewonderend bekeek. "Hoe heb je dit voor elkaar gekregen zonder vloeken en zweetdruppels?"
Mark grijnsde. "Gewoon rustig blijven en doen alsof ik weet wat ik doe."
Anna schudde haar hoofd. "Nou, ik heb er bijna niet van geslapen, maar jij maakt je status als engel-zonder-vleugels weer helemaal waar."
Mark haalde zijn schouders op. "Ach, engelen moeten ook ergens parkeren."
Na een dag vol zoekwerk naar nieuwe onderkomens, wat echt super lastig bleek te zijn, en het regelen van de grote wisseltruc, begon Anna’s hoofd langzaam te koken. Chris en Maartje, de kittige verzorgster , zouden aan het einde van de week Mark vervangen, maar waar ze dan precies zouden slapen en hoe dat allemaal in elkaar moest passen, was nog een groot vraagteken.
Anna haat dit soort regelwerk. De zakelijke kant van dingen regelen, onderhandelen, bellen, zoeken, overleggen, het vreet energie. En als dan ook nog haar telefoon niet meewerkt, Airbnb begint tegen te sputteren en het internet telkens wegvalt, dan is dat de druppel.
"Ik zweer het je, als deze site nog één keer vastloopt, dan flikker ik die telefoon zo het hotel uit," mompelde ze boos.
Fred keek op van zijn plek op het bed en trok een wenkbrauw op. "Zal ik hem dan maar even vasthouden?"
Anna schoot uit haar slof. "Ja, heel grappig, Fred! Maar als jij het dan allemaal even regelt?!"
Fred stak zijn handen in de lucht. "Rustig, rustig… ik zal je helpen."
Anna gooide haar telefoon gefrustreerd op tafel en zuchtte diep. Ze wist het zelf ook, het was gewoon te veel. En als het te veel werd, dan stroomde het emmertje over. Niet handig, niet productief, maar het gebeurde.
"Hier eerst een kop thee. Misschien eerst even ademhalen voor we verder gaan. Uiteindelijk waren de adressen gevonden en was het tijd om écht te ontspannen.
"Vanavond gaan we uit eten," besliste Fred. "We hebben het verdiend."
Anna keek op. "Denk je dat je het trekt?" Het was niet echt een goede dag voor Fred geweest maar hij leek weer iets bij te trekken.
"Met de rolstoel komen we overal," zei hij vastberaden.
En zo geschiedde.
Ze genoten van een heerlijke maaltijd, lachten, kletsten en sloten af met een gigantische sorbet. Een cadeau van een volger.
Fred nam een hap en zuchtte tevreden. "Nou… als we dan toch op pelgrimstocht zijn, laten we dit dan ook maar als een zegen beschouwen."
Anna glimlachte. "Amen."
Morgen weer een lange fietsdag
Hoofdstuk 47: Twijfel...
Van Chartres naar Chateuaudun...
De ochtend begon stil. Geen deuntje in Anna’s hoofd, geen automatisch geneurie. Dat alleen al was een teken.
De sfeer in de kamer was bedrukt, alsof de zwaarte van de afgelopen dagen zich diep in de muren had genesteld.
Fred lag bleekjes onder het dekbed, zijn gezicht grauw en smal. Zijn ademhaling klonk zwaarder dan normaal. Anna voelde onmiddellijk dat vandaag anders was.
Ze ging naast hem zitten en legde een hand op zijn arm. “Hoe is het, Fred?”
Hij draaide zijn hoofd langzaam naar haar toe, zijn ogen vermoeid. “Niet goed,” mompelde hij. “Ik heb het gevoel dat mijn krachten echt minder worden. Alsof mijn lichaam het gewoon… niet meer wil.”
Hij slikte moeizaam en wreef over zijn gezicht. “Dat is wel heel verdrietig, steeds een stukje moeten inleveren.”
Anna’s hart kromp samen. Ze had het ook gemerkt, de kleine veranderingen, de momenten waarop hij iets niet meer kon, waar hij eerder nog zijn schouders over had opgehaald. Dit was niet meer zomaar een slechte dag.
Ze haalde diep adem.
“Moeten we stoppen met de reis?”
Fred sloot even zijn ogen, zuchtte diep. “Ik weet het niet,” fluisterde hij. “Het is nu echt zwaar.”
Anna pakte zijn hand. “Fred, als het niet meer gaat, stoppen we. Maar dat moet jouw beslissing zijn. Doe dit niet alleen voor mij.”
Fred knikte zwakjes. “Iedereen is al onderweg,” zei hij zacht. “Om nu alles af te blazen…”
Anna kneep even in zijn hand. “Maak je dáár alsjeblieft geen zorgen over.
Ze komen ons halen. Niet alleen voor de reis, maar voor ons. Ze komen dus nooit voor niets.
Ze stond op, zette een kop koffie voor hem neer en glimlachte voorzichtig. “Eerst even een bakkie troost. Daarna zien we verder.”
Fred nam langzaam een slok, liet de warmte door zijn lijf stromen.
Anna wachtte even en stelde toen opnieuw de vraag. “Wil je stoppen?”
Fred keek haar lang aan. Toen schudde hij zijn hoofd. “Nee. We gaan verder.”
Anna knikte. Ze voelde opluchting, maar ook een nieuwe verantwoordelijkheid. Dit moest anders.
“We gaan rustiger aan doen,” zei ze vastberaden. “Kortere etappes. Meer slaap. Alleen vandaag staat er nog een stevige rit op het programma. Maar Mark is in de buurt. Dus als het niet gaat, bellen we hem. Dat is een veilig idee.”
Fred glimlachte flauw. “De engel zonder vleugels.”
Anna haalde diep adem en keek uit het raam. Buiten was het nog grijs, de wereld leek even stil te staan. Maar ze wisten allebei: ze gingen verder. Op hun eigen tempo. Samen.
Op dat moment klopte Mark op de deur, en met hem waaide er een frisse wind naar binnen. Letterlijk en figuurlijk. De zwaarte die in de kamer had gehangen, leek even plaats te maken voor iets lichters.
“Nou, slapen jullie nog of is dit een begrafenisstemming?” riep hij met een brede grijns.
Fred keek hem slaperig aan en bromde: “Een beetje van beide.”
Anna schudde lachend haar hoofd terwijl Mark met verhalen over zijn ochtend begon. Een half uur later zaten ze met tranen in hun ogen van het lachen om rare filmpjes en sterke verhalen.
“Oké, serieus mensen,” zei Mark uiteindelijk, “wat is de planning?”
De afspraken werden gemaakt. Rustig pakken, voorbereiden, nog even eten. Geen haast, geen druk.
Om 11 uur was het buiten onverwachts lekker weer. De dubbele thermobroeken konden uit, de dikke truien verdwenen in de tassen. Het voelde als een bevrijding, alsof ze een laag van de zwaarte van de ochtend letterlijk van zich afschudden.
En toen, off they go.
Nog één keer de stad in, op zoek naar iets wat Anna gisteren niet had kunnen vinden. Misschien vandaag wel?
Maar ook vandaag bleef dat speciaal gevoel in de grote kathedraal uit. Geen diepe ontroering, geen kippenvel. Fred bleef buiten. “Het trekt me niet,” zei hij simpel. “Te weinig energie om te voelen.”
Anna knikte. Ze begreep het. Soms is de plek niet de juiste.
Toen ze weer buiten stond, keek ze nog een keer lang naar de imposante kathedraal. Het was zonder twijfel een prachtig gebouw. Maar was dit de plek waar ze het moest vinden?
Ze stapten weer op de fiets en begonnen aan de steile straatjes naar beneden.
Ze fietsten langs een andere, oude grote kerk. Verwaarloosd, grauw, geen mooi plein erom heen. Op een of andere manier moest Anna daar naar binnen.
Fred zuchtte, leunde achterover en zei: “Ik wacht hier wel, hè?”
Anna grijnsde. “Dat dacht ik al.”
Ze duwde de zware deur open en stapte naar binnen.
Wat ze daar voelde? Rust.
Echte stilte.
Niet de stilte van een leeg gebouw, maar een diepere, voelbare stilte. Een heilige stilte?
Er was hier niets perfects. Kapotte ramen, vogelpoep op de grond, versleten banken.
Maar hier was het. Dit gevoel.
Het zat niet in marmeren vloeren. Niet in gouden altaren. Niet in opsmuk en indrukwekkende schilderingen.
Het zat in de rust. De afwezigheid van drukte. De eenvoud.
Ze haalde diep adem en sloot even haar ogen.
Misschien is dit wat ze zocht. Misschien is heiligheid niets anders dan ruimte om echt stil te zijn en hier daalde de stilte letterlijk op je neer.
Met deze wijsheid kwam Anna weer naar buiten. Ze kneep haar ogen samen tegen het felle zonlicht en keek Fred aan.
“Ik weet het nu,” zei ze.
Fred keek haar vragend aan. “Wat weet je?”
Anna haalde diep adem. “Wat ik zocht. Stilte. Echte stilte. Niet alleen buiten, maar ook in mezelf.”
Fred knikte langzaam en glimlachte flauw. “Nou, als je daar eindelijk achter bent, kunnen we misschien verder?”
Anna lachte en gaf hem een speelse por. “Vooruit dan maar."
En daar gingen ze weer.
Nu begon de etappe pas echt. Op weg naar Châteaudun. Voor Mark het eindstation van zijn reis met Fred en Anna, voor Chris en Maartje het begin van hun avontuur met hen.
De eerste kilometers trapten ze zwijgend weg, ieder verzonken in hun eigen gedachten. Maar al gauw vonden ze hun ritme en vlogen ze als vanouds over de Franse wegen. Overal bordjes van de Jacobsroute. Gezellig.
“Geen enkele fietser te bekennen,” merkte Anna op, terwijl ze een bord passeerden.
Fred grinnikte. “Tja, wie doet dit dan ook in de winter?”
Anna haalde haar schouders op. “Wij.”
En het voelde goed. Zeker nu het weer meezat. De zon had kracht en even leek het of de winter langzaam aan het verliezen was.
Maar de laatste 15 kilometer waren een beproeving. Harde tegenwind, de oren bliezen van de kop.
Fred bromde: “Moeten we dit echt?”
“Denk dat we weinig keus hebben,” riep Anna boven de wind uit.
Om het nog uitdagender te maken, begon de accu sneller leeg te lopen dan verwacht. Dat betekende veel op lage ondersteuning rijden, en dus flink doorbijten.
“Op karakter,” mompelde Fred.
“Hebben we daar nog iets van over?” vroeg Anna hijgend.
Maar uiteindelijk haalden ze het.
Na een hoop zoeken, doodlopende straatjes en onverwachte steegjes, vonden ze hun overnachtingsadres met een geweldig uitzicht over het stadje.
Fred keek rond en knikte goedkeurend. “Nou, hier kan ik wel een nachtje overleven.”
Het huisje was eenvoudig, maar prima.
En toen… het laatste avondmaal voor Mark.
Anna zette een dampend bord pasta voor hem neer. “Hier. Het galgenmaal.”
Mark trok een wenkbrauw op. “Gezellig.”
Fred lachte. “Nou, wat past er nu beter bij een kampeerervaring dan pasta?”
Met een vermoeide glimlach aten ze samen, pratend over de afgelopen dagen, herinneringen delend. Maar de vermoeidheid sloeg toe. Vooral bij Anna.
Moe van de lange dag. Moe van de wind. Moe van de zorgen. En de spanning van de wisseling van de wacht.
Morgen kwamen Chris en Maartje. Een nieuwe fase in de reis.
Maar nu eerst… slapen.
Anna trok de dekens over zich heen en hoopte maar op één ding.
Een rustige nacht.